Chapter, Verse
1 1, 3 | 3 En geve u allen een hart om hem te dienen, en
2 1, 3 | om zijn wil te doen met een goed hart, en gewillige
3 1, 14| opdat hij het geld tot een huwelijksgift ontvangen
4 1, 16| ging in, en zij openden een geheime deur des gewelfs,
5 1, 16| stenen, doodden zij als door een bliksem de overste met de
6 1, 19| verbergden het in de holte van een put, die een droge grond
7 1, 19| de holte van een put, die een droge grond had, en hebben
8 1, 22| weder scheen, zo werd daar een groot vuur ontstoken, dat
9 1, 23| werd, deden de priesters een gebed, en al het volk, Jonathan
10 1, 24| wijze: Here, Here God, die een schepper zijt aller dingen,
11 1, 24| sterk, en rechtvaardig, en een ontfermen, gij die alleen
12 1, 27| niets geacht zijn, en als een gruwel gehouden worden;
13 1, 32| Hetwelk gedaan zijnde, is daar een vlam ontstoken, en als het
14 2, 5 | dat Jeremia daar komende, een woning in de spelonk gevonden
15 2, 9 | wijsheid begaafd zijnde, een offerande geofferd heeft
16 2, 10| Hoe ook Mozes tot de Here een gebed heeft gedaan, en dat
17 2, 13| van Nehemia; en hoe hij een bibliotheek aanleggende,
18 2, 24| zullen wij ondernemen in een boek kort te vervatten.~
19 2, 27| niet licht geweest, maar een zaak vol zweten en waken.~
20 2, 28| Gelijkerwijs het iemand, die een grote maaltijd toebereidt,
21 2, 28| maaltijd toebereidt, en die een ieder wel zoekt te dienen,
22 2, 30| 30 Gelijkerwijs een, die een nieuw huis wil
23 2, 30| 30 Gelijkerwijs een, die een nieuw huis wil bouwen, bekommerd
24 2, 30| over het ganse gebouw, en een, die met inbranden voorneemt
25 2, 32| 32 Doch een kort begrip van hetgeen
26 2, 32| zeggen is te vervolgen, en een bredere verklaring der zaken
27 2, 32| toe te laten degene, die een kort begrip van enig schrift
28 2, 33| bijvoegende. Want het zou een dwaze zaak zijn, dat iemand,
29 2, 33| zaak zijn, dat iemand, die een kort begrip van een geschiedenis
30 2, 33| die een kort begrip van een geschiedenis schrijft, meer
31 3, 4 | 4 En een zekere Simon, uit de stam
32 3, 4 | stam van Benjamin, die tot een overste van de tempel was
33 3, 11| 11 En dat een deel daarvan ook toebehoorde
34 3, 11| Hyrcanus, de zoon van Tobias, een man die in zeer grote hoogheid
35 3, 14| 14 En een dag gesteld hebbende, is
36 3, 24| geesten en van alle macht een grote openbaring gedaan,
37 3, 25| 25 Want door hen werd een paard gezien, met een zeer
38 3, 25| werd een paard gezien, met een zeer schoon dek versierd,
39 3, 25| schoon dek versierd, waarop een zat, die schrikkelijk was,
40 3, 25| en die daarop zat scheen een gouden harnas aan te hebben.~
41 3, 26| die ook staande elk aan een van zijn zijden, hem zonder
42 3, 27| tezamen op, en zetten hem in een draagstoel;~
43 3, 30| verheerlijkt had, en de tempel, die een weinig tevoren vol vreze,
44 3, 38| 38 Indien gij een vijand hebt, of een die
45 3, 38| gij een vijand hebt, of een die uw zaken lagen legt,
46 3, 38| der waarheid in die plaats een kracht Gods is.~
47 4, 1 | De voorzeide Simon, die een verrader was geworden van
48 4, 3 | toegenomen was, dat ook door een dergenen, die Simon voor
49 4, 5 | 5 Niet om te zijn een beschuldiger van zijn burgers,
50 4, 8 | nog tachtig talenten uit een ander inkomen.~
51 4, 9 | door zijn macht zichzelf een school en een oefenperk
52 4, 9 | macht zichzelf een school en een oefenperk der jeugd zou
53 4, 11| vader van Eupolemus, die een gezant was geweest, om met
54 4, 11| geweest, om met de Romeinen een verbond van vriendschap
55 4, 11| wettige regering verbroken, en een nieuwe onwettige wijze van
