Chapter, Verse
1 1, 1 | die in het land van Judea zijn, wensen de broeders, de
2 1, 1 | de Joden, die in Egypte zijn, voorspoed en goede vrede.~
3 1, 2 | ulieden goed en gedenke aan zijn verbond dat Hij gemaakt
4 1, 2 | Abraham, Izaäk en Jakob, zijn getrouwe dienstknechten.~
5 1, 3 | om hem te dienen, en om zijn wil te doen met een goed
6 1, 4 | 4 En opene uw hart in zijn wet, en in zijn geboden,
7 1, 4 | hart in zijn wet, en in zijn geboden, en geve u vrede.~
8 1, 6 | 6 Nu zijn wij ook hier voor u biddende.~
9 1, 7 | heilige land en het koninkrijk zijn afgeweken.~
10 1, 8 | Here baden, en verhoord zijn, en offerden slachtofferen,
11 1, 10| in Jeruzalem en in Judea zijn, en de raad der ouden, en
12 1, 10| andere Joden, die in Egypte zijn, voorspoed en gezondheid.~
13 1, 13| overste, komende in Perzië, en zijn krijgsmacht, die onwederstandelijk
14 1, 13| onwederstandelijk scheen te wezen, zijn geslagen in de tempel van
15 1, 14| 14 Want als Antiochus, en zijn vrienden met hem, in die
16 1, 27| degenen, die als niets geacht zijn, en als een gruwel gehouden
17 2, 7 | die plaats onbekend zou zijn, en dat hij zou verzoend
18 2, 14| bijeenvergaderd; en die zijn bij ons.~
19 2, 17| 17 En God, die al zijn volk heeft behouden, en
20 2, 18| landen, die onder de hemel zijn, weder zal bijeenbrengen
21 2, 20| van Judas Makkabeüs, en zijn broeders, en de reiniging
22 2, 21| tegen Antiochus Epifanes, en zijn zoon Eupator,~
23 2, 22| die van de hemel geschied zijn aan degenen, die voor het
24 2, 23| wetten, die haast zouden zijn teniet gegaan, weder opgericht
25 2, 23| gegaan, weder opgericht zijn; dewijl de Here met alle
26 2, 26| en degenen die begerig zijn om wel te onthouden, enige
27 2, 30| wil bouwen, bekommerd moet zijn over het ganse gebouw, en
28 2, 31| te gebruiken, en bezig te zijn in het verhaal van alle
29 2, 33| Want het zou een dwaze zaak zijn, dat iemand, die een kort
30 2, 33| overvloedig in woorden zou zijn dan de geschiedenis zelf.~ ~
31 3, 3 | Seleucus, koning van Azië uit zijn eigen inkomsten al de onkosten
32 3, 7 | verkoren hebbende, die over zijn geld gesteld was, gezonden
33 3, 16| aangezicht aanzag, die werd in zijn gemoed verwonderd, want
34 3, 16| gemoed verwonderd, want zijn aangezicht en de kleur,
35 3, 16| kennen de benauwdheid, die in zijn ziel was.~
36 3, 17| klaar de weemoed die in zijn hart was degenen, die hem
37 3, 21| de grote hogepriester in zijn benauwdheid was.~
38 3, 25| hetwelk sterk rennende zijn voorste voeten op Heliodorus
39 3, 26| staande elk aan een van zijn zijden, hem zonder ophouden
40 3, 30| prezen de Here, dat hij deze zijn plaats verheerlijkt had,
41 3, 33| hogepriester de verzoening deed, zijn dezelfde jongelingen weder
42 3, 34| deze dingen gezegd hadden, zijn zij verdwenen.~
43 3, 36| grote God, die hijzelf met zijn ogen gezien had.~
44 3, 37| vraagde, wie bekwaam zou zijn om nog eens naar Jeruzalem
45 4, 1 | geworden van het geld en van zijn vaderland, sprak kwalijk
46 4, 2 | gedaan had, en die voor zijn volk grote zorg droeg, en
47 4, 3 | dergenen, die Simon voor zijn vertrouwde vrienden hield,
48 4, 5 | 5 Niet om te zijn een beschuldiger van zijn
49 4, 5 | zijn een beschuldiger van zijn burgers, maar ziende op
50 4, 5 | bijzonder, dienstig zou zijn.~
51 4, 6 | Simon niet zou ophouden van zijn razernij.~
52 4, 9 | toegelaten worden, dat hij door zijn macht zichzelf een school
53 4, 10| had, zo heeft hij terstond zijn volk gebracht tot de wijze
54 4, 21| vernemende dat hij van zijn zaken vervreemd was, zorg
55 4, 21| was, zorg gedragen voor zijn verzekerdheid; waarom hij
56 4, 22| zijnde, zo is hij daarna met zijn krijgsvolk getrokken naar
57 4, 24| geworden zijnde, als hij in zijn aangezicht zijn macht zeer
