Chapter, Verse
1 1, 1 | Jeruzalem, en die in het land van Judea zijn, wensen de broeders,
2 1, 7 | overkomen is in deze jaren, van de tijd af dat Jason en
3 1, 7 | Jason en die met hem waren van het heilige land en het
4 1, 10| Aristobulus, de leermeester van de koning Ptolomeüs, zijnde
5 1, 12| heilige stad ons bestreden, van ons uitgedreven.~
6 1, 13| zijn geslagen in de tempel van Nanea, door de bedriegelijke
7 1, 13| woorden, die de priesters van Nanea gebruikten.~
8 1, 15| Hetwelk hem de priesters van Nanea voorstelden, en als
9 1, 18| dan op de vijfentwintigste van de maand Chasleu de reiniging
10 1, 18| maand Chasleu de reiniging van de tempel zullende houden,
11 1, 18| feest der loofhutten, en van het vuur wanneer Nehemia
12 1, 18| wanneer Nehemia de tempel van het altaar gebouwd hebbende,
13 1, 19| die toen waren, heimelijk van het vuur van het altaar,
14 1, 19| heimelijk van het vuur van het altaar, en verbergden
15 1, 19| verbergden het in de holte van een put, die een droge grond
16 1, 20| gezonden door de koning van Perzië, de nakomelingen
17 1, 25| gij die Israël behoudt van alle kwaad, gij die onze
18 1, 32| ontstoken, en als het licht van het altaar daartegen aan
19 1, 33| openbaar werd, en de koning van Perzië geboodschapt, dat
20 2, 1 | weggevoerd werden, geboden heeft van het vuur te nemen, gelijk
21 2, 3 | harten niet zouden afwijken van de wet,~
22 2, 4 | geklommen was, en het erfdeel van God zag.~
23 2, 9 | tot inwijding en heiliging van de tempel.~
24 2, 10| gedaan, en dat het vuur van de hemel viel, en de offerande
25 2, 13| schriften en in de aantekeningen van Nehemia; en hoe hij een
26 2, 13| heeft vergaderd de schriften van de koningen en profeten,
27 2, 13| profeten, en de schriftenl van David, en de brieven der
28 2, 18| ontfermen, en dat hij ons van alle landen, die onder de
29 2, 20| Voorts, wat aangaat de zaken van Judas Makkabeüs, en zijn
30 2, 20| broeders, en de reiniging van de grote tempel, en de inwijding
31 2, 22| En de verschijningen, die van de hemel geschied zijn aan
32 2, 24| dingen, zijnde door Jason van Cyrene verklaard in vijf
33 2, 25| doorlezen, om de menigte van de stof,~
34 2, 28| dienen, niet licht is, om van velen goede dank te behalen,
35 2, 29| de bredere verhandeling van iedere zaak, zullen wij
36 2, 31| bezig te zijn in het verhaal van alle bijzondere stukken,
37 2, 31| dit behoort tot het werk van de schrijver der geschiedenis.~
38 2, 32| 32 Doch een kort begrip van hetgeen te zeggen is te
39 2, 32| degene, die een kort begrip van enig schrift maakt.~
40 2, 33| 33 Laat ons dan van hier ons verhaal beginnen,
41 2, 33| iemand, die een kort begrip van een geschiedenis schrijft,
42 3, 3 | Zodat ook Seleucus, koning van Azië uit zijn eigen inkomsten
43 3, 4 | zekere Simon, uit de stam van Benjamin, die tot een overste
44 3, 4 | Benjamin, die tot een overste van de tempel was gesteld, streed
45 3, 5 | tot Apollonius, de zoon van Thraseüs, die in die tijd
46 3, 5 | in die tijd overste was van Celo-Syrië en Fenicië.~
47 3, 6 | schatkist te Jeruzalem vol was van geld, zodat de menigte der
48 3, 6 | kunnen vallen in de macht van de koning.~