56 4, 12| 12 En als hij willekeurig een school had opgericht, dicht
57 4, 13| Zo was er onder de Joden een grote lust tot de Griekse
58 4, 13| tot de Griekse zeden, en een grote voortgang der vreemde
59 4, 16| oorzaak wil is over hen een zware ellende gekomen, dat
60 4, 19| driehonderd drachmen zilver tot een offerande van de afgod Herkules;
61 4, 25| hogepriesterschaps waardig was; maar een grimmig gemoed van een wrede
62 4, 25| maar een grimmig gemoed van een wrede tiran en een verbolgenheid
63 4, 25| gemoed van een wrede tiran en een verbolgenheid van een wild
64 4, 25| en een verbolgenheid van een wild barbaars beest hebbende.~
65 4, 26| bedrog uitgeworpen had door een ander weder met bedrog uitgeworpen
66 4, 29| 29 Zo heeft Menelaüs tot een verzorger van het hogepriesterschap
67 4, 30| geraakten, omdat zij tot een geschenk gegeven waren aan
68 4, 31| latende in zijn plaats tot een voorzorger Andronicus, een
69 4, 31| een voorzorger Andronicus, een van degenen die in hoogheid
70 4, 32| Menelaüs, achtende, dat hij nu een welgelegen tijd bekomen
71 4, 33| nadat hij vertrokken was in een vrije plaats, te Dafne,
72 4, 40| onrechtvaardige handen, door een overste, die een tiran en
73 4, 40| handen, door een overste, die een tiran en oud van jaren was,
74 4, 46| heeft de koning, die in een galerij was gegaan om zich
75 4, 48| Zo hebben dan haastelijk een onrechtvaardige straf geleden
76 4, 50| boosheid, en is geworden een groot verrader der burgers.~ ~
77 5, 3 | en beweging der schilden, een grote menigte van spiesen,
78 5, 5 | 5 En als er een vals gerucht gekomen was,
79 5, 5 | hebbende, heeft terstond een inval gedaan in de stad;
80 5, 8 | vervolgd zijnde en gehaat, als een die van de wet was afgevallen;
81 5, 8 | afgevallen; en vervloekt als een beul van zijn vaderland
82 5, 10| 10 En hij, die een menigte onbegraven had weggeworpen,
83 5, 13| 13 En er geschiedde een grote moord van jongen en
84 5, 15| aardbodem, hebbende tot een leidsman Menelaüs, die een
85 5, 15| een leidsman Menelaüs, die een verrader was geworden, zo
86 5, 17| de stad woonden, de Here een kleine tijd vertoornd was
87 5, 22| Jeruzalem, die van afkomst een Frygiër was, en veel barbaarser
88 5, 24| tegen de Joodse burgers een vijandig hart, en zond een
89 5, 24| een vijandig hart, en zond een gehate overste, Apollonius,
90 5, 24| overste, Apollonius, met een leger van tweeentwintigduizend
91 5, 26| met wapenen lopende, heeft een grote menigte vermoord.~
92 6, 1 | lang daarna zond de koning een oud man van Athene, om de
93 6, 6 | noch ook enigszins bekennen een Jood te wezen.~
94 6, 7 | 7 En zij werden door een bittere noodwendigheid gedwongen,
95 6, 8 | bestelling van Ptolomeüs, een plakkaat uitgegaan, dat
96 6, 11| vuur verbrand, omdat zij er een gewetenszaak van maakten
97 6, 13| 13 Want het is een teken van grote goeddadigheid,
98 6, 18| 18 Een zekere Eleazar, een van
99 6, 18| 18 Een zekere Eleazar, een van de voornaamste schriftgeleerden,
100 6, 18| voornaamste schriftgeleerden, een man die verre op zijn dagen
101 6, 19| 19 Deze, liever hebbende een dood met ere, dan het leven
102 6, 20| zich uitspuwende, op zulk een wijze als het degenen betaamt,
103 6, 23| 23 Maar hij nemende een eerlijk besluit, dat zijn
104 6, 25| verleid worden; en ik zo een vloek en een schandvlek
105 6, 25| worden; en ik zo een vloek en een schandvlek op mijn ouderdom
106 6, 28| 28 En zal de jongelieden een heerlijk voorbeeld nalaten,
107 6, 28| wetten gewillig en kloek een eerlijke dood te sterven.
