Chapter, Verse
1 1, 2 | gedenke aan zijn verbond dat Hij gemaakt heeft met Abraham,
2 1, 12| 12 Want hij heeft degenen, die in de
3 1, 14| plaats gekomen waren, opdat hij met haar zou trouwen, opdat
4 1, 14| haar zou trouwen, opdat hij het geld tot een huwelijksgift
5 1, 15| Nanea voorstelden, en als hij met enige weinigen gekomen
6 1, 21| 21 Zo gebood hij hun, dat zij zouden putten,
7 1, 35| 35 En degenen, wie hij gunstig was, heeft hij vele
8 1, 35| wie hij gunstig was, heeft hij vele en verscheidene gaven
9 2, 3 | hun aanzeggende, vermaande hij hen, dat zij met hun harten
10 2, 4 | tabernakel en de ark, gelijk hij door Goddelijke aanspraak
11 2, 4 | hem zou volgen; en hoe hij uitging naar de berg, op
12 2, 5 | spelonk gevonden heeft, en dat hij de tabernakel, en de ark,
13 2, 7 | onbekend zou zijn, en dat hij zou verzoend wezen.~
14 2, 9 | het is openbaar, hoe dat hij, met wijsheid begaafd zijnde,
15 2, 13| aantekeningen van Nehemia; en hoe hij een bibliotheek aanleggende,
16 2, 18| 18 Gelijk hij beloofd heeft door de wet,
17 2, 18| zo hopen wij op hem, dat hij zich over ons zal ontfermen,
18 2, 18| ons zal ontfermen, en dat hij ons van alle landen, die
19 2, 19| 19 Want hij heeft ons uit grote ellenden
20 3, 5 | 5 En als hij Onias niet kon overwinnen,
21 3, 5 | niet kon overwinnen, kwam hij tot Apollonius, de zoon
22 3, 7 | heeft, hem last gevende, dat hij het voormelde geld nemen
23 3, 8 | onder de schijn, alsof hij de steden van Celo-Syrië
24 3, 9 | 9 Hij dan gekomen zijnde te Jeruzalem,
25 3, 9 | verklaard om wat oorzaak hij daar was, en hij vraagde
26 3, 9 | oorzaak hij daar was, en hij vraagde of deze dingen zo
27 3, 13| Heliodorus, om de bevelen, die hij van de koning had, zeide,
28 3, 14| dag gesteld hebbende, is hij ingegaan om het geld te
29 3, 22| tot de Here Almachtig, dat hij dit geld, hetwelk toevertrouwd
30 3, 23| hetgeen besloten was; en als hij nu daar bij de schatkist
31 3, 27| 27 En als hij snel ter aarde viel, en
32 3, 28| zij weg, zo gesteld, dat hij met de wapenen niet kon
33 3, 29| 29 En hij lag daar, door de Goddelijke
34 3, 30| dezen prezen de Here, dat hij deze zijn plaats verheerlijkt
35 3, 31| haast Onias gebeden, dat hij de Allerhoogste zou aanroepen,
36 3, 31| Allerhoogste zou aanroepen, dat hij hem, die nu gans in de uiterste
37 3, 35| 35 En Heliodorus, als hij God offerande had geofferd,
38 3, 35| had wedergegeven, en als hij Onias gegroet had, trok
39 3, 36| 36 En hij getuigde aan allen de werken
40 3, 37| gezonden te worden, zeide hij:~
41 3, 38| gegeseld weder krijgen, indien hij behouden ontkomt, omdat
42 3, 39| 39 Want hij, die de hemelse woonstede
43 3, 39| helper van die plaats, en hij slaat en verderft die daar
44 4, 2 | 2 En hij durfde zeggen van hem, die
45 4, 2 | ijverig in de wet was, dat hij zich met de zaken des rijks
46 4, 4 | van Simon vermeerderde, is hij getrokken naar de koning.~
47 4, 6 | 6 Want hij zag dat het onmogelijk was,
48 4, 8 | te verkrijgen beloofde. hij de koning driehonderdenzestig
49 4, 9 | En daarenboven beloofde hij ook nog andere honderdenvijftig
50 4, 9 | zou toegelaten worden, dat hij door zijn macht zichzelf
51 4, 9 | mogen oprichten, en dat hij die van Jeruzalem zou mogen
52 4, 10| koning hem had toegestaan, en hij het gebied gekregen had,
53 4, 10| gebied gekregen had, zo heeft hij terstond zijn volk gebracht
