Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
edel 1
edele 1
eden 1
een 263
één 2
eendrachtig 1
eenparig 1
Frequency    [«  »]
328 dat
322 hij
280 het
263 een
254 in
233 zijn
225 te

Het tweede boek der Makkabeeën

IntraText - Concordances

een

    Chapter, Verse
1 1, 3 | 3 En geve u allen een hart om hem te dienen, en 2 1, 3 | om zijn wil te doen met een goed hart, en gewillige 3 1, 14| opdat hij het geld tot een huwelijksgift ontvangen 4 1, 16| ging in, en zij openden een geheime deur des gewelfs, 5 1, 16| stenen, doodden zij als door een bliksem de overste met de 6 1, 19| verbergden het in de holte van een put, die een droge grond 7 1, 19| de holte van een put, die een droge grond had, en hebben 8 1, 22| weder scheen, zo werd daar een groot vuur ontstoken, dat 9 1, 23| werd, deden de priesters een gebed, en al het volk, Jonathan 10 1, 24| wijze: Here, Here God, die een schepper zijt aller dingen, 11 1, 24| sterk, en rechtvaardig, en een ontfermen, gij die alleen 12 1, 27| niets geacht zijn, en als een gruwel gehouden worden; 13 1, 32| Hetwelk gedaan zijnde, is daar een vlam ontstoken, en als het 14 2, 5 | dat Jeremia daar komende, een woning in de spelonk gevonden 15 2, 9 | wijsheid begaafd zijnde, een offerande geofferd heeft 16 2, 10| Hoe ook Mozes tot de Here een gebed heeft gedaan, en dat 17 2, 13| van Nehemia; en hoe hij een bibliotheek aanleggende, 18 2, 24| zullen wij ondernemen in een boek kort te vervatten.~ 19 2, 27| niet licht geweest, maar een zaak vol zweten en waken.~ 20 2, 28| Gelijkerwijs het iemand, die een grote maaltijd toebereidt, 21 2, 28| maaltijd toebereidt, en die een ieder wel zoekt te dienen, 22 2, 30| 30 Gelijkerwijs een, die een nieuw huis wil 23 2, 30| 30 Gelijkerwijs een, die een nieuw huis wil bouwen, bekommerd 24 2, 30| over het ganse gebouw, en een, die met inbranden voorneemt 25 2, 32| 32 Doch een kort begrip van hetgeen 26 2, 32| zeggen is te vervolgen, en een bredere verklaring der zaken 27 2, 32| toe te laten degene, die een kort begrip van enig schrift 28 2, 33| bijvoegende. Want het zou een dwaze zaak zijn, dat iemand, 29 2, 33| zaak zijn, dat iemand, die een kort begrip van een geschiedenis 30 2, 33| die een kort begrip van een geschiedenis schrijft, meer 31 3, 4 | 4 En een zekere Simon, uit de stam 32 3, 4 | stam van Benjamin, die tot een overste van de tempel was 33 3, 11| 11 En dat een deel daarvan ook toebehoorde 34 3, 11| Hyrcanus, de zoon van Tobias, een man die in zeer grote hoogheid 35 3, 14| 14 En een dag gesteld hebbende, is 36 3, 24| geesten en van alle macht een grote openbaring gedaan, 37 3, 25| 25 Want door hen werd een paard gezien, met een zeer 38 3, 25| werd een paard gezien, met een zeer schoon dek versierd, 39 3, 25| schoon dek versierd, waarop een zat, die schrikkelijk was, 40 3, 25| en die daarop zat scheen een gouden harnas aan te hebben.~ 41 3, 26| die ook staande elk aan een van zijn zijden, hem zonder 42 3, 27| tezamen op, en zetten hem in een draagstoel;~ 43 3, 30| verheerlijkt had, en de tempel, die een weinig tevoren vol vreze, 44 3, 38| 38 Indien gij een vijand hebt, of een die 45 3, 38| gij een vijand hebt, of een die uw zaken lagen legt, 46 3, 38| der waarheid in die plaats een kracht Gods is.~ 47 4, 1 | De voorzeide Simon, die een verrader was geworden van 48 4, 3 | toegenomen was, dat ook door een dergenen, die Simon voor 49 4, 5 | 5 Niet om te zijn een beschuldiger van zijn burgers, 50 4, 8 | nog tachtig talenten uit een ander inkomen.