Chapter, Verse
1 1, 2 | gedenke aan zijn verbond dat Hij gemaakt heeft met Abraham,
2 1, 7 | deze jaren, van de tijd af dat Jason en die met hem waren
3 1, 8 | 8 Dat zij de voorpoort verbrand,
4 1, 20| verborgen hadden, gezonden naar dat vuur; en als zij ons hadden
5 1, 20| hadden te kennen gegeven dat zij geen vuur hadden gevonden,
6 1, 21| 21 Zo gebood hij hun, dat zij zouden putten, en brengen;
7 1, 21| daarop lag, te besprengen met dat water.~
8 1, 22| zijnde, als de tijd kwam dat de zon, tevoren met wolken
9 1, 22| een groot vuur ontstoken, dat zij zich allen verwonderden.~
10 1, 23| Nehemia, mede eenstemmig dat volgende.~
11 1, 27| laat de heidenen bekennen dat gij onze God zijt.~
12 1, 31| gebood Nehemia het water, dat nog overgebleven was, te
13 1, 33| van Perzië geboodschapt, dat in de plaats, waar de weggevoerde
14 2, 1 | in de schriften gevonden, dat de profeet Jeremia degenen,
15 2, 2 | 2 Hun gevende de wet, dat zij niet zouden vergeten
16 2, 2 | de geboden des Heren, en dat zij niet zouden dwalen in
17 2, 3 | aanzeggende, vermaande hij hen, dat zij met hun harten niet
18 2, 4 | hetzelfde schrift was ook, dat de profeet geboden heeft,
19 2, 4 | de profeet geboden heeft, dat de tabernakel en de ark,
20 2, 5 | 5 En dat Jeremia daar komende, een
21 2, 5 | spelonk gevonden heeft, en dat hij de tabernakel, en de
22 2, 6 | 6 En dat enigen, die hem gevolgd
23 2, 7 | bestraffende gezegd heeft, dat die plaats onbekend zou
24 2, 7 | plaats onbekend zou zijn, en dat hij zou verzoend wezen.~
25 2, 8 | 8 En dat de Here dan deze dingen
26 2, 8 | gelijk Salomo gebeden heeft dat deze plaats grotelijks zou
27 2, 9 | Want het is openbaar, hoe dat hij, met wijsheid begaafd
28 2, 10| een gebed heeft gedaan, en dat het vuur van de hemel viel,
29 2, 10| de offerande verslond; en dat zo ook Salomo gebeden heeft,
30 2, 10| Salomo gebeden heeft, en dat het vuur nederkomende de
31 2, 16| reiniging, zo hebben wij u dat geschreven, en gij zult
32 2, 16| en gij zult dan wel doen, dat gij deze dagen viert.~
33 2, 18| wet, zo hopen wij op hem, dat hij zich over ons zal ontfermen,
34 2, 18| over ons zal ontfermen, en dat hij ons van alle landen,
35 2, 23| 23 En dat de tempel, die door de gehele
36 2, 23| in vrijheid gesteld; en dat de wetten, die haast zouden
37 2, 30| sieraad nodig is, zo acht ik dat wij ook moeten doen.~
38 2, 32| der zaken te vermijden, dat behoort men toe te laten
39 2, 33| zou een dwaze zaak zijn, dat iemand, die een kort begrip
40 3, 2 | 2 Zo is het gebeurd, dat ook zelfs de koningen deze
41 3, 6 | heeft hem geboodschapt, dat de schatkist te Jeruzalem
42 3, 6 | dingen ontelbaar was, en dat ze niet behoorden tot de
43 3, 6 | rekening der offeranden, en dat het mogelijk was, dat deze
44 3, 6 | en dat het mogelijk was, dat deze zouden kunnen vallen
45 3, 7 | heeft, hem last gevende, dat hij het voormelde geld nemen
46 3, 10| hogepriester toonde aan, dat dit geld weggelegd was voor
47 3, 11| 11 En dat een deel daarvan ook toebehoorde
48 3, 11| lasterlijk had aangebracht; en dat er alles samen waren vierhonderd
49 3, 12| 12 En dat men ongelijk zou doen aan