54 4, 12| 12 En als hij willekeurig een school had
55 4, 12| had verordineerd, leidde hij hen onder de hoed.~
56 4, 20| degenen die ze brachten, heeft hij ze besteed aan de toerusting
57 4, 21| Antiochus, vernemende dat hij van zijn zaken vervreemd
58 4, 21| zijn verzekerdheid; waarom hij te Joppe gekomen zijnde,
59 4, 22| ingehaald zijnde, zo is hij daarna met zijn krijgsvolk
60 4, 24| aangenaam geworden zijnde, als hij in zijn aangezicht zijn
61 4, 25| ontvangen hebbende, kwam hij te Jeruzalem, niets meebrengende
62 4, 27| opperste gezag verkregen, maar hij stelde gans geen orde aangaande
63 4, 27| aangaande het geld, dat hij de koning beloofd had, hoewel
64 4, 28| 28 Want hij was gesteld om het geld
65 4, 32| Menelaüs, achtende, dat hij nu een welgelegen tijd bekomen
66 4, 33| 33 Onias, als hij deze dingen wel verstaan
67 4, 33| had, bestrafte hem, nadat hij vertrokken was in een vrije
68 4, 34| hem vermaand heeft, dat hij Onias zou willen ombrengen;
69 4, 34| gegeven hebbende (hoewel toen hij de hand gaf, niet zonder
70 4, 34| heeft hem bewogen, dat hij zich uit de vrije plaats
71 4, 34| de vrije plaats begaf, en hij heeft hem terstond rondom
72 4, 34| rondom besloten, zonder dat hij de rechtvaardigheid ontzag.~
73 4, 38| hebbende tot de plaats, waar hij de goddeloosheid aan Onias
74 4, 45| zoon van Dorymeüs, opdat hij de koning zou overreden.~
75 5, 6 | grootste tegenspoed was; en hij dacht dat hij tekenen van
76 5, 6 | tegenspoed was; en hij dacht dat hij tekenen van overwinning
77 5, 7 | 7 Doch hij verkreeg het oppergezag
78 5, 7 | schande behalende, vluchtte hij, en trok weder in het land
79 5, 8 | 8 Ten laatste dan kreeg hij zijn loon bij Aretas de
80 5, 8 | zo nagejaagd zijnde, dat hij vluchtte van de ene stad
81 5, 8 | vaderland en zijn burgers, is hij naar Egypte uitgeworpen.~
82 5, 9 | 9 En hij, die velen uit hun vaderland
83 5, 9 | getrokken zijnde, alsof hij bij hen om der maagschap
84 5, 10| 10 En hij, die een menigte onbegraven
85 5, 11| 11 De koning, als hij verstaan had dat deze dingen
86 5, 11| hem wilde afvallen; waarom hij uit Egypte trok, vergrimd
87 5, 15| niet tevreden zijnde, heeft hij zich verstout in te gaan
88 5, 17| vertoornd was geweest, en dat hij daarom de plaats niet aanzag.~
89 5, 18| zou ook deze terstond, als hij ingekomen was, gegeseld
90 5, 22| 22 En hij heeft ook enige oversten
91 5, 24| 24 En hij had tegen de Joodse burgers
92 5, 24| tweeentwintigduizend man, gelastende dat hij allen, die tot mannelijke
93 5, 25| 25 Deze, als hij gekomen was te Jeruzalem,
94 5, 25| Jeruzalem, veinzende, dat hij vreedzaam ware, heeft zich
95 5, 25| de Sabbat; op welke, daar hij de Joden vond, vierdag houdende,
96 5, 25| vierdag houdende, zo gebood hij die onder hem stonden, dat
97 6, 14| gelijk de andere volken, dat hij lankmoedig blijft, totdat
98 6, 14| lankmoedig blijft, totdat hij hen ontmoet om hen te straffen,
99 6, 15| 15 Zo heeft hij ook goedgevonden tegen ons
100 6, 15| het einde gekomen zijn, hij ten laatste wraak over ons
101 6, 16| 16 Daarom neemt hij zijn barmhartigheid nimmer
102 6, 16| tegenspoed kastijdende, verlaat hij het niet.~
103 6, 21| nemende, vermaanden hem dat hij vlees zou willen brengen,
104 6, 21| tevoren toebereid, en dat hij zou willen veinzen, alsof