~ 51 4, 9 | door zijn macht zichzelf een school en een oefenperk 52 4, 9 | macht zichzelf een school en een oefenperk der jeugd zou 53 4, 11| vader van Eupolemus, die een gezant was geweest, om met 54 4, 11| geweest, om met de Romeinen een verbond van vriendschap 55 4, 11| wettige regering verbroken, en een nieuwe onwettige wijze van 56 4, 12| 12 En als hij willekeurig een school had opgericht, dicht 57 4, 13| Zo was er onder de Joden een grote lust tot de Griekse 58 4, 13| tot de Griekse zeden, en een grote voortgang der vreemde 59 4, 16| oorzaak wil is over hen een zware ellende gekomen, dat 60 4, 19| driehonderd drachmen zilver tot een offerande van de afgod Herkules; 61 4, 25| hogepriesterschaps waardig was; maar een grimmig gemoed van een wrede 62 4, 25| maar een grimmig gemoed van een wrede tiran en een verbolgenheid 63 4, 25| gemoed van een wrede tiran en een verbolgenheid van een wild 64 4, 25| en een verbolgenheid van een wild barbaars beest hebbende.~ 65 4, 26| bedrog uitgeworpen had door een ander weder met bedrog uitgeworpen 66 4, 29| 29 Zo heeft Menelaüs tot een verzorger van het hogepriesterschap 67 4, 30| geraakten, omdat zij tot een geschenk gegeven waren aan 68 4, 31| latende in zijn plaats tot een voorzorger Andronicus, een 69 4, 31| een voorzorger Andronicus, een van degenen die in hoogheid 70 4, 32| Menelaüs, achtende, dat hij nu een welgelegen tijd bekomen 71 4, 33| nadat hij vertrokken was in een vrije plaats, te Dafne, 72 4, 40| onrechtvaardige handen, door een overste, die een tiran en 73 4, 40| handen, door een overste, die een tiran en oud van jaren was, 74 4, 46| heeft de koning, die in een galerij was gegaan om zich 75 4, 48| Zo hebben dan haastelijk een onrechtvaardige straf geleden 76 4, 50| boosheid, en is geworden een groot verrader der burgers.~ ~ 77 5, 3 | en beweging der schilden, een grote menigte van spiesen, 78 5, 5 | 5 En als er een vals gerucht gekomen was, 79 5, 5 | hebbende, heeft terstond een inval gedaan in de stad; 80 5, 8 | vervolgd zijnde en gehaat, als een die van de wet was afgevallen; 81 5, 8 | afgevallen; en vervloekt als een beul van zijn vaderland 82 5, 10| 10 En hij, die een menigte onbegraven had weggeworpen, 83 5, 13| 13 En er geschiedde een grote moord van jongen en 84 5, 15| aardbodem, hebbende tot een leidsman Menelaüs, die een 85 5, 15| een leidsman Menelaüs, die een verrader was geworden, zo 86 5, 17| de stad woonden, de Here een kleine tijd vertoornd was 87 5, 22| Jeruzalem, die van afkomst een Frygiër was, en veel barbaarser 88 5, 24| tegen de Joodse burgers een vijandig hart, en zond een 89 5, 24| een vijandig hart, en zond een gehate overste, Apollonius, 90 5, 24| overste, Apollonius, met een leger van tweeentwintigduizend 91 5, 26| met wapenen lopende, heeft een grote menigte vermoord.~ 92 6, 1 | lang daarna zond de koning een oud man van Athene, om de 93 6, 6 | noch ook enigszins bekennen een Jood te wezen.~ 94 6, 7 | 7 En zij werden door een bittere noodwendigheid gedwongen, 95 6, 8 | bestelling van Ptolomeüs, een plakkaat uitgegaan, dat 96 6, 11| vuur verbrand, omdat zij er een gewetenszaak van maakten 97 6, 13| 13 Want het is een teken van grote goeddadigheid, 98 6, 18| 18 Een zekere Eleazar, een van 99 6, 18| 18 Een zekere Eleazar, een van de voornaamste schriftgeleerden, 100 6, 18| voornaamste schriftgeleerden, een man die verre op zijn dagen 101 6, 19| 19 Deze, liever hebbende een dood met ere, dan het leven 102 6, 20| zich uitspuwende, op zulk een wijze als het degenen betaamt, 103 6, 23| 23 Maar hij nemende een eerlijk besluit, dat zijn 104 6, 25| verleid worden; en ik zo een vloek en een schandvlek 105 6, 25| worden; en ik zo een vloek en een schandvlek op mijn ouderdom 106 6, 28| 28 En zal de jongelieden een heerlijk voorbeeld nalaten, 107 6, 28| wetten gewillig en kloek een eerlijke dood te sterven. 