50 3, 12| gehele wereld geëerd is, en dat derhalve zulks gans ondoenlijk
51 3, 13| van de koning had, zeide, dat dit geld immers in des konings
52 3, 22| riepen tot de Here Almachtig, dat hij dit geld, hetwelk toevertrouwd
53 3, 28| droegen zij weg, zo gesteld, dat hij met de wapenen niet
54 3, 30| Maar dezen prezen de Here, dat hij deze zijn plaats verheerlijkt
55 3, 31| in haast Onias gebeden, dat hij de Allerhoogste zou
56 3, 31| Allerhoogste zou aanroepen, dat hij hem, die nu gans in
57 3, 32| hogepriester, beducht zijnde dat de koning te eniger tijd
58 3, 32| eniger tijd zou denken, dat tegen Heliodorus door de
59 4, 2 | en ijverig in de wet was, dat hij zich met de zaken des
60 4, 3 | vijandschap zover toegenomen was, dat ook door een dergenen, die
61 4, 6 | 6 Want hij zag dat het onmogelijk was, dat
62 4, 6 | dat het onmogelijk was, dat zonder des konings voorzorg
63 4, 6 | kunnen gebracht worden, en dat Simon niet zou ophouden
64 4, 8 | 8 En om dat te verkrijgen beloofde.
65 4, 9 | hem zou toegelaten worden, dat hij door zijn macht zichzelf
66 4, 9 | zou mogen oprichten, en dat hij die van Jeruzalem zou
67 4, 15| niets achtende, hielden zij dat de Griekse eer de beste
68 4, 16| een zware ellende gekomen, dat zij hen tot vijanden en
69 4, 19| brachten nochtans baden, dat ze tot die offerande niet
70 4, 21| heeft Antiochus, vernemende dat hij van zijn zaken vervreemd
71 4, 25| Jeruzalem, niets meebrengende dat des hogepriesterschaps waardig
72 4, 27| orde aangaande het geld, dat hij de koning beloofd had,
73 4, 30| gesteld waren, is het gebeurd dat die van Tarsus en Mallo
74 4, 32| 32 En Menelaüs, achtende, dat hij nu een welgelegen tijd
75 4, 34| gekregen, hem vermaand heeft, dat hij Onias zou willen ombrengen;
76 4, 34| zijnde) heeft hem bewogen, dat hij zich uit de vrije plaats
77 4, 34| rondom besloten, zonder dat hij de rechtvaardigheid
78 4, 35| konden het niet verdragen, dat die man zo onrechtvaardig
79 4, 36| ook haatten en geklaagd dat Onias tegen alle reden gedood
80 4, 41| sommigen ook uit het slijk dat daar was, met hun handen
81 5, 2 | 2 En het gebeurde dat door de gehele stad, bijna
82 5, 3 | slagorde gesteld, en treffen dat op elkander geschiedde,
83 5, 4 | 4 Waarom zij allen baden dat dit gezicht ten goede mocht
84 5, 5 | vals gerucht gekomen was, dat Antiochus het leven met
85 5, 6 | te sparen, niet denkende dat de voorspoed tegen zijn
86 5, 6 | tegenspoed was; en hij dacht dat hij tekenen van overwinning
87 5, 8 | Arabië, zo nagejaagd zijnde, dat hij vluchtte van de ene
88 5, 11| koning, als hij verstaan had dat deze dingen zo geschied
89 5, 11| geschied waren, vermoedde dat Judea van hem wilde afvallen;
90 5, 12| gebood de krijgslieden, dat zij allen die hun tegenkwamen
91 5, 12| zonder iemand te sparen, en dat zij al degenen, die op de
92 5, 17| hovaardig, niet aanmerkende, dat om der zonden wil dergenen,
93 5, 17| vertoornd was geweest, en dat hij daarom de plaats niet
94 5, 18| Want ware het niet gebeurd, dat zij tot vele zonden gebracht
95 5, 20| weldadigheden, en het volk dat door de almachtige toorn
96 5, 21| hoogmoed de aarde te maken, dat men daarop zou kunnen varen
