Chapter, Verse
1 1, 1 | 1 De broeders, de Joden, die te Jeruzalem, en die in
2 1, 1 | Joden, die te Jeruzalem, en die in het land van Judea zijn,
3 1, 1 | wensen de broeders, de Joden, die in Egypte zijn, voorspoed
4 1, 7 | verdrukking en uiterste nood, die ons overkomen is in deze
5 1, 7 | de tijd af dat Jason en die met hem waren van het heilige
6 1, 10| jaar honderdachtentachtig, die in Jeruzalem en in Judea
7 1, 10| priesters, en de andere Joden, die in Egypte zijn, voorspoed
8 1, 12| Want hij heeft degenen, die in de heilige stad ons bestreden,
9 1, 13| Perzië, en zijn krijgsmacht, die onwederstandelijk scheen
10 1, 13| de bedriegelijke woorden, die de priesters van Nanea gebruikten.~
11 1, 14| zijn vrienden met hem, in die plaats gekomen waren, opdat
12 1, 16| afgehouwen hebbende, wierpen die tot degenen die buiten waren.~
13 1, 16| wierpen die tot degenen die buiten waren.~
14 1, 17| alles zij onze God geprezen, die de goddelozen tot straf
15 1, 19| godvruchtige priesters, die toen waren, heimelijk van
16 1, 19| in de holte van een put, die een droge grond had, en
17 1, 19| daarin verzekerd, zodat die plaats allen onbekend was.~
18 1, 20| nakomelingen der priesters, die het verborgen hadden, gezonden
19 1, 24| deze wijze: Here, Here God, die een schepper zijt aller
20 1, 24| schepper zijt aller dingen, gij die vreselijk zijt, en sterk,
21 1, 24| rechtvaardig, en een ontfermen, gij die alleen koning zijt, en goedertieren.~
22 1, 25| 25 Gij die alleen milddadig zijt, alleen
23 1, 25| almachtig, en eeuwig, gij die Israël behoudt van alle
24 1, 25| behoudt van alle kwaad, gij die onze vaderen hebt gemaakt
25 1, 27| verstrooiing; maak vrij die onder de heidenen dienen;
26 1, 27| dienen; zie aan degenen, die als niets geacht zijn, en
27 1, 28| 28 Pijnig hen, die ons overheersen, en die
28 1, 28| die ons overheersen, en die ons in hovaardigheid smaadheid
29 1, 34| kennende deze zaak, heeft die plaats omheind en heilig
30 2, 1 | profeet Jeremia degenen, die weggevoerd werden, geboden
31 2, 1 | gelijk de profeet degenen, die weggevoerd zouden worden,
32 2, 6 | 6 En dat enigen, die hem gevolgd en heengegaan
33 2, 7 | bestraffende gezegd heeft, dat die plaats onbekend zou zijn,
34 2, 8 | gezien zou worden, gelijk die ook aan Mozes is geopenbaard,
35 2, 12| Desgelijks heeft ook Salomo die acht dagen gevierd.~
36 2, 13| dingen worden verhaald in die schriften en in de aantekeningen
37 2, 14| ook Judas al de dingen, die door de oorlog, welke ons
38 2, 14| waren, bijeenvergaderd; en die zijn bij ons.~
39 2, 15| hebt, zendt lieden aan ons, die ze u mogen brengen.~
40 2, 17| 17 En God, die al zijn volk heeft behouden,
41 2, 18| hij ons van alle landen, die onder de hemel zijn, weder
42 2, 21| En aangaande de oorlogen, die wij gehad hebben tegen Antiochus
43 2, 22| 22 En de verschijningen, die van de hemel geschied zijn
44 2, 22| geschied zijn aan degenen, die voor het Jodendom met eergierigheid
45 2, 23| 23 En dat de tempel, die door de gehele bewoonde
46 2, 23| gesteld; en dat de wetten, die haast zouden zijn teniet
47 2, 25| getallen, en de zwarigheid, die er is voor degenen, die
48 2, 25| die er is voor degenen, die de historische verhalen
49 2, 26| Hebben getracht om degenen, die lezen willen, enig vermaak
50 2, 26| vermaak te geven, en degenen die begerig zijn om wel te onthouden,
51 2, 27| 27 Het is voor ons, die de moeite hebben genomen
52 2, 28| Gelijkerwijs het iemand, die een grote maaltijd toebereidt,
