Chapter, Verse
1 1, 1 | te Jeruzalem, en die in het land van Judea zijn, wensen
2 1, 7 | Demetrius koning was in het honderdnegenenzestigste
3 1, 7 | en die met hem waren van het heilige land en het koninkrijk
4 1, 7 | van het heilige land en het koninkrijk zijn afgeweken.~
5 1, 10| 10 In het jaar honderdachtentachtig,
6 1, 10| koning Ptolomeüs, zijnde uit het geslacht der gezalfde priesters,
7 1, 14| haar zou trouwen, opdat hij het geld tot een huwelijksgift
8 1, 18| bekend te maken, opdat gij het ook houdt als het feest
9 1, 18| opdat gij het ook houdt als het feest der loofhutten, en
10 1, 18| feest der loofhutten, en van het vuur wanneer Nehemia de
11 1, 18| wanneer Nehemia de tempel van het altaar gebouwd hebbende,
12 1, 19| toen waren, heimelijk van het vuur van het altaar, en
13 1, 19| heimelijk van het vuur van het altaar, en verbergden het
14 1, 19| het altaar, en verbergden het in de holte van een put,
15 1, 19| droge grond had, en hebben het daarin verzekerd, zodat
16 1, 20| verlopen waren, toen God het goedvond, zo heeft Nehemia,
17 1, 20| nakomelingen der priesters, die het verborgen hadden, gezonden
18 1, 21| gebood Nehemia de priesters het hout, en wat daarop lag,
19 1, 23| priesters een gebed, en al het volk, Jonathan beginnende,
20 1, 24| 24 En het gebed geschiedde op deze
21 1, 31| verteerd was, zo gebood Nehemia het water, dat nog overgebleven
22 1, 32| een vlam ontstoken, en als het licht van het altaar daartegen
23 1, 32| ontstoken, en als het licht van het altaar daartegen aan scheen,
24 1, 32| daartegen aan scheen, werd het water verteerd.~
25 1, 33| de weggevoerde priesters het vuur verborgen hadden, water
26 1, 36| 36 En Nehemia noemde het Neftar, hetwelk overgezet
27 1, 36| overgezet wordt reiniging; en het wordt door velen nog genoemd
28 2, 1 | werden, geboden heeft van het vuur te nemen, gelijk verklaard
29 2, 4 | Mozes geklommen was, en het erfdeel van God zag.~
30 2, 5 | tabernakel, en de ark, en het reukaltaar daar ingebracht
31 2, 9 | 9 Want het is openbaar, hoe dat hij,
32 2, 10| gebed heeft gedaan, en dat het vuur van de hemel viel,
33 2, 10| Salomo gebeden heeft, en dat het vuur nederkomende de brandoffers
34 2, 16| Dewijl wij dan zullen houden het feest der reiniging, zo
35 2, 17| en allen heeft gegeven het erfdeel, en het koninkrijk,
36 2, 17| gegeven het erfdeel, en het koninkrijk, en het priesterschap
37 2, 17| erfdeel, en het koninkrijk, en het priesterschap en de heiliging;~
38 2, 22| zijn aan degenen, die voor het Jodendom met eergierigheid
39 2, 22| zodat zij weinigen zijnde het ganse land afgelopen hebben,
40 2, 27| 27 Het is voor ons, die de moeite
41 2, 28| 28 Gelijkerwijs het iemand, die een grote maaltijd
42 2, 29| voortgaan met dit kort begrip in het kort af te malen.~
43 2, 30| bekommerd moet zijn over het ganse gebouw, en een, die
44 2, 31| gebruiken, en bezig te zijn in het verhaal van alle bijzondere
45 2, 31| stukken, dit behoort tot het werk van de schrijver der
46 2, 33| voorrede nog bijvoegende. Want het zou een dwaze zaak zijn,
47 3, 1 | werd, en als de wetten op het best werden onderhouden,
48 3, 2 | 2 Zo is het gebeurd, dat ook zelfs de
49 3, 6 | rekening der offeranden, en dat het mogelijk was, dat deze zouden
50 3, 7 | geopenbaard hetgeen hem van het geld te kennen gegeven was,
51 3, 7 | hem last gevende, dat hij het voormelde geld nemen zoude.~
52 3, 8 | doorreizen, maar inderdaad om het voornemen des konings te
53 3, 11| hoogheid gesteld was, zodat het niet was gelijk de goddeloze
54 3, 14| hebbende, is hij ingegaan om het geld te overzien, en daarop
55 3, 15| wierpen zich neder voor het altaar, en riepen naar de