97 5, 21| met schepen, en de zee, dat men daarop zou kunnen gaan,
98 5, 24| tweeentwintigduizend man, gelastende dat hij allen, die tot mannelijke
99 5, 25| te Jeruzalem, veinzende, dat hij vreedzaam ware, heeft
100 5, 25| hij die onder hem stonden, dat zij zich zouden in de wapenen
101 6, 1 | om de Joden te noodzaken dat zij zouden afwijken van
102 6, 8 | een plakkaat uitgegaan, dat de Joden ook zouden eten
103 6, 9 | 9 En dat al degenen, die niet zouden
104 6, 12| die dit boek zullen lezen, dat zij niet ontsteld worden
105 6, 12| deze ellendigheden, maar dat zij willen achten, dat deze
106 6, 12| maar dat zij willen achten, dat deze straffen niet zijn
107 6, 13| van grote goeddadigheid, dat degenen, die zondigen, geen
108 6, 13| tijd wordt toegelaten, maar dat zij spoedig vervallen in
109 6, 14| gelijk de andere volken, dat hij lankmoedig blijft, totdat
110 6, 21| nemende, vermaanden hem dat hij vlees zou willen brengen,
111 6, 21| vlees zou willen brengen, dat hem geoorloofd was te gebruiken,
112 6, 21| hemzelf tevoren toebereid, en dat hij zou willen veinzen,
113 6, 23| nemende een eerlijk besluit, dat zijn jaren en voortreffelijkheid
114 6, 23| vervolgens geantwoord, zeggende dat zij hem haastig naar het
115 6, 24| vele jonge lieden, menende dat Eleazar nu negentig jaren
116 6, 30| wetenschap heeft, is bekend dat ik, kunnende van de dood
117 6, 30| verdrage, gegeseld zijnde, en dat ik naar de ziel dit gewillig
118 7, 1 | 1 Het gebeurde ook dat zeven broeders, met de moeder
119 7, 3 | zeer gram wordende, gebood dat men pannen en ketels heet
120 7, 4 | 4 Zo gebood hij dat men deze, die voor de anderen
121 7, 4 | uiterste leden afhouwen, en dat de andere broeders en de
122 7, 5 | gemaakt, zo beval de koning dat men hem, die nog zijn adem
123 7, 7 | geen zwijnenvlees eten, eer dat het lichaam van lid tot
124 7, 11| zijn wetten, en ik hoop dat ik dit van hem zal wederkrijgen.~
125 7, 12| kloekmoedigheid van deze jongeling, dat hij deze pijnen voor niets
126 7, 16| gij wilt, maar denkt niet dat ons geslacht van God verlaten
127 7, 19| 19 En gij, meen niet dat gij onschuldig zult zijn,
128 7, 20| verdragen heeft te aanschouwen, dat haar zeven zonen op één
129 7, 24| 24 Antiochus, menende, dat hij veracht werd, en het
130 7, 24| en het daarvoor houdende, dat deze stem hem smaadheid
131 7, 24| verzekerde hem ook met ede, dat hij hem terstond rijk en
132 7, 24| de vaderlijke wetten, en dat hij hem voor een vriend
133 7, 25| en vermaande de moeder, dat zij de jongeling zou raden
134 7, 28| 28 Ik bid u, mijn kind, dat gij ziende naar de hemel,
135 7, 28| daarin is, wilt erkennen dat God deze dingen uit niet
136 7, 28| uit niet gemaakt heeft, en dat het menselijk geslacht zo
137 7, 29| maar wil u zo gedragen dat gij uwer broederen waardig
138 7, 37| vaderen, aanroepende God, dat Hij haast ons volk wil genadig
139 7, 37| volk wil genadig zijn, en dat gij door pijnigingen en
140 7, 37| en geselen moogt bekennen dat bij alleen God is;~
141 7, 38| 38 En dat in mij en mijn broeders
142 7, 39| en zeer kwalijk nemende dat hij zo bespot werd, heeft