49 3, 7 | geopenbaard hetgeen hem van het geld te kennen gegeven
50 3, 8 | schijn, alsof hij de steden van Celo-Syrië en van Fenicië
51 3, 8 | steden van Celo-Syrië en van Fenicië wilde doorreizen,
52 3, 11| toebehoorde aan Hyrcanus, de zoon van Tobias, een man die in zeer
53 3, 12| eerwaardigheid en vrijdom van de tempel, die door de gehele
54 3, 13| om de bevelen, die hij van de koning had, zeide, dat
55 3, 15| die wetten heeft gemaakt van de toevertrouwde goederen
56 3, 17| Want vrees en verschrikking van het lichaam had de an bevangen,
57 3, 19| vervulden de wegen, en van de maagden, die opgesloten
58 3, 24| de prins der geesten en van alle macht een grote openbaring
59 3, 26| ook staande elk aan een van zijn zijden, hem zonder
60 3, 29| zonder spraak, en verstoken van alle hoop en behoudenis.~
61 3, 31| 31 En sommigen van Heliodorus' vrienden hebben
62 3, 36| getuigde aan allen de werken van de grote God, die hijzelf
63 3, 39| is de opziener en helper van die plaats, en hij slaat
64 3, 40| Heliodorus, en de bewaring van de schatkamer.~ ~
65 4, 1 | een verrader was geworden van het geld en van zijn vaderland,
66 4, 1 | geworden van het geld en van zijn vaderland, sprak kwalijk
67 4, 1 | vaderland, sprak kwalijk van Onias, alsof hijzelf Heliodorus
68 4, 1 | aanstichter ware geweest van al dit kwaad.~
69 4, 2 | 2 En hij durfde zeggen van hem, die de stad veel goeds
70 4, 4 | bemerkende de hevigheid van de twist, en hoe Apollonius
71 4, 4 | raasde, als zijnde overste van Celo-Syrië en Fenicië, en
72 4, 4 | Fenicië, en die de boosheid van Simon vermeerderde, is hij
73 4, 5 | te zijn een beschuldiger van zijn burgers, maar ziende
74 4, 6 | Simon niet zou ophouden van zijn razernij.~
75 4, 7 | heeft Jason, de broeder van Onias, onbehoorlijk gestaan
76 4, 9 | oprichten, en dat hij die van Jeruzalem zou mogen opschrijven
77 4, 9 | opschrijven onder de burgers van Antiochië.~
78 4, 11| door Johannes, de vader van Eupolemus, die een gezant
79 4, 11| de Romeinen een verbond van vriendschap en van gemeenschap
80 4, 11| verbond van vriendschap en van gemeenschap van wapenen
81 4, 11| vriendschap en van gemeenschap van wapenen te maken; en heeft
82 4, 11| een nieuwe onwettige wijze van regering ingevoerd.~
83 4, 13| voortgang der vreemde wijzen van doen, om de overgrote onreinheid
84 4, 13| de overgrote onreinheid van de goddeloze Jason, die
85 4, 19| goddeloze Jason toeschouwers van Jeruzalem, alsof zij van
86 4, 19| van Jeruzalem, alsof zij van Antiochië waren, medebrengende
87 4, 19| zilver tot een offerande van de afgod Herkules; waarvan
88 4, 21| als Apollonius, de zoon van Menestheüs, in Egypte was
89 4, 21| vanwege de eerste beroeping van de koning Filometor, zo
90 4, 21| Antiochus, vernemende dat hij van zijn zaken vervreemd was,
91 4, 23| 23 En na de tijd van drie jaren zond Jason Menelaüs,
92 4, 25| maar een grimmig gemoed van een wrede tiran en een verbolgenheid
93 4, 25| tiran en een verbolgenheid van een wild barbaars beest
94 4, 27| hoewel Sostrates, de overste van de burcht het eiste.~
95 4, 28| was gesteld om het geld van de schatting te ontvangen.