56 3, 17| vrees en verschrikking van het lichaam had de an bevangen,
57 3, 18| hopen uit de huizen naar het gemeen gebed, omdat deze
58 3, 20| uitgestrekt hebbende, deden het gebed.~
59 3, 21| 21 Het was erbarmelijk te zien,
60 3, 22| wilde, voor degenen, die het toevertrouwd hadden.~
61 3, 31| in de uiterste adem lag, het leven zou willen schenken.~
62 3, 33| zijnentwil heeft u de Here het leven geschonken.~
63 3, 35| beloofd aan hem, die hem het leven had wedergegeven,
64 3, 35| Onias gegroet had, trok het leger weder naar de koning;~
65 4, 1 | verrader was geworden van het geld en van zijn vaderland,
66 4, 5 | hetgeen al de menigte, zo in het gemeen als in het bijzonder,
67 4, 5 | zo in het gemeen als in het bijzonder, dienstig zou
68 4, 6 | 6 Want hij zag dat het onmogelijk was, dat zonder
69 4, 7 | 7 Als Seleucus het leven met de dood verwisseld
70 4, 7 | Antiochus, toegenaamd Epifanes, het koninkrijk had aangenomen,
71 4, 7 | onbehoorlijk gestaan naar het hogepriesterschap.~
72 4, 10| hem had toegestaan, en hij het gebied gekregen had, zo
73 4, 14| om de dienst te doen bij het altaar, maar de tempel verachtende,
74 4, 17| doch de volgende tijd zal het openbaren.~
75 4, 18| 18 Als nu het vijfjarig strijdspel te
76 4, 23| Simons broeder, om de koning het geld te brengen, en om hen
77 4, 24| had, heeft voor zichzelf het hogepriesterschap verkregen,
78 4, 26| gedwongen te vluchten naar het land Ammonitis.~
79 4, 27| 27 En Menelaüs heeft wel het opperste gezag verkregen,
80 4, 27| gans geen orde aangaande het geld, dat hij de koning
81 4, 27| de overste van de burcht het eiste.~
82 4, 28| Want hij was gesteld om het geld van de schatting te
83 4, 29| Menelaüs tot een verzorger van het hogepriesterschap Lysimachus,
84 4, 30| dingen zo gesteld waren, is het gebeurd dat die van Tarsus
85 4, 35| vele van andere volken, het zeer kwalijk namen, en konden
86 4, 35| kwalijk namen, en konden het niet verdragen, dat die
87 4, 38| deze terstond Andronicus het purperen kleed afgenomen,
88 4, 38| heeft daar de doodslager van het leven beroofd, en zo heeft
89 4, 39| raad van Menelaüs, en als het gerucht daarvan openlijk
90 4, 41| stokken, en sommigen ook uit het slijk dat daar was, met
91 4, 41| tezamen geperst, en wierpen het op degenen, die met Lysimachus
92 4, 48| degenen, die voor de stad, en het volk, en voor de heilige
93 4, 50| die de macht hadden, in het opperste gezag, toenemende
94 5, 2 | 2 En het gebeurde dat door de gehele
95 5, 5 | gekomen was, dat Antiochus het leven met de dood verwisseld
96 5, 7 | 7 Doch hij verkreeg het oppergezag niet; maar als
97 5, 7 | vluchtte hij, en trok weder in het land Ammonitis.~
98 5, 15| zo van de wetten als van het vaderland.~
99 5, 18| 18 Want ware het niet gebeurd, dat zij tot
100 5, 19| 19 Maar de Here heeft het volk niet om de plaats,
101 5, 19| plaats, maar de plaats om het volk uitverkoren.~
102 5, 20| geworden de weldadigheden, en het volk dat door de almachtige
103 5, 22| oversten daar gelaten, om het volk te kwellen: Filippus
104 5, 27| anderen vertrokken naar het gebergte, en leefde met
105 6, 3 | invoering van deze boosheid was het volk bezwaarlijk en moeilijk.~
106 6, 5 | 5 En het altaar werd ook met onbehoorlijke
107 6, 7 | alle maanden te houden, met het eten van de geofferde ingewanden;
108 6, 7 | wijnloofkransen dragende, in het Bacchusfeest om te gaan.~
109 6, 13| 13 Want het is een teken van grote goeddadigheid,
110 6, 15| wanneer onze zonden tot het einde gekomen zijn, hij
111 6, 16| kastijdende, verlaat hij het niet.~
112 6, 19| hebbende een dood met ere, dan het leven met haat, kwam zelf
113 6, 20| uitspuwende, op zulk een wijze als het degenen betaamt, die zich