53 2, 28| maaltijd toebereidt, en die een ieder wel zoekt te dienen,
54 2, 30| 30 Gelijkerwijs een, die een nieuw huis wil bouwen,
55 2, 30| het ganse gebouw, en een, die met inbranden voorneemt
56 2, 32| men toe te laten degene, die een kort begrip van enig
57 2, 33| dwaze zaak zijn, dat iemand, die een kort begrip van een
58 3, 3 | al de onkosten betaalde die gedaan werden in de dienst
59 3, 4 | uit de stam van Benjamin, die tot een overste van de tempel
60 3, 4 | vanwege de ongerechtigheid, die in de stad gepleegd werd.~
61 3, 5 | Apollonius, de zoon van Thraseüs, die in die tijd overste was
62 3, 5 | zoon van Thraseüs, die in die tijd overste was van Celo-Syrië
63 3, 7 | geld te kennen gegeven was, die Heliodorus verkoren hebbende,
64 3, 7 | Heliodorus verkoren hebbende, die over zijn geld gesteld was,
65 3, 11| zoon van Tobias, een man die in zeer grote hoogheid gesteld
66 3, 12| ongelijk zou doen aan degenen, die vertrouwd hebben op de heiligheid
67 3, 12| en vrijdom van de tempel, die door de gehele wereld geëerd
68 3, 13| Heliodorus, om de bevelen, die hij van de koning had, zeide,
69 3, 15| naar de hemel, tot hem, die wetten heeft gemaakt van
70 3, 15| te bewaren voor degenen, die zij daar vertrouwd hadden,~
71 3, 16| hogepriesters aangezicht aanzag, die werd in zijn gemoed verwonderd,
72 3, 16| aangezicht en de kleur, die veranderd waren, gaven te
73 3, 16| te kennen de benauwdheid, die in zijn ziel was.~
74 3, 17| waaruit klaar de weemoed die in zijn hart was degenen,
75 3, 17| in zijn hart was degenen, die hem aanzagen, bleek.~
76 3, 19| wegen, en van de maagden, die opgesloten waren, liepen
77 3, 22| bewaren wilde, voor degenen, die het toevertrouwd hadden.~
78 3, 24| openbaring gedaan, zodat allen, die zich verstout hadden daar
79 3, 25| versierd, waarop een zat, die schrikkelijk was, hetwelk
80 3, 25| Heliodorus geworpen heeft, en die daarop zat scheen een gouden
81 3, 26| en sierlijk in kleding, die ook staande elk aan een
82 3, 28| 28 En hem, die tevoren met veel toeloop
83 3, 30| verheerlijkt had, en de tempel, die een weinig tevoren vol vreze,
84 3, 31| aanroepen, dat hij hem, die nu gans in de uiterste adem
85 3, 35| beloften had beloofd aan hem, die hem het leven had wedergegeven,
86 3, 36| werken van de grote God, die hijzelf met zijn ogen gezien
87 3, 38| een vijand hebt, of een die uw zaken lagen legt, zendt
88 3, 38| zaken lagen legt, zendt die daar, en gij zult hem wel
89 3, 38| omdat in der waarheid in die plaats een kracht Gods is.~
90 3, 39| 39 Want hij, die de hemelse woonstede heeft,
91 3, 39| de opziener en helper van die plaats, en hij slaat en
92 3, 39| en hij slaat en verderft die daar komen om kwaad te doen.~
93 4, 1 | 1 De voorzeide Simon, die een verrader was geworden
94 4, 2 | hij durfde zeggen van hem, die de stad veel goeds gedaan
95 4, 2 | veel goeds gedaan had, en die voor zijn volk grote zorg
96 4, 3 | dat ook door een dergenen, die Simon voor zijn vertrouwde
97 4, 4 | Celo-Syrië en Fenicië, en die de boosheid van Simon vermeerderde,
98 4, 9 | mogen oprichten, en dat hij die van Jeruzalem zou mogen
99 4, 11| voorrechten afgeschaft, die namens de koningen de Joden
100 4, 11| de vader van Eupolemus, die een gezant was geweest,
101 4, 13| van de goddeloze Jason, die geen rechte hogepriester
102 4, 14| onwettelijke oefeningen, die in de worstelplaats geschiedden,
103 4, 19| afgod Herkules; waarvan die ze brachten nochtans baden,
