Chapter, Verse
1 3, 20| 20 En zij allen, de handen naar de hemel uitgestrekt
2 4, 40| begon met onrechtvaardige handen, door een overste, die een
3 4, 41| slijk dat daar was, met hun handen tezamen geperst, en wierpen
4 5, 16| 16 En met zijn onreine handen de heilige vaten nemende,
5 5, 16| was, met zijn goddeloze handen wegrovende,~
6 6, 26| levende noch stervende, de handen van de Almachtige.~
7 7, 10| uit, en hij strekte zijn handen zeer vrijmoedig uit;~
8 7, 31| tegen de Hebreeën, zult de handen Gods niet ontvlieden.~
9 10, 23| door de wapenen, die hij in handen had, alleszins voorspoedig
10 11, 24| als hij gevallen was in de handen van Dositheüs en Sosipater,
11 12, 11| wilde laten vallen in de handen der schandelijke heidenen.~
12 13, 34| weggegaan, maar de priesters hun handen naar de hemel uitstekende,
13 13, 42| sterven, dan vallen in de handen van deze schelmen, en smaadheid
14 13, 46| ingewanden uit, en die met beide handen nemen, wierp het onder de
15 14, 12| deugd behoren, dat deze de handen uitstak, en bad voor de
16 14, 21| beesten, opheffende zijn handen naar de hemel, de Here aangeroepen,
17 14, 27| En zij vechtende met de handen, maar met hun harten tot
|