108 6, 29| goedwilligheid, die zij een weinig tevoren tot hem gehad 109 6, 30| zuchtende: Aan de Here, die een heilige wetenschap heeft, 110 6, 31| merendeel van zijn volk, tot een voorbeeld van kloekmoedigheid, 111 6, 31| kloekmoedigheid, en tot een gedachtenis der deugd nalatende.~ ~ 112 7, 2 | 2 En een hunner, die voor de anderen 113 7, 9 | zijn wetten sterven, tot een eeuwige opstanding des levens 114 7, 21| 21 Want zij vermaande een ieder hunner in haar vaderlijke 115 7, 21| spraak, vervuld zijnde met een kloekmoedig verstand, haar 116 7, 21| vrouwelijke overlegging met een mannelijk gemoed opwekkende;~ 117 7, 22| eerste beginselen, waaruit een ieder van u bestaat, bijeengeschikt;~ 118 7, 24| niet alleen met woorden een vermaning aan hem, maar 119 7, 24| wetten, en dat hij hem voor een vriend zou houden, en ambten 120 7, 31| 31 Maar gij, koning die een vinder zijt van alle kwaad 121 7, 33| tuchtiging en kastijding wil, een korte tijd toornig is, bij 122 7, 36| 36 Want onze broeders, een korte pijn geleden hebbende, 123 8, 5 | 5 En als Judas Makkabeüs een leger verzameld had, werd 124 8, 9 | de zoon van Patroclus, een van de voornaamste vrienden, 125 8, 9 | hem toegevoegd Gorgias, een man die een overste was, 126 8, 9 | toegevoegd Gorgias, een man die een overste was, goede ervaring 127 8, 11| negentig slaven zou geven voor een talent; niet verwachtende 128 8, 23| heilig boek, en hun tot een leus gegeven had: DOOR DE 129 8, 29| verricht hadden, hielden zij een algemene biddag, en baden 130 8, 30| hoge sterkten, en deelden een grote buit, makende gelijke 131 8, 32| die bij Timotheüs was, een zeer goddeloos man, die 132 8, 33| als zij in het vaderland een dankdag hielden over de 133 8, 33| gestoken, vluchtende in een huisje, verbrand; en zo 134 8, 35| Middellandse zee, gelijk een slaaf die zijn heer ontloopt, 135 8, 36| verkondigde dat de Joden God tot een voorvechter hadden; en dat 136 9, 2 | gedreven was, dat hij op een schandelijke wijze vertrok.~ 137 9, 4 | zal Jeruzalem maken tot een begraafplaats der Joden, 138 9, 5 | van Israël, sloeg hem met een ongeneeslijke en onzienlijke 139 9, 5 | geëindigd had, heeft hem een ongeneeslijke pijn der ingewanden 140 9, 7 | snel voortreed, en dat hij een zware val doende, al de 141 9, 8 | te willen gebieden, met een vermetelheid, die de menselijke 142 9, 8 | hij de hoogste bergen met een schaal zou wegen, als hij 143 9, 8 | op de aarde was, werd in een rosbaar gedragen, de openbare 144 9, 10| 10 Zodat hem, die een weinig tevoren de sterren 145 9, 12| onderwerpe, en dat iemand, een sterfelijk mens zijnde, 146 9, 14| gronde uit te roeien, en tot een grafplaats te maken, vrij 147 9, 15| voorgenomen had zelfs niet met een begrafenis te verwaardigen, 148 9, 15| verwaardigen, maar de vogels tot een aas, en de wilde beesten, 149 9, 17| dat hij daarenboven ook een Jood zou zijn, en dat hij 150 9, 18| ondergeschreven brief, hebbende een wijze van afbidding, van 151 9, 22| Perzië, en gevallen zijnde in een krankheid, die haar zwarigheid 152 9, 23| ook in die bovenplaatsen een leger voerde, verklaarde 153 9, 26| algemeen en bijzonder gedaan, een ieder van u behoude de goedgunstigheid, 154 9, 28| anderen ook had aangedaan, in een vreemd land, in het gebergte, 155 9, 28| land, in het gebergte, door een zeer ellendige dood, het 156 10, 3 | hadden gereinigd, hebben zij een ander altaar gemaakt, en 157 10, 6 | loofhutten, gedachtenis hoe zij een weinig tijds tevoren op 158 10, 8 | 8 En maakten