104 4, 19| nochtans baden, dat ze tot die offerande niet zouden gebruikt
105 4, 20| 20 En om degenen die ze brachten, heeft hij ze
106 4, 26| 26 En Jason, die zijn eigen broeder met bedrog
107 4, 29| Crates, de overste over die van Cyprus.~
108 4, 30| waren, is het gebeurd dat die van Tarsus en Mallo in oproer
109 4, 31| Andronicus, een van degenen die in hoogheid gesteld waren.~
110 4, 32| van de tempel genomen, en die geschonken aan Andronicus,
111 4, 34| Onias zou willen ombrengen; die, komende bij Onias, en hem
112 4, 35| het niet verdragen, dat die man zo onrechtvaardig was
113 4, 36| Cilicië, hebben hem de Joden, die in de stad waren, aangesproken,
114 4, 36| gelijk ook de Grieken, die dit kwaad stuk ook haatten
115 4, 40| handen, door een overste, die een tiran en oud van jaren
116 4, 41| wierpen het op degenen, die met Lysimachus waren.~
117 4, 44| Tyrus, stelden drie mannen, die door de raad gezonden waren,
118 4, 46| hebbende, heeft de koning, die in een galerij was gegaan
119 4, 47| 47 En heeft Menelaüs, die oorzaak was van al deze
120 4, 47| en heeft deze ellendigen, die, zo zij ook bij de Scythen
121 4, 48| onrechtvaardige straf geleden degenen, die voor de stad, en het volk,
122 4, 50| door de gierigheid dergenen die de macht hadden, in het
123 5, 8 | zijnde en gehaat, als een die van de wet was afgevallen;
124 5, 9 | 9 En hij, die velen uit hun vaderland
125 5, 10| 10 En hij, die een menigte onbegraven had
126 5, 10| onbegraven had weggeworpen, over die heeft niemand rouw gedragen,
127 5, 12| krijgslieden, dat zij allen die hun tegenkwamen zouden slaan,
128 5, 12| en dat zij al degenen, die op de huizen zouden klimmen
129 5, 15| tot een leidsman Menelaüs, die een verrader was geworden,
130 5, 17| der zonden wil dergenen, die in de stad woonden, de Here
131 5, 18| zonden gebracht waren, gelijk die Heliodorus, die gezonden
132 5, 18| gelijk die Heliodorus, die gezonden was van de koning
133 5, 20| daarom is dezelfde plaats, die deelachtig was geworden
134 5, 20| geworden de ongelukken, die over dit volk gekomen waren,
135 5, 22| Filippus te Jeruzalem, die van afkomst een Frygiër
136 5, 22| veel barbaarser dan degene, die hem gesteld had,~
137 5, 23| benevens deze Menelaüs, die veel erger dan de anderen
138 5, 24| gelastende dat hij allen, die tot mannelijke ouderdom
139 5, 25| houdende, zo gebood hij die onder hem stonden, dat zij
140 5, 26| 26 En heeft allen, die uitgegaan waren om de schouwspelen
141 5, 27| gebergte, en leefde met degenen die bij hem waren, naar de wijze
142 6, 2 | noemen, (gelijk degenen, die in die plaats woonden, begeerden),
143 6, 2 | gelijk degenen, die in die plaats woonden, begeerden),
144 6, 4 | brasserijen der heidenen, die met de hoeren daar in luiheid
145 6, 4 | daarenboven dingen daarin brachten die niet betaamden.~
146 6, 5 | met onbehoorlijke dingen, die de wet verboden had, vervuld.~
147 6, 9 | 9 En dat al degenen, die niet zouden willen verkiezen
148 6, 10| vrouwen werden voorgebracht, die haar kinderen hadden besneden,
149 6, 12| 12 Ik bid dan degenen, die dit boek zullen lezen, dat
150 6, 13| goeddadigheid, dat degenen, die zondigen, geen lange tijd
151 6, 18| schriftgeleerden, een man die verre op zijn dagen gekomen
152 6, 20| als het degenen betaamt, die zich willen blijven verdedigen
153 6, 20| blijven verdedigen tegen die dingen, welke niet geoorloofd
154 6, 21| 21 En degenen, die gesteld waren om deze onwettige