96 4, 29| Menelaüs tot een verzorger van het hogepriesterschap Lysimachus,
97 4, 29| Crates, de overste over die van Cyprus.~
98 4, 30| is het gebeurd dat die van Tarsus en Mallo in oproer
99 4, 31| voorzorger Andronicus, een van degenen die in hoogheid
100 4, 32| heeft enige gouden vaten van de tempel genomen, en die
101 4, 35| de Joden, maar ook vele van andere volken, het zeer
102 4, 36| koning wedergekomen was van de plaatsen van Cilicië,
103 4, 36| wedergekomen was van de plaatsen van Cilicië, hebben hem de Joden,
104 4, 37| 37 Antiochus, hierover van harte bedroefd zijnde, en
105 4, 38| heeft daar de doodslager van het leven beroofd, en zo
106 4, 39| stad geschiedden, met raad van Menelaüs, en als het gerucht
107 4, 39| nadat weder veel goudwerk van verscheidene plaatsen weggebracht
108 4, 40| overste, die een tiran en oud van jaren was, en ook niet min
109 4, 40| jaren was, en ook niet min van verstand.~
110 4, 41| dezen, ziende de aanval van Lysimachus, grepen stenen
111 4, 42| oorzaak hebben zij velen van hen gewond, sommigen ook
112 4, 45| geld aan Ptolomeüs, de zoon van Dorymeüs, opdat hij de koning
113 4, 47| Menelaüs, die oorzaak was van al deze boosheid, ontslagen
114 4, 47| deze boosheid, ontslagen van al de beschuldigingen, en
115 5, 3 | schilden, een grote menigte van spiesen, en schieten van
116 5, 3 | van spiesen, en schieten van pijlen, en blinken van de
117 5, 3 | schieten van pijlen, en blinken van de gouden versierselen en
118 5, 6 | hij dacht dat hij tekenen van overwinning oprichtte, niet
119 5, 6 | overwinning oprichtte, niet van zijn medeburgers, maar van
120 5, 6 | van zijn medeburgers, maar van zijn vijanden.~
121 5, 7 | oppergezag niet; maar als einde van zijn bedriegelijkheid schande
122 5, 8 | loon bij Aretas de koning van Arabië, zo nagejaagd zijnde,
123 5, 8 | zijnde, dat hij vluchtte van de ene stad in de andere,
124 5, 8 | zijnde en gehaat, als een die van de wet was afgevallen; en
125 5, 8 | en vervloekt als een beul van zijn vaderland en zijn burgers,
126 5, 11| waren, vermoedde dat Judea van hem wilde afvallen; waarom
127 5, 13| geschiedde een grote moord van jongen en van ouden; en
128 5, 13| grote moord van jongen en van ouden; en mannen, en vrouwen,
129 5, 15| de allerheiligste tempel van de ganse aardbodem, hebbende
130 5, 15| verrader was geworden, zo van de wetten als van het vaderland.~
131 5, 15| geworden, zo van de wetten als van het vaderland.~
132 5, 18| Heliodorus, die gezonden was van de koning Seleucus, om de
133 5, 18| ingekomen was, gegeseld zijnde, van zijn stoutheid afgekeerd
134 5, 21| gaan, door de hovaardigheid van zijn hart.~
135 5, 22| Filippus te Jeruzalem, die van afkomst een Frygiër was,
136 5, 24| Apollonius, met een leger van tweeentwintigduizend man,
137 5, 25| stilgehouden tot de heilige dag van de Sabbat; op welke, daar
138 6, 1 | zond de koning een oud man van Athene, om de Joden te noodzaken
139 6, 1 | dat zij zouden afwijken van de wetten hunner vaderen,
140 6, 1 | wandelen naar de wetten van God.~
141 6, 2 | deze te noemen de tempel van Jupiter Olympius, en de
142 6, 2 | woonden, begeerden), de tempel van Jupiter Xenius.~
143 6, 3 | 3 De invoering van deze boosheid was het volk
144 6, 7 | te houden, met het eten van de geofferde ingewanden;