143 8, 2 | 2 En riepen de Here aan, dat hij zou willen zien op het
144 8, 2 | willen zien op het volk dat van alle kanten overlast
145 8, 2 | overlast werd aangedaan, en dat hij zich wilde ontfermen
146 8, 3 | 3 En dat hij zich erbarmen wilde
147 8, 3 | geslecht zou worden, en dat hij al het bloed, dat tot
148 8, 3 | en dat hij al het bloed, dat tot hem riep, zou willen
149 8, 4 | 4 En dat bij zou willen gedenken
150 8, 4 | onschuldige kleine kinderen, en dat hij om de lasteringen, die
151 8, 8 | 8 Filippus ziende dat deze man gaandeweg tot grote
152 8, 8 | grote voortgang kwam, en dat hij in voorspoed toenam,
153 8, 8 | van Celo-Syrië en Fenicië, dat hij de zaak des konings
154 8, 11| slaven te kopen, belovende dat hij negentig slaven zou
155 8, 13| hem waren, verklaard had dat het leger daar was gekomen,
156 8, 14| overgelaten was, en baden de Here, dat hij zou willen verlossen
157 8, 15| niet deed om hunnentwil, dat hij het wilde doen om de
158 8, 16| in getal, vermaande hen dat zij om der vijanden wil
159 8, 16| onrechtvaardig tegen hen kwamen, maar dat zij kloekmoedig zouden strijden,
160 8, 19| voorouders geschied was, en hoe dat de honderdvijfentachtigduizend
161 8, 20| Galaten gedaan was, hoe dat allen die tot noodweer gekomen
162 8, 20| twijfelmoedig te worden, dat die achtduizend honderdtwintigduizend
163 8, 20| de hemel geschiedde, en dat zij groot voordeel verkregen.~
164 8, 29| baden de barmhartige Here, dat hij tot het einde toe zijn
165 8, 36| zou krijgen, verkondigde dat de Joden God tot een voorvechter
166 8, 36| een voorvechter hadden; en dat op deze wijze de Joden niet
167 9, 1 | Omtrent deze tijd gebeurde het dat Antiochus met schande wederkwam
168 9, 2 | de vlucht gedreven was, dat hij op een schandelijke
169 9, 4 | verbolgen wordende, dacht dat bij het kwaad, dat hem aangedaan
170 9, 4 | dacht dat bij het kwaad, dat hem aangedaan hadden degenen
171 9, 4 | gelastte hij zijn voerman, dat hij zonder ophouden zou
172 9, 7 | tegen de Joden, en gebood dat men de reis zou verhaasten;
173 9, 7 | verhaasten; en het gebeurde dat hij ook van de wagen viel,
174 9, 7 | zeer snel voortreed, en dat hij een zware val doende,
175 9, 8 | boven ging, en die meende dat hij de hoogste bergen met
176 9, 9 | levende wormen voortkwamen, en dat zijn vlees, terwijl bij
177 9, 9 | leefde, van hem afviel; en dat van zijn reuk het ganse
178 9, 12| deze woorden: Het is recht dat men zich God onderwerpe,
179 9, 12| zich God onderwerpe, en dat iemand, een sterfelijk mens
180 9, 14| 14 Dat hij de heilige stad, tot
181 9, 15| 15 En dat hij de Joden, die hij voorgenomen
182 9, 16| 16 En dat hij de heilige tempel, die
183 9, 16| geschenken zou versieren, en dat hij al de heilige vaten
184 9, 16| veelvoudig zou weergeven, en dat hij uit zijn eigen inkomsten
185 9, 17| 17 En dat hij daarenboven ook een
186 9, 17| ook een Jood zou zijn, en dat hij zou gaan door alle bewoonde
187 9, 20| zaken naar uw zin gaan, dat is ons aangenaam.~
188 9, 22| maar grote hoop hebbende dat ik deze krankheid zal ontvlieden.~
189 9, 23| 23 Doch aanmerkende, dat mijn vader, in die tijden,
190 9, 25| Daarenboven ook overdenkende, dat de prinsen die hierbij gelegen