155 6, 21| ingewanden te eten, om de kennis, die zij met de man van oude
156 6, 23| betaamde, en zijn grauwe haren, die hij met ere had verkregen,
157 6, 23| zijn eerlijke opvoeding, die hij van zijn jeugd aan had
158 6, 29| 29 En die hem leidden, veranderden
159 6, 29| veranderden hun goedwilligheid, die zij een weinig tevoren tot
160 6, 29| om de voorzegde woorden, die zij achtten uitzinnigheid
161 6, 30| zuchtende: Aan de Here, die een heilige wetenschap heeft,
162 7, 2 | 2 En een hunner, die voor de anderen sprak, zeide
163 7, 3 | ketels heet zou maken; en als die terstond heet gemaakt waren,~
164 7, 4 | gebood hij dat men deze, die voor de anderen gesproken
165 7, 5 | beval de koning dat men hem, die nog zijn adem haalde, aan
166 7, 9 | koning der wereld zal ons, die voor zijn wetten sterven,
167 7, 10| zijn tong eisten, stak hij die terstond uit, en hij strekte
168 7, 12| Zodat de koning zelf, en die bij hem waren, zich zeer
169 7, 14| aldus: Het is beter de hoop, die van mensen is, te verwisselen,
170 7, 14| verwisselen, en de hoop die van God is te verwachten,
171 7, 18| aan ons dingen geschied die verwondering waardig zijn.~
172 7, 20| gedachtenis waardig, als die kloekmoedig verdragen heeft
173 7, 20| zijn omgebracht, om de hoop die zij hadden op de Here;~
174 7, 23| de Schepper der wereld, die de geboorte des mensen toebereidt,
175 7, 27| zoon, ontferm u over mij, die u negen maanden in mijn
176 7, 27| drie jaren gezoogd heb, en die u opgevoed, en u tot deze
177 7, 30| zijn het gebod der wet, die onze vaderen gegeven is
178 7, 31| 31 Maar gij, koning die een vinder zijt van alle
179 7, 33| 33 Indien onze Here, die daar leeft, om der tuchtiging
180 7, 35| oordeel des almachtigen Gods, die op alles opzicht heeft.~
181 7, 38| de toom des Almachtigen, die op al ons geslacht rechtvaardig
182 8, 1 | Judas de Makkabeeër, en die met hem waren, heimelijk
183 8, 1 | bloedverwanten tot zich; en die in de Joodse godsdienst
184 8, 2 | ontfermen over de tempel, die door de goddeloze mensen
185 8, 3 | erbarmen wilde over de stad die nu verdorven was, en tot
186 8, 4 | dat hij om de lasteringen, die tegen zijn naam geschied
187 8, 9 | toegevoegd Gorgias, een man die een overste was, goede ervaring
188 8, 10| koning beloofd de schatting, die hij de Romeinen schuldig
189 8, 11| niet verwachtende de straf die hem zou overkomen van de
190 8, 13| En als hij aan degenen, die met hem waren, verklaard
191 8, 14| willen verlossen degenen die door de goddeloze Nicanor,
192 8, 15| wilde doen om de verbonden, die hij met hun vaderen gemaakt
193 8, 16| Makkabeüs, vergaderd hebbende die bij hem waren, zesduizend
194 8, 16| grote menigte der heidenen, die onrechtvaardig tegen hen
195 8, 16| stellende de smaadheid, die zij onrechtvaardig volbracht
196 8, 17| mishandeling tegen de stad, die door hen bespot was; en
197 8, 17| verbreking der regering, die hij hun voorouders geweest
198 8, 18| vertrouwen op de almachtige God, die machtig is dezen, die tegen
199 8, 18| God, die machtig is dezen, die tegen ons komen, en ook
200 8, 19| hij verhaalde hun de hulp, die aan hun voorouders geschied
201 8, 20| 20 En de slag, die in Babylonië tegen de Galaten
202 8, 20| gedaan was, hoe dat allen die tot noodweer gekomen waren,
203 8, 20| twijfelmoedig te worden, dat die achtduizend honderdtwintigduizend
204 8, 20| omgebracht door de hulp die hun van de hemel geschiedde,
205 8, 25| kregen het geld van degenen die gekomen waren om hen te