108 6, 29| goedwilligheid, die zij een weinig tevoren tot hem gehad
109 6, 30| zuchtende: Aan de Here, die een heilige wetenschap heeft,
110 6, 31| merendeel van zijn volk, tot een voorbeeld van kloekmoedigheid,
111 6, 31| kloekmoedigheid, en tot een gedachtenis der deugd nalatende.~ ~
112 7, 2 | 2 En een hunner, die voor de anderen
113 7, 9 | zijn wetten sterven, tot een eeuwige opstanding des levens
114 7, 21| 21 Want zij vermaande een ieder hunner in haar vaderlijke
115 7, 21| spraak, vervuld zijnde met een kloekmoedig verstand, haar
116 7, 21| vrouwelijke overlegging met een mannelijk gemoed opwekkende;~
117 7, 22| eerste beginselen, waaruit een ieder van u bestaat, bijeengeschikt;~
118 7, 24| niet alleen met woorden een vermaning aan hem, maar
119 7, 24| wetten, en dat hij hem voor een vriend zou houden, en ambten
120 7, 31| 31 Maar gij, koning die een vinder zijt van alle kwaad
121 7, 33| tuchtiging en kastijding wil, een korte tijd toornig is, bij
122 7, 36| 36 Want onze broeders, een korte pijn geleden hebbende,
123 8, 5 | 5 En als Judas Makkabeüs een leger verzameld had, werd
124 8, 9 | de zoon van Patroclus, een van de voornaamste vrienden,
125 8, 9 | hem toegevoegd Gorgias, een man die een overste was,
126 8, 9 | toegevoegd Gorgias, een man die een overste was, goede ervaring
127 8, 11| negentig slaven zou geven voor een talent; niet verwachtende
128 8, 23| heilig boek, en hun tot een leus gegeven had: DOOR DE
129 8, 29| verricht hadden, hielden zij een algemene biddag, en baden
130 8, 30| hoge sterkten, en deelden een grote buit, makende gelijke
131 8, 32| die bij Timotheüs was, een zeer goddeloos man, die
132 8, 33| als zij in het vaderland een dankdag hielden over de
133 8, 33| gestoken, vluchtende in een huisje, verbrand; en zo
134 8, 35| Middellandse zee, gelijk een slaaf die zijn heer ontloopt,
135 8, 36| verkondigde dat de Joden God tot een voorvechter hadden; en dat
136 9, 2 | gedreven was, dat hij op een schandelijke wijze vertrok.~
137 9, 4 | zal Jeruzalem maken tot een begraafplaats der Joden,
138 9, 5 | van Israël, sloeg hem met een ongeneeslijke en onzienlijke
139 9, 5 | geëindigd had, heeft hem een ongeneeslijke pijn der ingewanden
140 9, 7 | snel voortreed, en dat hij een zware val doende, al de
141 9, 8 | te willen gebieden, met een vermetelheid, die de menselijke
142 9, 8 | hij de hoogste bergen met een schaal zou wegen, als hij
143 9, 8 | op de aarde was, werd in een rosbaar gedragen, de openbare
144 9, 10| 10 Zodat hem, die een weinig tevoren de sterren
145 9, 12| onderwerpe, en dat iemand, een sterfelijk mens zijnde,
146 9, 14| gronde uit te roeien, en tot een grafplaats te maken, vrij
147 9, 15| voorgenomen had zelfs niet met een begrafenis te verwaardigen,
148 9, 15| verwaardigen, maar de vogels tot een aas, en de wilde beesten,
149 9, 17| dat hij daarenboven ook een Jood zou zijn, en dat hij
150 9, 18| ondergeschreven brief, hebbende een wijze van afbidding, van
151 9, 22| Perzië, en gevallen zijnde in een krankheid, die haar zwarigheid
152 9, 23| ook in die bovenplaatsen een leger voerde, verklaarde
153 9, 26| algemeen en bijzonder gedaan, een ieder van u behoude de goedgunstigheid,
154 9, 28| anderen ook had aangedaan, in een vreemd land, in het gebergte,
155 9, 28| land, in het gebergte, door een zeer ellendige dood, het