191 9, 26| vermaan ik u dan, en verzoek, dat gij gedachtig zijnde der
192 9, 27| 27 Want ik ben verzekerd, dat hij, mijn voornemen navolgende,
193 10, 4 | hun buik nedervallende, dat zij niet weder mochten vallen
194 10, 4 | tijd kwamen te zondigen, dat zij door hem met goedertierenheid
195 10, 5 | gebeurde op dezelfde dag dat de tempel door de vreemde
196 10, 7 | die voorspoed had gegeven, dat deze zijn plaats zou gereinigd
197 10, 8 | het ganse volk der Joden, dat deze dagen alle jaren zouden
198 10, 12| bewaren, vanwege het ongelijk dat gedaan was, trachtte hetgeen
199 10, 13| dikwijls moetende horen dat hij een verrader was, omdat
200 10, 13| Epifanes geweken was, en dat hij die edele macht niet
201 10, 16| en God gebeden hebbende, dat hij hen wilde helpen strijden,
202 10, 20| ontvangen hebbende, lieten toe dat enigen ontkwamen.~
203 10, 21| volks, en beschuldigde hen, dat zij hun broeders voor geld
204 10, 26| tegenover het altaar is, baden dat hij hun wilde genadig zijn,
205 10, 26| hun wilde genadig zijn, en dat hij vijandig zou willen
206 10, 30| wapenen, en bewaarden hem dat hij niet gewond werd, en
207 10, 45| Makkabeüs waren verstonden, dat hij hun sterkten belegerd
208 10, 45| kermen en tranen de Here, dat hij een goede engel wilde
209 10, 46| en vermaande de anderen, dat zij met hem zich in gevaar
210 10, 52| geschied was, en verstaande dat de Hebreeën onoverwinnelijk
211 10, 53| 14 En verzekerde hun, dat hij op alle billijke voorwaarden
212 10, 53| met hen wilde handelen, en dat hij daarom ook de koning
213 10, 54| was, stond toe al hetgeen dat Lysias verzocht, want al
214 10, 54| overgegeven voor de Joden, dat stond de koning toe.~
215 10, 56| hadden, hebben verzocht dat wij zouden inwilligen hetgeen
216 10, 57| Zo heb ik dan al hetgeen, dat aan de koning moest gebracht
217 10, 62| opgenomen is, wij willende dat degenen, die in ons koninkrijk
218 10, 63| 24 Gehoord hebbende, dat de Joden niet tevreden zijn
219 10, 63| wijze van godsdienst, maar dat zij hun eigen wijze liever
220 10, 63| volgen, en daarom verzoeken dat hun toegelaten worde hun
221 10, 64| 25 Zo is het, dat wij goedgevonden hebben
222 10, 64| wij goedgevonden hebben dat dit volk ook buiten de beroerte
223 10, 64| beroerte zal zijn, en bevelen, dat hun de tempel zal worden
224 10, 64| worden wedergegeven, en dat zij voortaan wandelen mogen
225 10, 65| 26 Gij zult dan weldoen, dat gij tot ben zendt, hun gevende
226 10, 67| Zo gij welvarende zijt, dat zal zijn gelijk wij willen;
227 10, 68| Menelaüs heeft ons verklaard, dat gij begeert, wedergekomen
228 10, 70| 31 Dat de Joden gebruiken mogen
229 10, 70| gelijk als van tevoren, en dat niemand hunner op enigerlei
230 10, 74| konings, u toegestaan heeft, dat vinden wij ook goed.~
231 11, 2 | Cyprus, lieten hun niet toe, dat zij in rust mochten blijven,
232 11, 3 | Joden, die bij hen woonden, dat zij met vrouwen en kinderen
233 11, 5 | 5 En Judas, verstaande dat deze wreedheid tegen zijn
234 11, 8 | 8 Als hij verstaan had, dat die van Jamnia ook op dezelfde
235 11, 11| Arabië, overwonnen zijnde, dat Judas hun wilde de rechterhand