206 8, 27| en loofden de Here zeer, die hen behouden had tot die
207 8, 27| die hen behouden had tot die dag toe, welke het begin
208 8, 27| was der barmhartigheid, die over hen kwam.~
209 8, 30| vernielden zij van degenen, die bij Timotheüs en Bacchides
210 8, 31| verzameld hebbende, stelden zij die alle zorgvuldig in gelegene
211 8, 32| versloegen ook Filarches, die bij Timotheüs was, een zeer
212 8, 32| een zeer goddeloos man, die de Joden veel droefheid
213 8, 33| hebben zij Callisthenes, die de heilige poorten in brand
214 8, 34| de overgoddeloze Nicanor, die duizend kooplieden bijeen
215 8, 35| Vernederd zijnde door degenen, die naar zijn achting de minste
216 8, 35| Middellandse zee, gelijk een slaaf die zijn heer ontloopt, en kwam
217 8, 36| 36 En hij, die aangenomen had de Romeinen
218 8, 36| betalen uit de gevangenen, die hij te Jeruzalem zou krijgen,
219 8, 36| omdat zij navolgen de wetten die door hem geordineerd zijn.~ ~
220 9, 4 | aangedaan hadden degenen die hem verjaagd hadden, op
221 9, 6 | 6 Zeer rechtvaardig, als die met vele en vreemde ellendigheden
222 9, 7 | hij ook van de wagen viel, die zeer snel voortreed, en
223 9, 8 | 8 Hij, die kort tevoren de baren der
224 9, 8 | gebieden, met een vermetelheid, die de menselijke gedachten
225 9, 8 | gedachten te boven ging, en die meende dat hij de hoogste
226 9, 10| 10 Zodat hem, die een weinig tevoren de sterren
227 9, 13| deze booswicht bad de Here, die hem nu geen barmhartigheid
228 9, 15| 15 En dat hij de Joden, die hij voorgenomen had zelfs
229 9, 15| te werpen, allen tezamen die van Athene gelijk zou maken;~
230 9, 16| dat hij de heilige tempel, die hij tevoren beroofd had,
231 9, 16| eigen inkomsten de onkosten, die tot de offeranden behoorden,
232 9, 22| zijnde in een krankheid, die haar zwarigheid heeft, heb
233 9, 23| aanmerkende, dat mijn vader, in die tijden, als hij ook in die
234 9, 23| die tijden, als hij ook in die bovenplaatsen een leger
235 9, 25| overdenkende, dat de prinsen die hierbij gelegen en naburen
236 9, 25| verklaard mijn zoon Antiochus, die ik, dikwijls in de bovenprovinciën
237 9, 26| behoude de goedgunstigheid, die gij hebt tot mij, en tot
238 9, 29| 29 En Filippus, die met hem opgevoed was, heeft
239 10, 1 | 1 En Makkabeüs, en die met hem waren, hebben, daar
240 10, 2 | 2 En hebben de altaren, die door de vreemde heidenen
241 10, 5 | vijfentwintigste der maand, die Chasleu is.~
242 10, 7 | offerden zij lofzangen hem, die voorspoed had gegeven, dat
243 10, 9 | het leven van Antiochus, die toegenaamd was Epifanes,
244 10, 11| zaken een zekere Lysias, die de opperste veldoverste
245 10, 12| 12 Want Ptolomeüs, die toegenaamd was Macron, willende
246 10, 13| geweken was, en dat hij die edele macht niet zo voortreffelijk
247 10, 14| veldoverste geworden zijnde van die plaatsen, onderhield vreemd
248 10, 15| genomen hebbende degenen, die uit Jeruzalem gebannen waren,
249 10, 16| 16 En die met Makkabeüs waren, een
250 10, 17| vermeesterden, en verdreven allen die op de muren vochten, en
251 10, 17| vochten, en sloegen dood allen die hen ontmoetten, en brachten
252 10, 18| gevlucht waren in twee torens, die zeer sterk waren en wel
253 10, 19| week zelf naar de plaatsen, die meer nood hadden.~
254 10, 20| 20 Maar die met Simon waren, geldgierig
255 10, 20| lieten zich door sommigen, die in de torens waren, met
256 10, 22| omgebracht, en terstond die twee torens ingenomen.~