156 10, 3 | hadden gereinigd, hebben zij een ander altaar gemaakt, en
157 10, 6 | loofhutten, gedachtenis hoe zij een weinig tijds tevoren op
158 10, 8 | 8 En maakten een besluit, door een algemeen
159 10, 8 | maakten een besluit, door een algemeen gebod en toestemming
160 10, 11| stelde over zijn zaken een zekere Lysias, die de opperste
161 10, 13| dikwijls moetende horen dat hij een verrader was, omdat hij
162 10, 16| die met Makkabeüs waren, een biddag gehouden en God gebeden
163 10, 16| wilde helpen strijden, deden een aanval op de sterkten der
164 10, 18| van alles wat nodig was om een belegering te doorstaan,~
165 10, 24| was, vergaderd hebbende een zeer grote menigte van vreemd
166 10, 28| elkander slag; dezen hadden tot een waarborg van de voorspoed
167 10, 28| stelden daartegen hun moed tot een overste van de strijd.~
168 10, 29| 29 Als er nu een zeer hevige strijd was,
169 10, 32| Timotheüs zelf vluchtte in een zeer wel bezette sterkte,
170 10, 35| en zeer manmoedig en met een ontstoken gemoed allen die
171 10, 37| Timotheüs, verscholen in een kuil, en zijn broeder Chereas
172 10, 40| 1 En een zeer weinig tijds daarna,
173 10, 41| hebbende de stad te maken tot een woonplaats der heidenen;~
174 10, 44| genaakte Bethsura, zijnde een vaste plaats, gelegen van
175 10, 45| tranen de Here, dat hij een goede engel wilde zenden
176 10, 47| En zij deden gezamenlijk een kloekmoedige aanval; en
177 10, 47| Jeruzalem waren, is hun een te paard zittende verschenen,
178 10, 49| trokken in slagorde, hebbende een uit de hemel, die hen zou
179 10, 58| ook voortaan trachten om een oorzaak te zijn van uw welvaren.~
180 10, 73| 34 De Romeinen hebben ook een zendbrief aan hen geschreven,
181 11, 5 | en God aanroepende tot een rechtvaardige rechter,~
182 11, 11| 11 En als er een hevig gevecht geschiedde,
183 11, 13| 13 En hij ondernam ook een brug te slaan tegen een
184 11, 13| een brug te slaan tegen een sterke stad, die met muren
185 11, 16| ingenomen hebbende, doodden zij een onuitsprekelijke menigte,
186 11, 18| vertrokken zijnde, heeft hij een bezetting gelaten in zekere
187 11, 21| kinderen, en al de bagage naar een plaats genaamd Karnion,
188 11, 22| Judas zich vertoonde, en een verbaasdheid over de vijanden
189 11, 22| zo begaven zij zich met een gedruis op de vlucht, de
190 11, 27| leger gebracht voor Efron, een sterke stad, waarin een
191 11, 27| een sterke stad, waarin een grote menigte van allerlei
192 11, 27| zeer kloek, en daar was een grote voorraad van instrumenten
193 11, 35| 35 En een zekere Dositheüs, een ruiter
194 11, 35| En een zekere Dositheüs, een ruiter van die van Bakenor,
195 11, 35| ruiter van die van Bakenor, een kloek man, had Gorgias vast,
196 11, 35| wilde vangen, zo kwam daar een vervloekt mens van de Thracische
197 11, 36| de Here aan, dat hij als een medestrijder en een voorganger
198 11, 36| als een medestrijder en een voorganger in de strijd
199 11, 37| in zijn vaderlijke taal een geroep met lofzangen, viel
200 11, 40| vonden onder de rokken van een ieder der doden enige dingen,
201 11, 40| Joden verbiedt; en het werd een ieder openbaar, dat zij
202 11, 43| voorraad gemaakt hebbende uit een hoofdschatting, van tweeduizend
203 11, 45| godzalig ontslapen zijn, een zeer schone genade weggelegd
204 11, 46| 46 Een heilige en godzalige gedachte!