105 6, 21| zou willen veinzen, alsof hij at hetgeen door de koning
106 6, 22| 22 Opdat hij, zulks doende, van de dood
107 6, 22| vrijgelaten worden, en opdat hij, om de oude vriendschap
108 6, 23| 23 Maar hij nemende een eerlijk besluit,
109 6, 23| en zijn grauwe haren, die hij met ere had verkregen, en
110 6, 23| eerlijke opvoeding, die hij van zijn jeugd aan had gehad,
111 6, 24| 24 Want, zeide hij, het betaamt onze ouderdom
112 6, 28| dood te sterven. En als hij dit gezegd had, is hij terstond
113 6, 28| als hij dit gezegd had, is hij terstond gegaan naar de
114 6, 30| 30 En als hij nu door de slagen sterven
115 6, 30| slagen sterven zou, zeide hij al zuchtende: Aan de Here,
116 6, 31| 31 En op deze wijze is hij gestorven, zijn dood niet
117 7, 4 | 4 Zo gebood hij dat men deze, die voor de
118 7, 6 | Mozes in zijn lied, hetwelk hij tegen hen in het aangezicht
119 7, 6 | zijn dienstknechten zal hij vertroost worden.~
120 7, 8 | 8 Doch hij antwoordde in zijn vaderlijke
121 7, 9 | 9 En als hij nu in de uiterste adem was,
122 7, 9 | uiterste adem was, zeide hij: Gij booswicht, gij beneemt
123 7, 10| zij zijn tong eisten, stak hij die terstond uit, en hij
124 7, 10| hij die terstond uit, en hij strekte zijn handen zeer
125 7, 12| van deze jongeling, dat hij deze pijnen voor niets achtte.~
126 7, 14| 14 En als hij sterven zou, sprak hij aldus:
127 7, 14| als hij sterven zou, sprak hij aldus: Het is beter de hoop,
128 7, 17| aanschouw Gods grote kracht, hoe hij u en uw zaad zal pijnigen.~
129 7, 18| zij de zesde voor, en als hij sterven zou, zeide hij:
130 7, 18| als hij sterven zou, zeide hij: Dwaal niet tevergeefs,
131 7, 24| Antiochus, menende, dat hij veracht werd, en het daarvoor
132 7, 24| vermaning aan hem, maar hij verzekerde hem ook met ede,
133 7, 24| verzekerde hem ook met ede, dat hij hem terstond rijk en gelukzalig
134 7, 24| gelukzalig zou maken, zo hij wilde afstaan van de vaderlijke
135 7, 24| vaderlijke wetten, en dat hij hem voor een vriend zou
136 7, 26| 26 En als hij met vele woorden haar vermaand
137 7, 37| vaderen, aanroepende God, dat Hij haast ons volk wil genadig
138 7, 39| zeer kwalijk nemende dat hij zo bespot werd, heeft deze
139 8, 2 | riepen de Here aan, dat hij zou willen zien op het volk
140 8, 2 | overlast werd aangedaan, en dat hij zich wilde ontfermen over
141 8, 3 | 3 En dat hij zich erbarmen wilde over
142 8, 3 | geslecht zou worden, en dat hij al het bloed, dat tot hem
143 8, 4 | kleine kinderen, en dat hij om de lasteringen, die tegen
144 8, 5 | leger verzameld had, werd hij onverdraaglijk voor de heidenen,
145 8, 6 | onverwachts overkomende, stak hij in brand, en nam de welgelegen
146 8, 7 | 7 En hij nam vooral de nachten waar
147 8, 8 | grote voortgang kwam, en dat hij in voorspoed toenam, schreef
148 8, 8 | Celo-Syrië en Fenicië, dat hij de zaak des konings zou
149 8, 10| beloofd de schatting, die hij de Romeinen schuldig was,
150 8, 11| 11 En hij zond terstond naar de zeesteden,
151 8, 11| te kopen, belovende dat hij negentig slaven zou geven
152 8, 13| 13 En als hij aan degenen, die met hem
153 8, 14| was, en baden de Here, dat hij zou willen verlossen degenen
154 8, 15| 15 En zo hij het niet deed om hunnentwil,
155 8, 15| deed om hunnentwil, dat hij het wilde doen om de verbonden,
156 8, 15| doen om de verbonden, die hij met hun vaderen gemaakt