257 10, 23| 23 En door de wapenen, die hij in handen had, alleszins
258 10, 23| voorspoedig zijnde, bracht hij in die twee sterkten om meer dan
259 10, 24| 24 En Timotheüs, die tevoren door de Joden overwonnen
260 10, 24| bijeengebracht hebbende de ruiters, die van Azië waren, niet weinig
261 10, 25| 25 Die met Makkabeüs waren, als
262 10, 26| nedervallende op de rand, die tegenover het altaar is,
263 10, 26| vijanden, en degenen tegenstaan die hen tegenstonden, gelijk
264 10, 33| 33 Die met Makkabeüs waren, kloekmoedig
265 10, 34| 34 En die daar binnen waren, vertrouwende
266 10, 35| hebben enige jongelingen, die met Makkabeüs waren, in
267 10, 35| een ontstoken gemoed allen die hun voorkwamen doodgeslagen.~
268 10, 36| opklimmende in de omgang tot hen, die binnen waren, staken de
269 10, 36| hebbende, verbrandden al die godslasteraars levend.~
270 10, 38| en dankzeggingen de Here, die Israël zo grote weldaad
271 10, 38| weldaad had bewezen, en die hun deze overwinning gegeven
272 10, 40| hofmeester en bloedverwant, en die over de zaken des konings
273 10, 45| 6 En als die met Makkabeüs waren verstonden,
274 10, 47| paard zittende verschenen, die hun voorreed, in witte kleding,
275 10, 49| hebbende een uit de hemel, die hen zou helpen vechten,
276 10, 52| overleggende de nederlaag die hem geschied was, en verstaande
277 10, 56| 17 Johannes en Absalom, die door u afgezonden zijn,
278 10, 57| gebracht worden, hem verklaard, die al wat behoorlijk was toegestaan
279 10, 62| wij willende dat degenen, die in ons koninkrijk zijn,
280 10, 69| 30 Degenen dan, die tot ons afgekomen zijn tot
281 10, 75| brengen, zendt terstond iemand die daarover mag handelen, opdat
282 11, 2 | 2 Doch de oversten van die plaatsen, Timotheüs en Apollonius,
283 11, 3 | 3 En die van Joppe bedreven aan de
284 11, 3 | schelmstuk. Zij baden de Joden, die bij hen woonden, dat zij
285 11, 4 | stad, dit aannamen, als die in vrede wilden leven, en
286 11, 4 | zee gevaren waren, hebben die van Joppe hen in de zee
287 11, 5 | begaan was, gebood de mannen, die bij hem waren, de wapenen
288 11, 6 | schuiten, en doorstak hen, die daar gevlucht waren.~
289 11, 7 | was, zo vertrok hij, als die weder zou komen, en de ganse
290 11, 8 | Als hij verstaan had, dat die van Jamnia ook op dezelfde
291 11, 8 | wilden handelen met de Joden, die bij hen woonden,~
292 11, 9 | 9 Zo overviel hij die van Jamnia des nachts, en
293 11, 11| hevig gevecht geschiedde, en die met Judas waren, door de
294 11, 11| Judas waren, door de hulp, die van God kwam, voorspoedig
295 11, 13| slaan tegen een sterke stad, die met muren omsingeld was,
296 11, 13| muren omsingeld was, en die van allerlei volk, ondereen
297 11, 14| 14 Maar die van binnen vertrouwende
298 11, 14| zich onachtzaam, scheldende die met Judas waren en daarenboven
299 11, 15| 15 Doch die met Judas waren, aanroepende
300 11, 15| grote prins der wereld, die zonder stormrammen en andere
301 11, 18| vonden Timotheüs niet in die plaatsen; en toen van die
302 11, 18| die plaatsen; en toen van die plaatsen, zonder iets uitgericht
303 11, 18| gelaten in zekere plaats, die zeer sterk was.~
304 11, 19| van de oversten dergenen die met Makkabeüs waren, uittrekkende,
305 11, 19| vernielden van degenen, die van Timotheüs daar gelaten
306 11, 20| bij hopen, stelde hen over die hopen, en viel op Timotheüs
307 11, 20| en viel op Timotheüs aan, die bij zich had honderdentwintigduizend
308 11, 21| komen, om de engte van al die plaatsen.~