145 6, 7 | ingewanden; en als de feestdag van Bacchus gekomen was, werden
146 6, 8 | steden, is door bestelling van Ptolomeüs, een plakkaat
147 6, 8 | de Joden ook zouden eten van de ingewanden der beesten,
148 6, 10| stad openlijk omvoerden, en van de muren afstieten.~
149 6, 11| zij er een gewetenszaak van maakten zichzelf te hulp
150 6, 11| vanwege de heerlijkheid van deze eerwaardige dag.~
151 6, 12| verderf, maar tot kastijding van ons geslacht.~
152 6, 13| 13 Want het is een teken van grote goeddadigheid, dat
153 6, 16| zijn barmhartigheid nimmer van ons weg, en zijn eigen volk
154 6, 18| Een zekere Eleazar, een van de voornaamste schriftgeleerden,
155 6, 18| was, en zeer schoon was van aangezicht, werd genoodzaakt
156 6, 20| te proeven, om de liefde van het leven te behouden.~
157 6, 21| kennis, die zij met de man van oude tijden hadden gehad,
158 6, 22| Opdat hij, zulks doende, van de dood zou vrijgelaten
159 6, 23| eerlijke opvoeding, die hij van zijn jeugd aan had gehad,
160 6, 23| veel meer de heilige en van God ingestelde wetgeving,
161 6, 26| tegenwoordige zou verlost worden van de straf der mensen, zo
162 6, 26| noch stervende, de handen van de Almachtige.~
163 6, 30| bekend dat ik, kunnende van de dood bevrijd worden,
164 6, 31| maar ook het merendeel van zijn volk, tot een voorbeeld
165 6, 31| volk, tot een voorbeeld van kloekmoedigheid, en tot
166 7, 2 | wilt gij ons vragen, en van ons weten? want wij zijn
167 7, 7 | de bespotting; en het vel van het hoofd met het haar rondom
168 7, 7 | eten, eer dat het lichaam van lid tot lid gestraft wordt?~
169 7, 11| kloekmoedig: Dit alles heb ik van God uit de hemel verkregen,
170 7, 11| wetten, en ik hoop dat ik dit van hem zal wederkrijgen.~
171 7, 12| over de kloekmoedigheid van deze jongeling, dat hij
172 7, 14| Het is beter de hoop, die van mensen is, te verwisselen,
173 7, 14| verwisselen, en de hoop die van God is te verwachten, om
174 7, 14| God is te verwachten, om van hem weder opgewekt te worden,
175 7, 16| denkt niet dat ons geslacht van God verlaten is.~
176 7, 22| beginselen, waaruit een ieder van u bestaat, bijeengeschikt;~
177 7, 24| maken, zo hij wilde afstaan van de vaderlijke wetten, en
178 7, 27| ouderdom gebracht, en de moeite van uw opvoeding gedragen heb,~
179 7, 31| koning die een vinder zijt van alle kwaad tegen de Hebreeën,
180 7, 34| gij goddeloze en onreinste van alle mensen, wil u niet
181 7, 36| gestorven onder het verbond Gods van het eeuwig leven, maar gij
182 7, 36| Gods rechtvaardige straffen van deze hovaardigheid wegdragen.~
183 7, 42| verklaard aangaande het eten van de geofferde ingewanden,
184 8, 2 | willen zien op het volk dat van alle kanten overlast werd
185 8, 4 | onrechtvaardig ombrengen van de onschuldige kleine kinderen,
186 8, 6 | en dreef niet weinigen van de vijanden op de vlucht.~
187 8, 7 | zodanige lagen; en het gerucht van zijn dapperheid verspreidde
188 8, 8 | aan Ptolomeüs, de overste van Celo-Syrië en Fenicië, dat
189 8, 9 | terstond Nicanor, de zoon van Patroclus, een van de voornaamste
190 8, 9 | zoon van Patroclus, een van de voornaamste vrienden,
191 8, 11| straf die hem zou overkomen van de Almachtige.~
192 8, 12| En Judas was verwittigd van de aantocht van Nicanor.~
193 8, 12| verwittigd van de aantocht van Nicanor.~