157 8, 17| verbreking der regering, die hij hun voorouders geweest was.~
158 8, 18| 18 En hij zeide: Dezen vertrouwen
159 8, 19| 19 En hij verhaalde hun de hulp, die
160 8, 21| 21 Waarmee hij hen stoutmoedig gemaakt
161 8, 22| 22 Heeft hij zijn krijgsvolk in vier
162 8, 23| 23 En als hij hun voorgelezen had het
163 8, 23| had: DOOR DE HULPE GODS, hij zelf, zijnde leider van
164 8, 29| de barmhartige Here, dat hij tot het einde toe zijn dienstknechten
165 8, 33| huisje, verbrand; en zo heeft hij het verdiende loon zijner
166 8, 36| 36 En hij, die aangenomen had de Romeinen
167 8, 36| betalen uit de gevangenen, die hij te Jeruzalem zou krijgen,
168 9, 2 | 2 Want als hij was ingegaan in de stad
169 9, 2 | vlucht gedreven was, dat hij op een schandelijke wijze
170 9, 3 | 3 En als hij te Ecbatana was, werd hem
171 9, 4 | 4 Waarom hij, in zijn gemoed verbolgen
172 9, 4 | verhalen; en daarom gelastte hij zijn voerman, dat hij zonder
173 9, 4 | gelastte hij zijn voerman, dat hij zonder ophouden zou voortgaan,
174 9, 4 | hem reeds persende. Want hij sprak in hovaardigheid:
175 9, 5 | onzienlijke plaag; want toen hij deze woorden geëindigd had,
176 9, 7 | 7 Doch hij liet daarom niet af van
177 9, 7 | van zijn hoogspreken, maar hij was nog met hoogmoed vervuld,
178 9, 7 | verhaasten; en het gebeurde dat hij ook van de wagen viel, die
179 9, 7 | zeer snel voortreed, en dat hij een zware val doende, al
180 9, 8 | 8 Hij, die kort tevoren de baren
181 9, 8 | ging, en die meende dat hij de hoogste bergen met een
182 9, 8 | een schaal zou wegen, als hij op de aarde was, werd in
183 9, 11| 11 Hier begon hij dan, zo verwond zijnde,
184 9, 12| kunnende verdragen, zeide hij deze woorden: Het is recht
185 9, 14| 14 Dat hij de heilige stad, tot welke
186 9, 15| 15 En dat hij de Joden, die hij voorgenomen
187 9, 15| En dat hij de Joden, die hij voorgenomen had zelfs niet
188 9, 16| 16 En dat hij de heilige tempel, die hij
189 9, 16| hij de heilige tempel, die hij tevoren beroofd had, met
190 9, 16| geschenken zou versieren, en dat hij al de heilige vaten veelvoudig
191 9, 16| veelvoudig zou weergeven, en dat hij uit zijn eigen inkomsten
192 9, 17| 17 En dat hij daarenboven ook een Jood
193 9, 17| een Jood zou zijn, en dat hij zou gaan door alle bewoonde
194 9, 18| zichzelf wanhopende, schreef hij aan de Joden deze ondergeschreven
195 9, 23| vader, in die tijden, als hij ook in die bovenplaatsen
196 9, 27| Want ik ben verzekerd, dat hij, mijn voornemen navolgende,
197 9, 28| mensenmoorder en godslasteraar, als hij het allerkwaadste geleden
198 9, 28| allerkwaadste geleden had, gelijk hij anderen ook had aangedaan,
199 10, 13| 13 Waarom hij door de vrienden bij Eupator
200 10, 13| dikwijls moetende horen dat hij een verrader was, omdat
201 10, 13| een verrader was, omdat hij Cyprus, hem door Filometor
202 10, 13| Epifanes geweken was, en dat hij die edele macht niet zo
203 10, 16| God gebeden hebbende, dat hij hen wilde helpen strijden,
204 10, 19| deze belegering te doen, en hij week zelf naar de plaatsen,
205 10, 21| geboodschapt was, vergaderde hij de oversten des volks, en
206 10, 23| En door de wapenen, die hij in handen had, alleszins
207 10, 23| voorspoedig zijnde, bracht hij in die twee sterkten om
208 10, 25| met Makkabeüs waren, als hij met hen naderde tot het