205 12, 2 | zijn zaken gesteld was, een ieder hebbende een Griekse
206 12, 2 | was, een ieder hebbende een Griekse macht van honderdentienduizend
207 12, 5 | 5 Daar was in die plaats een toren, vijftig ellen hoog,
208 12, 5 | hoog, vol was, in deze was een rond instrument, waarvan
209 12, 6 | 6 Zij stieten daarvan af een ieder, die aan kerkroof
210 12, 7 | 7 Met zulk een dood gebeurde het dat deze
211 12, 9 | koning door deze gedachten een barbaars gemoed gekregen
212 12, 11| dat hij het volk, dat nu een weinig adem had geschept,
213 12, 18| 18 De koning nu, een proef gekregen hebbende
214 12, 19| hij kwam tegen Bethsura, een sterke bezetting der Joden,
215 12, 21| 21 En Rodocus, een van het Joodse krijgsvolk,
216 12, 24| Makkabeüs, en benoemde hem tot een opperste veldoverste, van
217 13, 1 | Tripolis was ingevaren, met een sterke menigte en vloot;~
218 13, 3 | 3 En een zekere Alcimus, die tevoren
219 13, 4 | honderdeenenvijftigste jaar, hem brengende een gouden kroon, en een palmtak
220 13, 4 | brengende een gouden kroon, en een palmtak en bovendien ook
221 13, 6 | niet toe dat het koninkrijk een goede stand verkrijgt.~
222 13, 8 | opdat ik mijn eigen burgers een dienst zou doen, want door
223 13, 17| sloeg Nicanor, en werd een weinig verbaasd daarover,
224 13, 18| vreesde hij het te wagen door een slag.~
225 13, 21| 21 En zij stelden een dag, waarop zij in het bijzonder
226 13, 21| bijzonder zouden komen op een plaats, en van beide zijden
227 13, 21| van beide zijden werd er een stoel gebracht en men zette
228 13, 22| eniger tijd onvoorziens een schelmstuk zou geschieden;
229 13, 22| geschieden; en zo hebben zij een gevoegelijke samenspreking
230 13, 25| hij vermaande hem, dat hij een huisvrouw zou trouwen en
231 13, 25| leefde in stilheid en leidde een gewoon leven.~
232 13, 29| tegen te staan, zo nam hij een gelegen tijd waar, om het
233 13, 29| gelegen tijd waar, om het met een krijgslist te volbrengen.~
234 13, 31| dat hij door de man met een behendige krijgslist bedrogen
235 13, 33| ik deze tempel Gods tot een vlak veld maken en ik zal
236 13, 33| en zal daar weder bouwen een doorluchtige tempel ter
237 13, 34| aan die altijd geweest was een voorvechter van ons volk,
238 13, 37| 37 En een zekere Razis, van de ouderlingen
239 13, 37| ouderlingen te Jeruzalem, een man die de stad en burgers
240 13, 37| burgers liefhad, en die van een zeer goede naam was, en
241 13, 37| vanwege zijn goedertierenheid een vader der Joden was genoemd,
242 13, 38| bij geoordeeld, dat hij een oprecht Jood was, en hij
243 13, 45| stond hij op, zijn bloed als een fontein vloeiende, en zeer
244 13, 45| gewond zijnde, kwam met een loop door de scharen henen.~
245 13, 46| 46 En staande op een steile steenrots, en zijnde
246 14, 3 | schelmachtigste mens, of daar ook een Here in de hemel was, die
247 14, 4 | dezen antwoordden: Daar is een Here die leeft, deze is
248 14, 4 | leeft, deze is in de hemel een machtig prins, die gebeden
249 14, 5 | ander zeide: Ik ben ook een machtig prins op de aarde,
250 14, 6 | opstekende, had gedacht een algemeen teken van overwinning
251 14, 11| 11 En wapende zo een ieder van hen, niet zozeer
252 14, 11| daarbij verhaald hebbende een geloofwaardige droom, maakte
253 14, 12| hogepriesterschap had bediend, een eerlijk en goed man, eerbaar
254 14, 13| dat zo ook verschenen was een man met grauwe haren en
255 14, 15| rechterhand uitstekende, aan Judas een gouden zwaard gaf, en dit
256 14, 16| Neem dit heilige zwaard, een geschenk van God, met hetwelk
257 14, 20| gesteld was, en de beesten op een geschikte plaats waren besteld,
258 14, 29| 29 En een groot geroep en getier daar
259 14, 35| burcht, om voor allen te zijn een kennelijk en openbaar teken
260 14, 36| zij allen bepaalden met een algemeen besluit, dat zij
261 14, 39| dit wel, en gelijk het in een historie behoort, bijeen
262 14, 40| de wijn met water gemengd een zoete aangenaamheid geeft,
263 14, 40| water gemengd, zo is ook een bekwame beschrijving der
|