194 8, 13| niet op de gerechtigheid van God, maar zijn herwaarts
195 8, 20| omgebracht door de hulp die hun van de hemel geschiedde, en
196 8, 22| broeders aangesteld tot leiders van elke slagorde, namelijk
197 8, 22| Jonathan, stellende onder elk van hen duizendenvijfhonderd
198 8, 23| hij zelf, zijnde leider van de eerste slagorde, leverde
199 8, 24| hen streed, versloegen zij van de vijanden over de negenduizend,
200 8, 24| verminkten het merendeel van Nicanors krijgsvolk, en
201 8, 25| 25 En kregen het geld van degenen die gekomen waren
202 8, 28| de weduwen, en de wezen van de buit, en het overige
203 8, 30| hebbende, vernielden zij van degenen, die bij Timotheüs
204 8, 31| plaatsen; en het overige van de buit brachten zij te
205 8, 35| gelukkig zijnde na het verlies van zijn leger.~
206 9, 1 | wederkwam uit de plaatsen van omtrent Perzië.~
207 9, 3 | werd hem tijding gebracht van hetgeen Nicanor en Timotheüs
208 9, 5 | almachtige Here, de God van Israël, sloeg hem met een
209 9, 6 | ellendigheden de ingewanden van anderen gepijnigd had.~
210 9, 7 | hij liet daarom niet af van zijn hoogspreken, maar hij
211 9, 7 | het gebeurde dat hij ook van de wagen viel, die zeer
212 9, 7 | val doende, al de leden van zijn lichaam verdraaid werden.~
213 9, 9 | Zodat ook uit het lichaam van deze goddeloze levende wormen
214 9, 9 | smarten en pijnen leefde, van hem afviel; en dat van zijn
215 9, 9 | van hem afviel; en dat van zijn reuk het ganse leger
216 9, 11| dan, zo verwond zijnde, van de grootheid zijns hoogmoeds
217 9, 15| werpen, allen tezamen die van Athene gelijk zou maken;~
218 9, 18| brief, hebbende een wijze van afbidding, van deze inhoud:~
219 9, 18| een wijze van afbidding, van deze inhoud:~
220 9, 22| Wederkomende uit de plaatsen van Perzië, en gevallen zijnde
221 9, 22| de algemene verzekerdheid van allen; niet wanhopende aan
222 9, 24| geboodschapt worden, de inwoners van het land mochten weten,
223 9, 24| mochten weten, wie de zaken van het rijk gelaten zijn, en
224 9, 25| hierbij gelegen en naburen van het rijk zijn, op de gelegen
225 9, 25| reizende, bij het merendeel van u vertrouwd en bevolen heb,
226 9, 26| bijzonder gedaan, een ieder van u behoude de goedgunstigheid,
227 9, 29| welke ook, vrezende de zoon van Antiochus, getrokken is
228 10, 3 | offerande geofferd, na de tijd van twee jaren; en hebben het
229 10, 5 | is geweest de reiniging van de tempel geschiedde, namelijk
230 10, 7 | Derhalve dragende ranken van wijngaarden en schone takken,
231 10, 9 | 9 En de uitgang van het leven van Antiochus,
232 10, 9 | de uitgang van het leven van Antiochus, die toegenaamd
233 10, 10| Antiochus Eupator, de zoon van deze goddeloze, geschied
234 10, 14| veldoverste geworden zijnde van die plaatsen, onderhield
235 10, 18| sterk waren en wel voorzien van alles wat nodig was om een
236 10, 24| hebbende een zeer grote menigte van vreemd krijgsvolk, en bijeengebracht
237 10, 24| hebbende de ruiters, die van Azië waren, niet weinig
238 10, 25| hen naderde tot het gebed van God, aarde op hun hoofden
239 10, 27| 27 Als zij van het gebed gekomen waren,
240 10, 27| wapenen, en trokken ver van de stad, en als zij de vijanden
241 10, 28| hadden tot een waarborg van de voorspoed en overwinning
242 10, 28| hun moed tot een overste van de strijd.~