114 6, 20| proeven, om de liefde van het leven te behouden.~
115 6, 21| was verordineerd, namelijk het vlees der offeranden.~
116 6, 23| dat zij hem haastig naar het graf wilden zenden.~
117 6, 24| 24 Want, zeide hij, het betaamt onze ouderdom niet
118 6, 24| zijnde, overgegaan is tot het heidendom,~
119 6, 26| 26 Want indien ik voor het tegenwoordige zou verlost
120 6, 27| 27 Waarom ik nu het leven moedig verwisselende
121 6, 31| de jongelieden, maar ook het merendeel van zijn volk,
122 7, 1 | 1 Het gebeurde ook dat zeven broeders,
123 7, 4 | tong zou afsnijden, en hem het vel rondom aftrekken, en
124 7, 5 | nog zijn adem haalde, aan het vuur zou brengen, en in
125 7, 6 | aldus: God de Here ziet het aan, en zal in de waarheid
126 7, 6 | hetwelk hij tegen hen in het aangezicht heeft betuigd,
127 7, 7 | tweede tot de bespotting; en het vel van het hoofd met het
128 7, 7 | bespotting; en het vel van het hoofd met het haar rondom
129 7, 7 | het vel van het hoofd met het haar rondom afgetrokken
130 7, 7 | zwijnenvlees eten, eer dat het lichaam van lid tot lid
131 7, 9 | booswicht, gij beneemt ons wel het tegenwoordige leven, maar
132 7, 14| sterven zou, sprak hij aldus: Het is beter de hoop, die van
133 7, 19| onschuldig zult zijn, dewijl gij het gewaagd hebt tegen God te
134 7, 22| noch heb ik u de geest en het leven gegeven, noch heb
135 7, 23| uitvindt, zal u de geest en het leven wedergeven met barmhartigheid,
136 7, 24| dat hij veracht werd, en het daarvoor houdende, dat deze
137 7, 28| niet gemaakt heeft, en dat het menselijk geslacht zo geworden
138 7, 30| maar ik zal gehoorzaam zijn het gebod der wet, die onze
139 7, 35| zijt nog niet ontvloden het oordeel des almachtigen
140 7, 36| hebbende, zijn gestorven onder het verbond Gods van het eeuwig
141 7, 36| onder het verbond Gods van het eeuwig leven, maar gij zult
142 7, 36| leven, maar gij zult door het oordeel Gods rechtvaardige
143 7, 42| dusverre verklaard aangaande het eten van de geofferde ingewanden,
144 8, 2 | dat hij zou willen zien op het volk dat van alle kanten
145 8, 3 | zou worden, en dat hij al het bloed, dat tot hem riep,
146 8, 4 | zou willen gedenken aan het onrechtvaardig ombrengen
147 8, 7 | waar tot zodanige lagen; en het gerucht van zijn dapperheid
148 8, 9 | uit allerlei natiën, om het ganse Joodse volk uit te
149 8, 13| waren, verklaard had dat het leger daar was gekomen,
150 8, 15| 15 En zo hij het niet deed om hunnentwil,
151 8, 15| deed om hunnentwil, dat hij het wilde doen om de verbonden,
152 8, 21| bereid om voor de wetten en het vaderland te sterven,~
153 8, 23| hij hun voorgelezen had het heilig boek, en hun tot
154 8, 24| verwondden en verminkten het merendeel van Nicanors krijgsvolk,
155 8, 25| 25 En kregen het geld van degenen die gekomen
156 8, 26| 26 Want het was de dag voor de Sabbat;
157 8, 27| had tot die dag toe, welke het begin was der barmhartigheid,
158 8, 28| de wezen van de buit, en het overige deelden zij onder
159 8, 29| barmhartige Here, dat hij tot het einde toe zijn dienstknechten
160 8, 31| in gelegene plaatsen; en het overige van de buit brachten
161 8, 33| 33 En als zij in het vaderland een dankdag hielden
162 8, 33| verbrand; en zo heeft hij het verdiende loon zijner goddeloosheid
163 8, 35| alles gelukkig zijnde na het verlies van zijn leger.~
164 9, 1 | Omtrent deze tijd gebeurde het dat Antiochus met schande
165 9, 2 | genaamd Persepolis en gewaagde het heilige te beroven, en de
166 9, 2 | stad te bezetten, zo is het volk te wapen gelopen en
167 9, 2 | brachten hen op de vlucht; en het gebeurde, als Antiochus
168 9, 4 | wordende, dacht dat bij het kwaad, dat hem aangedaan