een besluit, door een algemeen 159 10, 8 | maakten een besluit, door een algemeen gebod en toestemming 160 10, 11| stelde over zijn zaken een zekere Lysias, die de opperste 161 10, 13| dikwijls moetende horen dat hij een verrader was, omdat hij 162 10, 16| die met Makkabeüs waren, een biddag gehouden en God gebeden 163 10, 16| wilde helpen strijden, deden een aanval op de sterkten der 164 10, 18| van alles wat nodig was om een belegering te doorstaan,~ 165 10, 24| was, vergaderd hebbende een zeer grote menigte van vreemd 166 10, 28| elkander slag; dezen hadden tot een waarborg van de voorspoed 167 10, 28| stelden daartegen hun moed tot een overste van de strijd.~ 168 10, 29| 29 Als er nu een zeer hevige strijd was, 169 10, 32| Timotheüs zelf vluchtte in een zeer wel bezette sterkte, 170 10, 35| en zeer manmoedig en met een ontstoken gemoed allen die 171 10, 37| Timotheüs, verscholen in een kuil, en zijn broeder Chereas 172 10, 40| 1 En een zeer weinig tijds daarna, 173 10, 41| hebbende de stad te maken tot een woonplaats der heidenen;~ 174 10, 44| genaakte Bethsura, zijnde een vaste plaats, gelegen van 175 10, 45| tranen de Here, dat hij een goede engel wilde zenden 176 10, 47| En zij deden gezamenlijk een kloekmoedige aanval; en 177 10, 47| Jeruzalem waren, is hun een te paard zittende verschenen, 178 10, 49| trokken in slagorde, hebbende een uit de hemel, die hen zou 179 10, 58| ook voortaan trachten om een oorzaak te zijn van uw welvaren.~ 180 10, 73| 34 De Romeinen hebben ook een zendbrief aan hen geschreven, 181 11, 5 | en God aanroepende tot een rechtvaardige rechter,~ 182 11, 11| 11 En als er een hevig gevecht geschiedde, 183 11, 13| 13 En hij ondernam ook een brug te slaan tegen een 184 11, 13| een brug te slaan tegen een sterke stad, die met muren 185 11, 16| ingenomen hebbende, doodden zij een onuitsprekelijke menigte, 186 11, 18| vertrokken zijnde, heeft hij een bezetting gelaten in zekere 187 11, 21| kinderen, en al de bagage naar een plaats genaamd Karnion, 188 11, 22| Judas zich vertoonde, en een verbaasdheid over de vijanden 189 11, 22| zo begaven zij zich met een gedruis op de vlucht, de 190 11, 27| leger gebracht voor Efron, een sterke stad, waarin een 191 11, 27| een sterke stad, waarin een grote menigte van allerlei 192 11, 27| zeer kloek, en daar was een grote voorraad van instrumenten 193 11, 35| 35 En een zekere Dositheüs, een ruiter 194 11, 35| En een zekere Dositheüs, een ruiter van die van Bakenor, 195 11, 35| ruiter van die van Bakenor, een kloek man, had Gorgias vast, 196 11, 35| wilde vangen, zo kwam daar een vervloekt mens van de Thracische 197 11, 36| de Here aan, dat hij als een medestrijder en een voorganger 198 11, 36| als een medestrijder en een voorganger in de strijd 199 11, 37| in zijn vaderlijke taal een geroep met lofzangen, viel 200 11, 40| vonden onder de rokken van een ieder der doden enige dingen, 201 11, 40| Joden verbiedt; en het werd een ieder openbaar, dat zij 202 11, 43| voorraad gemaakt hebbende uit een hoofdschatting, van tweeduizend 203 11, 45| godzalig ontslapen zijn, een zeer schone genade weggelegd 204 11, 46| 46 Een heilige en godzalige gedachte! 