243 10, 29| met gouden tomen, en twee van hen waren leidslieden der
244 10, 44| een vaste plaats, gelegen van Jeruzalem omtrent vijf stadiën
245 10, 45| wilde zenden tot behoud van Israël.~
246 10, 51| zij te vluchten, en velen van hen gewond zijnde ontkwamen
247 10, 55| 16 Want de brieven van Lysias aan de Joden geschreven,
248 10, 55| Joden geschreven, waren van deze inhoud: Lysias wenst
249 10, 58| trachten om een oorzaak te zijn van uw welvaren.~
250 10, 59| 20 Doch van deze dingen in het bijzonder
251 10, 60| vierentwintigste dag der maand van Jupiter Corinthius.~
252 10, 61| 22 En de brief van de koning was van deze inhoud:
253 10, 61| brief van de koning was van deze inhoud: De koning Antiochus
254 10, 63| zijn met de verandering van mijn vader, waardoor bij
255 10, 63| brengen tot de Griekse wijze van godsdienst, maar dat zij
256 10, 66| 27 En de zendbrief van de koning aan het Joodse
257 10, 69| dertigste dag der maand van Xanthicus, zal de rechterhand
258 10, 70| spijzen en wetten, gelijk als van tevoren, en dat niemand
259 10, 70| zal aangedaan worden, om van hetgeen onvoorzichtig zou
260 10, 72| vijftiende dag der maand van Xanthicus, in het jaar honderdachtenveertig.~
261 10, 73| zendbrief aan hen geschreven, van deze inhoud: Quintus Memmius,
262 10, 75| wij mogen verklaring doen van hetgeen u dienstig is. Want
263 11, 2 | 2 Doch de oversten van die plaatsen, Timotheüs
264 11, 2 | Timotheüs en Apollonius, de zoon van Genneüs, en bovendien ook
265 11, 2 | benevens deze Nicanor, overste van Cyprus, lieten hun niet
266 11, 3 | 3 En die van Joppe bedreven aan de Joden
267 11, 4 | gevaren waren, hebben die van Joppe hen in de zee verdronken,
268 11, 7 | en de ganse burgerschap van Joppe uitroeien.~
269 11, 8 | hij verstaan had, dat die van Jamnia ook op dezelfde wijze
270 11, 9 | 9 Zo overviel hij die van Jamnia des nachts, en verbrandde
271 11, 9 | en vloot, zodat het licht van de vlam gezien werd tot
272 11, 11| waren, door de hulp, die van God kwam, voorspoedig vochten,
273 11, 11| vochten, zo baden de Nomaden van Arabië, overwonnen zijnde,
274 11, 13| muren omsingeld was, en die van allerlei volk, ondereen
275 11, 14| 14 Maar die van binnen vertrouwende op de
276 11, 14| vertrouwende op de vastigheid van haar muren, en de vooraad
277 11, 14| haar muren, en de vooraad van proviand. gedroegen zich
278 11, 15| stormrammen en andere instrumenten van geweld, de muren van Jericho
279 11, 15| instrumenten van geweld, de muren van Jericho ternedergeworpen
280 11, 15| ternedergeworpen heeft, ten tijde van Jozua, vielen aan op de
281 11, 16| lag, de breedte hebbende van twee stadiën, van bloed
282 11, 16| hebbende van twee stadiën, van bloed scheen te vloeien,
283 11, 18| in die plaatsen; en toen van die plaatsen, zonder iets
284 11, 19| Dositheüs en Sosipater, zijnde van de oversten dergenen die
285 11, 19| uittrekkende, vernielden van degenen, die van Timotheüs
286 11, 19| vernielden van degenen, die van Timotheüs daar gelaten waren
287 11, 21| nu, vernemende de komst van Judas, zond tevoren weg
288 11, 21| bij te komen, om de engte van al die plaatsen.~
289 11, 22| 22 Als nu de eerste hoop van Judas zich vertoonde, en
290 11, 23| booswichten, en vernielde van hen dertigduizend man.~