169 9, 4 | en de reis volbrengen; het oordeel uit de hemel hem
170 9, 7 | reis zou verhaasten; en het gebeurde dat hij ook van
171 9, 9 | 9 Zodat ook uit het lichaam van deze goddeloze
172 9, 9 | afviel; en dat van zijn reuk het ganse leger bezwaard werd,
173 9, 12| zeide hij deze woorden: Het is recht dat men zich God
174 9, 18| geenszins ophielden, (want het rechtvaardig oordeel Gods
175 9, 24| worden, de inwoners van het land mochten weten, wie
176 9, 24| weten, wie de zaken van het rijk gelaten zijn, en zij
177 9, 25| hierbij gelegen en naburen van het rijk zijn, op de gelegen
178 9, 25| bovenprovinciën reizende, bij het merendeel van u vertrouwd
179 9, 26| der weldadigheden aan u in het algemeen en bijzonder gedaan,
180 9, 28| en godslasteraar, als hij het allerkwaadste geleden had,
181 9, 28| in een vreemd land, in het gebergte, door een zeer
182 9, 28| een zeer ellendige dood, het leven afgelegd.~
183 9, 29| hem opgevoed was, heeft het lichaam met zich genomen;
184 10, 3 | vuur hadden geslagen, en het vuur daaruit hadden ontvangen,
185 10, 3 | van twee jaren; en hebben het reukwerk, en de lampen,
186 10, 5 | 5 En het gebeurde op dezelfde dag
187 10, 6 | weinig tijds tevoren op het feest der loofhutten, op
188 10, 8 | gebod en toestemming voor het ganse volk der Joden, dat
189 10, 9 | 9 En de uitgang van het leven van Antiochus, die
190 10, 11| 11 Want deze, het koninkrijk ontvangen hebbende,
191 10, 12| willende liever voor de Joden het recht bewaren, vanwege het
192 10, 12| het recht bewaren, vanwege het ongelijk dat gedaan was,
193 10, 13| vergeven hebbende, heeft het leven verlaten.~
194 10, 25| hij met hen naderde tot het gebed van God, aarde op
195 10, 26| op de rand, die tegenover het altaar is, baden dat hij
196 10, 27| 27 Als zij van het gebed gekomen waren, namen
197 10, 42| tempels der heidenen, en het hogepriesterschap alle jaren
198 10, 44| stadiën en hij benauwde het.~
199 10, 51| schande vluchtende, ontkwam het ook.~
200 10, 55| deze inhoud: Lysias wenst het Joodse volk voorspoed.~
201 10, 59| Doch van deze dingen in het bijzonder heb ik last gegeven
202 10, 59| afgezondenen, om ulieden het te verklaren.~
203 10, 60| 21 Vaart wel in het honderdachtenveertigste
204 10, 64| 25 Zo is het, dat wij goedgevonden hebben
205 10, 66| zendbrief van de koning aan het Joodse volk was dusdanig:
206 10, 72| maand van Xanthicus, in het jaar honderdachtenveertig.~
207 10, 73| gezanten der Romeinen, wensen het Joodse volk voorspoed.~
208 10, 77| der maand Xanthicus, in het jaar honderdachtenveertig.~ ~
209 11, 1 | de Joden begaven zich om het land te bouwen.~
210 11, 4 | 4 En als zij, volgens het algemeen besluit der stad,
211 11, 9 | hun haven en vloot, zodat het licht van de vlam gezien
212 11, 16| onuitsprekelijke menigte, zodat het meer, dat daarbij lag, de
213 11, 24| bedriegelijkheid, dat men hem bij het leven wilde behouden en
214 11, 24| hunner broeders had, en het geschieden zou dat men anderszins
215 11, 31| goedgunstig zouden zijn, en als het feest der weken aanstaande
216 11, 32| 32 En als het feest, genoemd Pinksteren,
217 11, 34| hem streden, geschiedde het dat er weinigen van de Joden
218 11, 39| waren, omtrent de tijd als het nodig is zulks te doen,
219 11, 40| wet de Joden verbiedt; en het werd een ieder openbaar,
220 11, 42| 42 En tot het gebed gekeerd zijnde, baden
221 11, 44| weder zouden opstaan, zo zou het tevergeefs en dwaas geweest
222 12, 1 | 1 In het honderdnegenenveertigste
223 12, 3 | schimpen vermaande, niet om het welvaren van het vaderland,
224 12, 3 | niet om het welvaren van het vaderland, maar omdat hij
225 12, 3 | omdat hij meende, dat hij in het oppergezag zou gesteld worden.~