236 11, 11| rechterhand geven, belovende dat zij hem hun vee geven zouden,
237 11, 12| 12 En Judas, achtende dat zij hem waarlijk in vele
238 11, 12| dienstig zijn, heeft toegestaan dat men vrede met hen zou maken;
239 11, 16| menigte, zodat het meer, dat daarbij lag, de breedte
240 11, 24| grote bedriegelijkheid, dat men hem bij het leven wilde
241 11, 24| had, en het geschieden zou dat men anderszins op die geen
242 11, 25| verzekerd had, namelijk dat hij ze zonder enige hinder
243 11, 31| hen, en vermaanden hen, dat zij ook voortaan hun volk
244 11, 34| streden, geschiedde het dat er weinigen van de Joden
245 11, 36| riep Judas de Here aan, dat hij als een medestrijder
246 11, 40| werd een ieder openbaar, dat zij om deze oorzaak gevallen
247 11, 42| gekeerd zijnde, baden zij dat de zonde, die daar begaan
248 11, 42| Judas vermaande de menigte, dat zij zich wilden bewaren,
249 11, 42| zij zich wilden bewaren, dat zij zonder zonde mochten
250 11, 44| indien hij niet had verwacht, dat degenen die gevallen waren,
251 11, 45| 45 Daarbenevens dat hij aanmerkte dat degenen,
252 11, 45| Daarbenevens dat hij aanmerkte dat degenen, die godzalig ontslapen
253 12, 1 | bij Judas waren ter ore, dat Antiochus Eupator met grote
254 12, 3 | maar omdat hij meende, dat hij in het oppergezag zou
255 12, 4 | en als Lysias betoonde dat hij oorzaak was van al dit
256 12, 4 | dit kwaad, zo gebood hij dat men hem zou brengen naar
257 12, 6 | bijzonder kwaad gedaan had, dat hij omkwam.~
258 12, 7 | zulk een dood gebeurde het dat deze goddeloze Menelaüs
259 12, 8 | 8 En dat zeer rechtvaardig, want
260 12, 10| vernemende, gebood het volk, dat zij dag en nacht de Here
261 12, 10| de Here zouden aanroepen, dat hij, zo hij ooit of immer,
262 12, 11| 11 En dat hij het volk, dat nu een
263 12, 11| 11 En dat hij het volk, dat nu een weinig adem had geschept,
264 12, 12| hen vermaand en geboden, dat zij zouden bij hem komen.~
265 12, 13| stad zouden bemachtigen, dat zij hem zouden tegentrekken,
266 12, 13| zouden tegentrekken, en dat zij de zaken zouden wagen,
267 12, 14| degenen die met hem waren, dat zij kloekmoedig tot de dood
268 12, 23| En als hij vernomen had dat Filippus, die hij te Antiochië
269 12, 25| zij namen het zeer kwalijk dat zij de verbonden wilden
270 12, 26| rechterstoel, verantwoordde dat bekwamelijk, en stelde hen
271 13, 1 | drie jaren gebeurde het, dat Demetrius, de zoon van Seleucus,
272 13, 2 | 2 En dat hij dat land bemachtigde,
273 13, 2 | 2 En dat hij dat land bemachtigde, nadat
274 13, 3 | vermenging, overleggende dat voor hem in generlei wijze
275 13, 3 | generlei wijze behoud was, en dat hij geen toegang meer zou
276 13, 6 | oproeren, en laten niet toe dat het koninkrijk een goede
277 13, 9 | land als voor ons geslacht dat rondom bezet is, naar uw
278 13, 10| leven, is het onmogelijk dat de zaken tot vrede gebracht
279 13, 13| 13 Hem brieven gevende, dat hij Judas zou ombrengen,
280 13, 13| hem waren verstrooien, en dat hij Alcimus zou stellen
281 13, 14| kudden met Nicanor, achtende dat der Joden tegenspoed en
282 13, 15| aankomst van Nicanor, en dat de heidenen zich bij hem