291 11, 24| gevallen was in de handen van Dositheüs en Sosipater,
292 11, 27| na de vlucht en nederlaag van deze, heeft hij ook zijn
293 11, 27| waarin een grote menigte van allerlei volk woonde; de
294 11, 27| daar was een grote voorraad van instrumenten en pijlen.~
295 11, 28| onderdanig gemaakt, en sloegen van degenen, die daarin waren,
296 11, 29| stad Scythopolis, gelegen van Jeruzalem zeshonderd stadiën.~
297 11, 30| daar woonden, getuigden van de goedgunstigheid, die
298 11, 30| goedgunstigheid, die de burgers van Scythopolis hun toegedragen
299 11, 30| hadden bejegend in tijden van tegenspoed.~
300 11, 32| Gorgias, de veldoverste van Idumea.~
301 11, 34| geschiedde het dat er weinigen van de Joden vielen.~
302 11, 35| zekere Dositheüs, een ruiter van die van Bakenor, een kloek
303 11, 35| Dositheüs, een ruiter van die van Bakenor, een kloek man,
304 11, 35| daar een vervloekt mens van de Thracische ruiters op
305 11, 37| onverwachts op de soldaten van Gorgias, en dreef hen op
306 11, 40| zij vonden onder de rokken van een ieder der doden enige
307 11, 40| enige dingen, die de afgoden van Jamnia geheiligd waren,
308 11, 43| uit een hoofdschatting, van tweeduizend drachmen zilver,
309 11, 46| verzoening deed, opdat zij van de zonden zouden ontslagen
310 12, 2 | hebbende een Griekse macht van honderdentienduizend te
311 12, 3 | vermaande, niet om het welvaren van het vaderland, maar omdat
312 12, 4 | koningen verwekte het gemoed van Antiochus tegen deze booswicht,
313 12, 4 | betoonde dat hij oorzaak was van al dit kwaad, zo gebood
314 12, 10| degenen die in gevaar waren van de wet, en van hun vaderland,
315 12, 10| gevaar waren van de wet, en van hun vaderland, en van de
316 12, 10| en van hun vaderland, en van de heilige tempel te verliezen;~
317 12, 13| raad, eer het krijgsvolk van de koning in Judea zou invallen,
318 12, 15| tot leus gegeven hebbende: VAN GOD IS DE OVERWINNING, is
319 12, 15| OVERWINNING, is hij met enige van de beste en uitgelezen jongelingen
320 12, 18| proef gekregen hebbende van de stoutmoedigheid der Joden,
321 12, 20| binnen waren, hetgeen zij van node hadden.~
322 12, 21| 21 En Rodocus, een van het Joodse krijgsvolk, boodschapte
323 12, 22| tweeden male overleg met die van Bethsura, en de rechterhand
324 12, 24| een opperste veldoverste, van Ptolomaïs of tot de Gerzenen.~
325 12, 25| Ptolomaïs gekomen was, waren die van Ptolomaïs zeer ontevreden
326 13, 1 | 1 Na de tijd van drie jaren gebeurde het,
327 13, 1 | dat Demetrius, de zoon van Seleucus, in de haven van
328 13, 1 | van Seleucus, in de haven van Tripolis was ingevaren,
329 13, 4 | enige takken, die men meende van de tempel te zijn, en hield
330 13, 6 | genoemd worden de Asideeën, van wie Judas Makkabeüs de overste
331 13, 7 | Waarom ik, beroofd zijnde van de heerlijkheid mijner voorouders,
332 13, 7 | mijner voorouders, namelijk van het hogepriesterschap, ben
333 13, 11| hebben de andere vrienden van de koning, die tegen Judas
334 13, 13| stellen tot hogepriester van de grootste tempel.~
335 13, 15| verstaan hebbende de aankomst van Nicanor, en dat de heidenen
336 13, 16| trok het leger terstond van daar, en leverde slag bij
337 13, 17| 17 En Simon, de broeder van Judas, sloeg Nicanor, en
338 13, 21| komen op een plaats, en van beide zijden werd er een