209 10, 26| het altaar is, baden dat hij hun wilde genadig zijn,
210 10, 26| wilde genadig zijn, en dat hij vijandig zou willen zijn
211 10, 30| wapenen, en bewaarden hem dat hij niet gewond werd, en wierpen
212 10, 44| omtrent vijf stadiën en hij benauwde het.~
213 10, 45| Makkabeüs waren verstonden, dat hij hun sterkten belegerd had,
214 10, 45| kermen en tranen de Here, dat hij een goede engel wilde zenden
215 10, 52| 13 En daar hij niet dwaas was, bij zichzelf
216 10, 52| met hen streed, zo zond hij aan hen,~
217 10, 53| 14 En verzekerde hun, dat hij op alle billijke voorwaarden
218 10, 53| hen wilde handelen, en dat hij daarom ook de koning zou
219 10, 75| 36 Doch aangaande hetgeen hij goedgevonden heeft tot de
220 11, 7 | ingesloten was, zo vertrok hij, als die weder zou komen,
221 11, 8 | 8 Als hij verstaan had, dat die van
222 11, 9 | 9 Zo overviel hij die van Jamnia des nachts,
223 11, 13| 13 En hij ondernam ook een brug te
224 11, 18| vertrokken zijnde, heeft hij een bezetting gelaten in
225 11, 24| 24 En Timotheüs zelf, als hij gevallen was in de handen
226 11, 24| behouden en loslaten, omdat hij velen hunner ouders en hunner
227 11, 25| 25 En als hij met vele woorden zijn toezegging
228 11, 25| verzekerd had, namelijk dat hij ze zonder enige hinder leveren
229 11, 27| nederlaag van deze, heeft hij ook zijn leger gebracht
230 11, 35| hem kloek henen; en als hij deze levend wilde vangen,
231 11, 36| riep Judas de Here aan, dat hij als een medestrijder en
232 11, 37| geroep met lofzangen, viel hij onverwachts op de soldaten
233 11, 43| wel en edel doende, daar hij dacht aan de opstanding.~
234 11, 44| 44 (Want indien hij niet had verwacht, dat degenen
235 11, 45| 45 Daarbenevens dat hij aanmerkte dat degenen, die
236 11, 46| godzalige gedachte! Waarom hij voor de gestorvenen de verzoening
237 12, 3 | het vaderland, maar omdat hij meende, dat hij in het oppergezag
238 12, 3 | maar omdat hij meende, dat hij in het oppergezag zou gesteld
239 12, 4 | als Lysias betoonde dat hij oorzaak was van al dit kwaad,
240 12, 4 | al dit kwaad, zo gebood hij dat men hem zou brengen
241 12, 6 | bijzonder kwaad gedaan had, dat hij omkwam.~
242 12, 8 | zeer rechtvaardig, want hij had vele zonden gedaan tegen
243 12, 10| Here zouden aanroepen, dat hij, zo hij ooit of immer, nu
244 12, 10| zouden aanroepen, dat hij, zo hij ooit of immer, nu wilde
245 12, 11| 11 En dat hij het volk, dat nu een weinig
246 12, 13| 13 En hij, met de ouderlingen alleen
247 12, 14| 14 Hij dan, de zorg bevolen hebbende
248 12, 15| GOD IS DE OVERWINNING, is hij met enige van de beste en
249 12, 19| 19 En als hij kwam tegen Bethsura, een
250 12, 19| bezetting der Joden, werd hij op de vlucht gebracht, gestuit
251 12, 21| aan de vijanden, waarom hij gezocht, gegrepen en in
252 12, 23| met Judas waren, ontving hij de nederlaag. En als hij
253 12, 23| hij de nederlaag. En als hij vernomen had dat Filippus,
254 12, 23| vernomen had dat Filippus, die hij te Antiochië gelaten had
255 12, 23| doen, afgevallen was, is hij verslagen geworden; en de
256 12, 23| gebeden hebbende, onderwierp hij zich aan hen, en zwoer hun
257 12, 23| verenigd zijnde, offerde hij offeranden, en vereerde
258 12, 25| 25 En als hij te Ptolomaïs gekomen was,
259 12, 26| maakte hen goedgunstig, zodat hij vertrekken kon naar Antiochië.