283 13, 17| weinig verbaasd daarover, dat de vijanden zo spoedig waren
284 13, 20| medegedeeld, en als het bleek dat de stemmen eenparig waren,
285 13, 25| 25 En hij vermaande hem, dat hij een huisvrouw zou trouwen
286 13, 26| naar Demetrius, en zeide dat Nicanor dingen voorhad die
287 13, 26| lagen legt, verordineerd dat hij in zijn plaats zal komen.~
288 13, 27| schreef aan Nicanor, zeggende, dat hij deze verbonden zeer
289 13, 27| zeer kwalijk nam; en gebood dat men Makkabeüs terstond gevangen
290 13, 28| en nam het zeer kwalijk, dat hij de verbonden moest teniet
291 13, 30| Doch Makkabeüs, bemerkende dat Nicanor met hem strenger
292 13, 30| hem strenger handelde, en dat hij in de gewone omgang
293 13, 30| onvriendelijker was; en achtende dat deze strengheid niet uit
294 13, 31| 31 De andere nu, merkende dat hij door de man met een
295 13, 31| opofferden, en gebood hun, dat zij hem de man zouden uitleveren.~
296 13, 32| zij met ede verklaarden, dat zij niet wisten waar hij
297 13, 35| node hebt, gij hebt gewild dat de tempel uwer woning bij
298 13, 36| eeuwigheid onbesmet dit huis, dat onlangs gereinigd is.~
299 13, 38| tijden werd bij geoordeeld, dat hij een oprecht Jood was,
300 13, 40| hem zou gevangen hebben, dat hij de Joden daarmede groot
301 13, 41| en als hun geboden werd dat zij vuur zouden brengen,
302 13, 46| Here van leven en geest, dat hij hem die wilde wedergeven,
303 14, 1 | 1 Nicanor, nu verstaande dat degenen die met Judas waren,
304 14, 1 | Samarië, heeft raad genomen, dat hij hen op de rustdag met
305 14, 3 | die geboden zou hebben, dat men de, dag van de sabbat
306 14, 4 | prins, die gebeden heeft dat men de zevende dag zal vieren.~
307 14, 7 | ophouden met alle hoop, dat hij hulp zou krijgen van
308 14, 8 | degenen die met hem waren, dat zij de aankomst der heidenen
309 14, 8 | niet zouden vrezen, maar dat zij in gedachtenis zouden
310 14, 12| aldus was zijn gezicht: dat Onias, die het hogepriesterschap
311 14, 12| die tot de deugd behoren, dat deze de handen uitstak,
312 14, 13| 13 En dat zo ook verschenen was een
313 14, 13| heerlijk uitblinkende, en dat zijn uitnemendheid, die
314 14, 14| 14 En dat Onias, antwoordende, zou
315 14, 15| 15 En dat Jeremia de rechterhand uitstekende,
316 14, 20| zij nu allen verwachtten dat het treffen zou aangaan,
317 14, 21| dingen doet, als die wist dat de overwinning niet verkregen
318 14, 21| wordt door de wapenen, maar dat ze van hem gegeven wordt
319 14, 24| 24 Dat door de grootte van uw arm
320 14, 28| aftrokken, zo verstonden zij dat Nicanor tevoren gevallen
321 14, 30| bewaard had, heeft geboden dat men het hoofd van Nicanor,
322 14, 33| afgesneden hebbende, zeide hij, dat hij die bij stukken zou
323 14, 33| geven aan de vogelen, en dat hij deze als beloningen
324 14, 36| met een algemeen besluit, dat zij deze dag geenszins ongeëerd
325 14, 37| 37 Maar dat zij de dertiende dag der
326 14, 39| behoort, bijeen gesteld heb, dat is mijn wil geweest; maar
327 14, 39| en onvolledig heb gedaan, dat is hetgeen dat ik heb kunnen
328 14, 39| heb gedaan, dat is hetgeen dat ik heb kunnen doen.~
|