339 13, 22| om gereed te zijn, opdat van de vijanden niet te eniger
340 13, 24| hield Judas zeer in waarde, van harte tot de man geneigd
341 13, 27| geworden en door de laster van deze grote booswicht opgeruid
342 13, 30| vergaderd hebbende niet weinigen van de zijnen, heeft zich voor
343 13, 33| doorluchtige tempel ter ere van Bacchus.~
344 13, 34| geweest was een voorvechter van ons volk, dit zeggende:~
345 13, 35| 35 Gij, o Here van allen, die geen ding van
346 13, 35| van allen, die geen ding van node hebt, gij hebt gewild
347 13, 37| 37 En een zekere Razis, van de ouderlingen te Jeruzalem,
348 13, 37| burgers liefhad, en die van een zeer goede naam was,
349 13, 41| geweld deden op de deur van het voorhof, en als hun
350 13, 42| dan vallen in de handen van deze schelmen, en smaadheid
351 13, 43| door al te grote haast van de strijd, de steek niet
352 13, 43| wierp zichzelf mannelijk van de steilte af op de scharen,~
353 13, 46| en aanroepende de Here van leven en geest, dat hij
354 14, 1 | onthielden in de plaatsen van Samarië, heeft raad genomen,
355 14, 3 | hebben, dat men de, dag van de sabbat zou houden.~
356 14, 6 | gedacht een algemeen teken van overwinning over degenen,
357 14, 7 | dat hij hulp zou krijgen van de Here.~
358 14, 8 | hulp, die hun zo dikwijls van de hemel toegekomen was,
359 14, 8 | hemel toegekomen was, en nu van de Almachtige de overwinning
360 14, 11| En wapende zo een ieder van hen, niet zozeer met zekerheid
361 14, 11| niet zozeer met zekerheid van schilden en spiesen, als
362 14, 11| spiesen, als met vermaning van goede woorden en hun daarbij
363 14, 12| eerlijk en goed man, eerbaar van omgang, van manieren zachtzinnig,
364 14, 12| man, eerbaar van omgang, van manieren zachtzinnig, en
365 14, 12| rede voortbrengende, en die van kindsbeen af zich geoefend
366 14, 14| Dit is Jeremia, de profeet van God, die zijn broeders liefheeft,
367 14, 16| heilige zwaard, een geschenk van God, met hetwelk gij de
368 14, 17| zijnde door deze woorden van Judas, die zeer goed waren,
369 14, 18| 18 Want het gevaar van huisvrouwen, en kinderen
370 14, 18| huisvrouwen, en kinderen en ook van broeders, en bloedverwanten,
371 14, 21| de wapenen, maar dat ze van hem gegeven wordt degenen,
372 14, 22| engel gezonden ten tijde van Hiskia, de koning van Juda,
373 14, 22| tijde van Hiskia, de koning van Juda, die in het leger van
374 14, 22| van Juda, die in het leger van Sanherib gedood heeft tot
375 14, 24| 24 Dat door de grootte van uw arm mogen geslagen worden
376 14, 27| zijnde over deze verschijning van God.~
377 14, 30| geboden dat men het hoofd van Nicanor, en zijn hand met
378 14, 32| En hun tonende het hoofd van de schelmachtige Nicanor,
379 14, 32| schelmachtige Nicanor, en de hand van deze godslasteraar, welke
380 14, 32| had tegen het heilige huis van de Almachtige, en die de
381 14, 33| 33 En de tong van de goddeloze Nicanor afgesneden
382 14, 33| hij deze als beloningen van zijn dwaasheid tegenover
383 14, 35| 35 En hij hing het hoofd van Nicanor uit de burcht, om
384 14, 35| kennelijk en openbaar teken van de hulp des Heren.~
385 14, 37| des daags voor de feestdag van Mordechai.~
386 14, 38| 38 Dewijl dan de zaken van Nicanor aldus afgelopen
387 14, 38| aldus afgelopen zijn, en van die tijden af de Hebreeën
|