260 13, 2 | 2 En dat hij dat land bemachtigde, nadat
261 13, 2 | land bemachtigde, nadat hij Antiochus en zijn hofmeester
262 13, 3 | wijze behoud was, en dat hij geen toegang meer zou mogen
263 13, 12| 12 En hij riep terstond Nicanor, die
264 13, 13| Hem brieven gevende, dat hij Judas zou ombrengen, en
265 13, 13| waren verstrooien, en dat hij Alcimus zou stellen tot
266 13, 18| hun vaderland, zo vreesde hij het te wagen door een slag.~
267 13, 19| 19 Daarom zond hij Posidonius, en Theodotus,
268 13, 23| verkeerde te Jeruzalem, en hij deed niets ongerijmds, en
269 13, 23| deed niets ongerijmds, en hij dankte de scharen af, die
270 13, 24| 24 En hij hield Judas zeer in waarde,
271 13, 25| 25 En hij vermaande hem, dat hij een
272 13, 25| En hij vermaande hem, dat hij een huisvrouw zou trouwen
273 13, 25| en kinderen gewinnen; en hij trouwde, en leefde in stilheid
274 13, 26| zij gemaakt hadden, zo nam hij deze en vertrok naar Demetrius,
275 13, 26| des konings; want, zeide hij, hij heeft Judas, die het
276 13, 26| konings; want, zeide hij, hij heeft Judas, die het koninkrijk
277 13, 26| lagen legt, verordineerd dat hij in zijn plaats zal komen.~
278 13, 27| aan Nicanor, zeggende, dat hij deze verbonden zeer kwalijk
279 13, 28| ter ore gekomen waren, is hij zeer verbaasd geworden,
280 13, 28| nam het zeer kwalijk, dat hij de verbonden moest teniet
281 13, 29| koning tegen te staan, zo nam hij een gelegen tijd waar, om
282 13, 30| strenger handelde, en dat hij in de gewone omgang onvriendelijker
283 13, 31| andere nu, merkende dat hij door de man met een behendige
284 13, 32| dat zij niet wisten waar hij was, die gezocht werd, zo
285 13, 32| die gezocht werd, zo heeft hij, zijn hand uitstrekkende
286 13, 34| 34 En als hij zulke dingen gezegd had,
287 13, 34| zulke dingen gezegd had, is hij weggegaan, maar de priesters
288 13, 38| werd bij geoordeeld, dat hij een oprecht Jood was, en
289 13, 38| een oprecht Jood was, en hij had zijn lichaam en ziel
290 13, 39| maken de vijandschap, die hij had tegen de Joden, zond
291 13, 40| 40 Want hij meende, als hij hem zou
292 13, 40| 40 Want hij meende, als hij hem zou gevangen hebben,
293 13, 40| zou gevangen hebben, dat hij de Joden daarmede groot
294 13, 41| deuren in brand steken, als hij nu rondom bezet was, heeft
295 13, 41| rondom bezet was, heeft hij zichzelf met het zwaard
296 13, 43| 43 En als hij, door al te grote haast
297 13, 43| deuren binnenvielen, zo liep hij kloekmoedig op de muur,
298 13, 44| en plaats makende, kwam hij in het midden te vallen
299 13, 45| 45 En als hij nog ademhaalde, en in zijn
300 13, 45| zeer ontstoken was, stond hij op, zijn bloed als een fontein
301 13, 46| zonder bloed geworden, trok hij zijn ingewanden uit, en
302 13, 46| van leven en geest, dat hij hem die wilde wedergeven,
303 13, 46| wilde wedergeven, zo is hij op deze wijze gestorven.~ ~
304 14, 1 | heeft raad genomen, dat hij hen op de rustdag met alle
305 14, 5 | volbrengen. En nochtans kon hij zijn ellendigen raadslag
306 14, 7 | ophouden met alle hoop, dat hij hulp zou krijgen van de
307 14, 8 | overwinning verwachten, die hij hun zou geven.~
308 14, 9 | hadden uitgestaan, zo heeft hij hen bemoedigd.~
309 14, 11| geloofwaardige droom, maakte hij hen allen tezamen zeer verheugd.~
310 14, 21| gegeven wordt degenen, die hij oordeelt dit waardig te
311 14, 22| 22 En als hij bad, sprak hij deze woorden:
312 14, 22| 22 En als hij bad, sprak hij deze woorden: Gij, o Here,
313 14, 24| En met deze woorden heeft hij opgehouden te bidden.~
314 14, 30| 30 En hij, die alleszins de eerste
315 14, 31| 31 En als hij daar gekomen was, en tezamen
316 14, 31| staande voor het altaar, zond hij heen naar degenen, die in
317 14, 32| deze godslasteraar, welke hij uitgestrekt had tegen het
318 14, 33| afgesneden hebbende, zeide hij, dat hij die bij stukken
319 14, 33| hebbende, zeide hij, dat hij die bij stukken zou geven
320 14, 33| geven aan de vogelen, en dat hij deze als beloningen van
321 14, 34| zeggende: Gezegend moet hij zijn, die zijn plaats onbesmet
322 14, 35| 35 En hij hing het hoofd van Nicanor
|