205 12, 2 | zijn zaken gesteld was, een ieder hebbende een Griekse 206 12, 2 | was, een ieder hebbende een Griekse macht van honderdentienduizend 207 12, 5 | 5 Daar was in die plaats een toren, vijftig ellen hoog, 208 12, 5 | hoog, vol was, in deze was een rond instrument, waarvan 209 12, 6 | 6 Zij stieten daarvan af een ieder, die aan kerkroof 210 12, 7 | 7 Met zulk een dood gebeurde het dat deze 211 12, 9 | koning door deze gedachten een barbaars gemoed gekregen 212 12, 11| dat hij het volk, dat nu een weinig adem had geschept, 213 12, 18| 18 De koning nu, een proef gekregen hebbende 214 12, 19| hij kwam tegen Bethsura, een sterke bezetting der Joden, 215 12, 21| 21 En Rodocus, een van het Joodse krijgsvolk, 216 12, 24| Makkabeüs, en benoemde hem tot een opperste veldoverste, van 217 13, 1 | Tripolis was ingevaren, met een sterke menigte en vloot;~ 218 13, 3 | 3 En een zekere Alcimus, die tevoren 219 13, 4 | honderdeenenvijftigste jaar, hem brengende een gouden kroon, en een palmtak 220 13, 4 | brengende een gouden kroon, en een palmtak en bovendien ook 221 13, 6 | niet toe dat het koninkrijk een goede stand verkrijgt.~ 222 13, 8 | opdat ik mijn eigen burgers een dienst zou doen, want door 223 13, 17| sloeg Nicanor, en werd een weinig verbaasd daarover, 224 13, 18| vreesde hij het te wagen door een slag.~ 225 13, 21| 21 En zij stelden een dag, waarop zij in het bijzonder 226 13, 21| bijzonder zouden komen op een plaats, en van beide zijden 227 13, 21| van beide zijden werd er een stoel gebracht en men zette 228 13, 22| eniger tijd onvoorziens een schelmstuk zou geschieden; 229 13, 22| geschieden; en zo hebben zij een gevoegelijke samenspreking 230 13, 25| hij vermaande hem, dat hij een huisvrouw zou trouwen en 231 13, 25| leefde in stilheid en leidde een gewoon leven.~ 232 13, 29| tegen te staan, zo nam hij een gelegen tijd waar, om het 233 13, 29| gelegen tijd waar, om het met een krijgslist te volbrengen.~ 234 13, 31| dat hij door de man met een behendige krijgslist bedrogen 235 13, 33| ik deze tempel Gods tot een vlak veld maken en ik zal 236 13, 33| en zal daar weder bouwen een doorluchtige tempel ter 237 13, 34| aan die altijd geweest was een voorvechter van ons volk, 238 13, 37| 37 En een zekere Razis, van de ouderlingen 239 13, 37| ouderlingen te Jeruzalem, een man die de stad en burgers 240 13, 37| burgers liefhad, en die van een zeer goede naam was, en 241 13, 37| vanwege zijn goedertierenheid een vader der Joden was genoemd, 242 13, 38| bij geoordeeld, dat hij een oprecht Jood was, en hij 243 13, 45| stond hij op, zijn bloed als een fontein vloeiende, en zeer 244 13, 45| gewond zijnde, kwam met een loop door de scharen henen.~ 245 13, 46| 46 En staande op een steile steenrots, en zijnde 246 14, 3 | schelmachtigste mens, of daar ook een Here in de hemel was, die 247 14, 4 | dezen antwoordden: Daar is een Here die leeft, deze is 248 14, 4 | leeft, deze is in de hemel een machtig prins, die gebeden 249 14, 5 | ander zeide: Ik ben ook een machtig prins op de aarde, 250 14, 6 | opstekende, had gedacht een algemeen teken van overwinning 251 14, 11| 11 En wapende zo een ieder van hen, niet zozeer 252 14, 11| daarbij verhaald hebbende een geloofwaardige droom, maakte 253 14, 12| hogepriesterschap had bediend, een eerlijk en goed man, eerbaar 254 14, 13| dat zo ook verschenen was een man met grauwe haren en 255 14, 15| rechterhand uitstekende, aan Judas een gouden zwaard gaf, en dit 256 14, 16| Neem dit heilige zwaard, een geschenk van God, met hetwelk 257 14, 20| gesteld was, en de beesten op een geschikte plaats waren besteld, 258 14, 29| 29 En een groot geroep en getier daar 259 14, 35| burcht, om voor allen te zijn een kennelijk en openbaar teken 260 14, 36| zij allen bepaalden met een algemeen besluit, dat zij 261 14, 39| dit wel, en gelijk het in een historie behoort, bijeen 262 14, 40| de wijn met water gemengd een zoete aangenaamheid geeft, 263 14, 40| water gemengd, zo is ook een bekwame beschrijving der


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License