309 11, 22| de verschijning desgenen, die alle dingen ziet, zo begaven
310 11, 24| zou dat men anderszins op die geen acht zou hebben.~
311 11, 28| aanroepende God de prins, die met kracht der vijanden
312 11, 28| en sloegen van degenen, die daarin waren, tot vijfentwintigduizend.~
313 11, 30| 30 Maar als de Joden, die daar woonden, getuigden
314 11, 30| van de goedgunstigheid, die de burgers van Scythopolis
315 11, 35| Dositheüs, een ruiter van die van Bakenor, een kloek man,
316 11, 36| 36 En als degenen, die bij Esdrin waren, lang vochten,
317 11, 39| volgende dag, kwamen degenen die met Judas waren, omtrent
318 11, 39| om de lichamen dergenen die gevallen waren weg te nemen,
319 11, 40| der doden enige dingen, die de afgoden van Jamnia geheiligd
320 11, 41| de rechtvaardige rechter, die alle verborgen dingen openbaar
321 11, 42| baden zij dat de zonde, die daar begaan was, volkomen
322 11, 42| zonde mochten zijn, als die voor hun ogen hadden gezien
323 11, 42| der zonden wil dergenen, die gevallen waren.~
324 11, 43| tweeduizend drachmen zilver, zond die naar Jeruzalem om offerande
325 11, 44| had verwacht, dat degenen die gevallen waren, weder zouden
326 11, 45| hij aanmerkte dat degenen, die godzalig ontslapen zijn,
327 12, 1 | honderdnegenenveertigste jaar kwam aan degenen die bij Judas waren ter ore,
328 12, 2 | Lysias, zijn hofmeester en die over zijn zaken gesteld
329 12, 3 | voegde zich ook Menelaüs, die Antiochus met veel schimpen
330 12, 4 | het gebruikelijk was in die plaats.~
331 12, 5 | 5 Daar was in die plaats een toren, vijftig
332 12, 6 | stieten daarvan af een ieder, die aan kerkroof schuldig was,
333 12, 6 | kerkroof schuldig was, of die anderszins enig ander bijzonder
334 12, 10| wilde te hulp komen degenen die in gevaar waren van de wet,
335 12, 14| vermaand hebbende degenen die met hem waren, dat zij kloekmoedig
336 12, 15| met de menigte dergenen, die daar in het huis waren.~
337 12, 17| de bescherming des Heren, die hem hielp.~
338 12, 20| Judas zond aan degenen, die daar binnen waren, hetgeen
339 12, 22| tweeden male overleg met die van Bethsura, en de rechterhand
340 12, 23| slag leverende met degenen die met Judas waren, ontving
341 12, 23| vernomen had dat Filippus, die hij te Antiochië gelaten
342 12, 25| Ptolomaïs gekomen was, waren die van Ptolomaïs zeer ontevreden
343 13, 3 | 3 En een zekere Alcimus, die tevoren hogepriester was
344 13, 4 | bovendien ook enige takken, die men meende van de tempel
345 13, 4 | zijn, en hield zich stil op die dag.~
346 13, 6 | 6 Zeide daarop: Die onder de Joden genoemd worden
347 13, 6 | Makkabeüs de overste is, die voeren gedurig oorlogen
348 13, 8 | oprecht meen met de zaken, die de koning aangaan, en ten
349 13, 9 | bekende goedertierenheid, die gij allen bewijst.~
350 13, 11| vrienden van de koning, die tegen Judas kwalijk gezind
351 13, 12| hij riep terstond Nicanor, die over de olifanten gesteld
352 13, 13| zou ombrengen, en degenen die met hem waren verstrooien,
353 13, 14| 14 En de heidenen, die voor Judas uit Judea waren
354 13, 15| hun hoofden, en baden hem, die tot in eeuwigheid zijn volk
355 13, 15| zijn volk had bevestigd, en die altijd zijn erfdeel met
356 13, 18| dapperheid degenen hadden die met Judas waren, en wat
357 13, 22| En Judas stelde enigen, die in de wapenen waren, in
358 13, 23| hij dankte de scharen af, die bij menigten tot hem vergaderd
359 13, 26| de ander, en de verbonden die zij gemaakt hadden, zo nam