226 12, 4 | Koning der koningen verwekte het gemoed van Antiochus tegen
227 12, 4 | omgebracht te worden, gelijk het gebruikelijk was in die
228 12, 7 | Met zulk een dood gebeurde het dat deze goddeloze Menelaüs
229 12, 8 | vele zonden gedaan tegen het altaar, waar het heilig
230 12, 8 | gedaan tegen het altaar, waar het heilig vuur was, en de as,
231 12, 10| dit vernemende, gebood het volk, dat zij dag en nacht
232 12, 11| 11 En dat hij het volk, dat nu een weinig
233 12, 13| zijnde, nam met hen raad, eer het krijgsvolk van de koning
234 12, 15| jongelingen bij nacht, bij het hof des konings, aangevallen
235 12, 15| konings, aangevallen op het leger, en heeft omtrent
236 12, 15| menigte dergenen, die daar in het huis waren.~
237 12, 16| 16 En eindelijk het leger met vrees en verwarring
238 12, 21| 21 En Rodocus, een van het Joodse krijgsvolk, boodschapte
239 12, 25| verbonden, want zij namen het zeer kwalijk dat zij de
240 12, 26| naar Antiochië. En zo is het gegaan met des konings aankomst
241 13, 1 | van drie jaren gebeurde het, dat Demetrius, de zoon
242 13, 3 | meer zou mogen hebben tot het heilig altaar,~
243 13, 4 | de koning Demetrius, in het honderdeenenvijftigste jaar,
244 13, 5 | zijnde naar de toestand en het voornemen der Joden,~
245 13, 6 | oproeren, en laten niet toe dat het koninkrijk een goede stand
246 13, 7 | voorouders, namelijk van het hogepriesterschap, ben nu
247 13, 8 | 8 Eerstelijk omdat ik het oprecht meen met de zaken,
248 13, 9 | wil zorgdragen zowel voor het land als voor ons geslacht
249 13, 10| als Judas zal leven, is het onmogelijk dat de zaken
250 13, 16| bevel gegeven had, trok het leger terstond van daar,
251 13, 16| daar, en leverde slag bij het vlek Dessau.~
252 13, 18| vaderland, zo vreesde hij het te wagen door een slag.~
253 13, 20| had medegedeeld, en als het bleek dat de stemmen eenparig
254 13, 21| stelden een dag, waarop zij in het bijzonder zouden komen op
255 13, 26| hij, hij heeft Judas, die het koninkrijk lagen legt, verordineerd
256 13, 28| verbaasd geworden, en nam het zeer kwalijk, dat hij de
257 13, 29| 29 En daar het niet doenlijk was de koning
258 13, 29| een gelegen tijd waar, om het met een krijgslist te volbrengen.~
259 13, 33| vlak veld maken en ik zal het altaar ondergraven, en zal
260 13, 38| lichaam en ziel gesteld voor het Jodendom, met alle standvastigheid.~
261 13, 41| geweld deden op de deur van het voorhof, en als hun geboden
262 13, 41| heeft hij zichzelf met het zwaard doorstoken;~
263 13, 44| plaats makende, kwam hij in het midden te vallen op zijn
264 13, 46| beide handen nemen, wierp het onder de scharen; en aanroepende
265 14, 12| gezicht: dat Onias, die het hogepriesterschap had bediend,
266 14, 14| liefheeft, en die veel bidt voor het volk en voor de heilige
267 14, 17| onder de vijanden vallende, het uiterste te wagen, daar
268 14, 17| wagen, daar de stad, en het heiligdom, en de tempel
269 14, 18| 18 Want het gevaar van huisvrouwen,
270 14, 20| nu allen verwachtten dat het treffen zou aangaan, en
271 14, 22| koning van Juda, die in het leger van Sanherib gedood
272 14, 30| had, heeft geboden dat men het hoofd van Nicanor, en zijn
273 14, 31| priesters, staande voor het altaar, zond hij heen naar
274 14, 32| 32 En hun tonende het hoofd van de schelmachtige
275 14, 32| hij uitgestrekt had tegen het heilige huis van de Almachtige,
276 14, 35| 35 En hij hing het hoofd van Nicanor uit de
277 14, 39| indien ik dit wel, en gelijk het in een historie behoort,
278 14, 39| geweest; maar indien ik het slecht en onvolledig heb
279 14, 40| 40 Want gelijk het ongezond is wijn alleen
280 14, 40| der lezers. En dit zij dan het einde.~ ~
|