360 13, 26| dat Nicanor dingen voorhad die vijandig waren aan de zaken
361 13, 26| zeide hij, hij heeft Judas, die het koninkrijk lagen legt,
362 13, 32| niet wisten waar hij was, die gezocht werd, zo heeft hij,
363 13, 34| uitstekende, riepen hem aan die altijd geweest was een voorvechter
364 13, 35| 35 Gij, o Here van allen, die geen ding van node hebt,
365 13, 37| ouderlingen te Jeruzalem, een man die de stad en burgers liefhad,
366 13, 37| stad en burgers liefhad, en die van een zeer goede naam
367 13, 39| openbaar maken de vijandschap, die hij had tegen de Joden,
368 13, 42| schelmen, en smaadheid lijden, die zijn eerlijk geslacht onbetamelijk
369 13, 44| 44 Die terstond achterwaarts wijkende
370 13, 46| zijn ingewanden uit, en die met beide handen nemen,
371 13, 46| leven en geest, dat hij hem die wilde wedergeven, zo is
372 14, 1 | nu verstaande dat degenen die met Judas waren, zich onthielden
373 14, 2 | 2 En als de Joden, die hem uit nooddwang volgden,
374 14, 2 | barbaars ombrengen, maar wil die dag, die eertijds met heiligheid
375 14, 2 | ombrengen, maar wil die dag, die eertijds met heiligheid
376 14, 2 | heiligheid geëerd is door hem, die alle dingen aanziet, in
377 14, 3 | een Here in de hemel was, die geboden zou hebben, dat
378 14, 4 | antwoordden: Daar is een Here die leeft, deze is in de hemel
379 14, 4 | hemel een machtig prins, die gebeden heeft dat men de
380 14, 5 | machtig prins op de aarde, die u gebied de wapenen te nemen,
381 14, 6 | overwinning over degenen, die met Judas waren, op te richten.~
382 14, 8 | 8 En vermaande degenen die met hem waren, dat zij de
383 14, 8 | gedachtenis zouden houden de hulp, die hun zo dikwijls van de hemel
384 14, 8 | overwinning verwachten, die hij hun zou geven.~
385 14, 9 | gedachtenis brengende de gevaren, die zij reeds hadden uitgestaan,
386 14, 12| zijn gezicht: dat Onias, die het hogepriesterschap had
387 14, 12| rede voortbrengende, en die van kindsbeen af zich geoefend
388 14, 12| geoefend had in alle dingen, die tot de deugd behoren, dat
389 14, 13| dat zijn uitnemendheid, die bij hem was, zeer was te
390 14, 14| Jeremia, de profeet van God, die zijn broeders liefheeft,
391 14, 14| zijn broeders liefheeft, en die veel bidt voor het volk
392 14, 17| deze woorden van Judas, die zeer goed waren, en zeer
393 14, 19| 19 En degenen, die in de stad gelaten waren,
394 14, 19| kleine benauwdheid; de slag, die onder de blote hemel zou
395 14, 21| hemel, de Here aangeroepen, die wonderlijke dingen doet,
396 14, 21| wonderlijke dingen doet, als die wist dat de overwinning
397 14, 21| hem gegeven wordt degenen, die hij oordeelt dit waardig
398 14, 22| Hiskia, de koning van Juda, die in het leger van Sanherib
399 14, 24| geslagen worden degenen, die met godslastering gekomen
400 14, 25| 25 Degenen nu, die met Nicanor waren, kwamen
401 14, 26| 26 Maar die met Judas waren, vielen
402 14, 30| 30 En hij, die alleszins de eerste voorvechter
403 14, 30| medeburgers, met lichaam en ziel, die in zijn jaren de goedgunstigheid
404 14, 31| zond hij heen naar degenen, die in de burcht waren.~
405 14, 32| huis van de Almachtige, en die de hals had opgestoken,~
406 14, 33| hebbende, zeide hij, dat hij die bij stukken zou geven aan
407 14, 34| Gezegend moet hij zijn, die zijn plaats onbesmet heeft
408 14, 37| dag der twaalfde maand, die Adar genoemd wordt in de
409 14, 38| aldus afgelopen zijn, en van die tijden af de Hebreeën de
|