58 4, 24| als hij in zijn aangezicht zijn macht zeer verheven had,
59 4, 26| 26 En Jason, die zijn eigen broeder met bedrog
60 4, 29| hogepriesterschap Lysimachus, zijn broeder, gelaten, en Sostrates
61 4, 29| gelaten, en Sostrates liet in zijn plaats Crates, de overste
62 4, 31| zaken te stillen, latende in zijn plaats tot een voorzorger
63 4, 34| hebbende Andronicus op zijn zijde gekregen, hem vermaand
64 4, 38| 38 En in zijn gemoed met gramschap ontstoken
65 4, 38| purperen kleed afgenomen, en zijn rokken verscheurd en hem
66 4, 47| onschuldigen zouden vrijgesproken zijn, tot de dood verwezen.~
67 5, 1 | dezelfde tijd deed Antiochus zijn tweede tocht naar Egypte.~
68 5, 4 | ten goede mocht geschied zijn.~
69 5, 6 | 6 En Jason sloeg zijn eigen burgers dood, zonder
70 5, 6 | denkende dat de voorspoed tegen zijn eigen bloedverwanten de
71 5, 6 | overwinning oprichtte, niet van zijn medeburgers, maar van zijn
72 5, 6 | zijn medeburgers, maar van zijn vijanden.~
73 5, 7 | niet; maar als einde van zijn bedriegelijkheid schande
74 5, 8 | Ten laatste dan kreeg hij zijn loon bij Aretas de koning
75 5, 8 | vervloekt als een beul van zijn vaderland en zijn burgers,
76 5, 8 | beul van zijn vaderland en zijn burgers, is hij naar Egypte
77 5, 11| Egypte trok, vergrimd in zijn gemoed, en heeft de stad
78 5, 16| 16 En met zijn onreine handen de heilige
79 5, 16| plaats geschonken was, met zijn goddeloze handen wegrovende,~
80 5, 17| 17 Zo werd Antiochus in zijn gemoed zeer hovaardig, niet
81 5, 18| was, gegeseld zijnde, van zijn stoutheid afgekeerd geweest
82 5, 18| stoutheid afgekeerd geweest zijn.~
83 5, 21| Antiochië, menende naar zijn hoogmoed de aarde te maken,
84 5, 21| door de hovaardigheid van zijn hart.~
85 6, 12| dat deze straffen niet zijn tot verderf, maar tot kastijding
86 6, 14| als hun zonden vervuld zijn.~
87 6, 15| goedgevonden tegen ons te zijn; opdat niet, wanneer onze
88 6, 15| zonden tot het einde gekomen zijn, hij ten laatste wraak over
89 6, 16| 16 Daarom neemt hij zijn barmhartigheid nimmer van
90 6, 16| barmhartigheid nimmer van ons weg, en zijn eigen volk met tegenspoed
91 6, 18| schriftgeleerden, een man die verre op zijn dagen gekomen was, en zeer
92 6, 18| aangezicht, werd genoodzaakt zijn mond open te doen, en varkensvlees
93 6, 20| dingen, welke niet geoorloofd zijn te proeven, om de liefde
94 6, 23| een eerlijk besluit, dat zijn jaren en voortreffelijkheid
95 6, 23| des ouderdoms betaamde, en zijn grauwe haren, die hij met
96 6, 23| met ere had verkregen, en zijn eerlijke opvoeding, die
97 6, 23| eerlijke opvoeding, die hij van zijn jeugd aan had gehad, ja
98 6, 27| deze ouderdom waardig te zijn,~
99 6, 29| achtten uitzinnigheid te zijn.~
100 6, 31| wijze is hij gestorven, zijn dood niet alleen de jongelieden,
101 6, 31| maar ook het merendeel van zijn volk, tot een voorbeeld
102 7, 2 | van ons weten? want wij zijn bereid liever te sterven,
103 7, 4 | vel rondom aftrekken, en zijn uiterste leden afhouwen,
104 7, 5 | koning dat men hem, die nog zijn adem haalde, aan het vuur
105 7, 6 | worden; gelijk Mozes in zijn lied, hetwelk hij tegen
106 7, 6 | verklaart, zeggende: en over zijn dienstknechten zal hij vertroost
107 7, 8 | 8 Doch hij antwoordde in zijn vaderlijke taal, en zeide
108 7, 9 | wereld zal ons, die voor zijn wetten sterven, tot een
109 7, 10| derde bespot, en als zij zijn tong eisten, stak hij die
110 7, 10| terstond uit, en hij strekte zijn handen zeer vrijmoedig uit;~
111 7, 11| verkregen, en dit veracht ik om zijn wetten, en ik hoop dat ik
112 7, 14| geen opstanding ten leven zijn.~
113 7, 18| gezondigd hebben; want daar zijn aan ons dingen geschied
114 7, 18| die verwondering waardig zijn.~
115 7, 19| dat gij onschuldig zult zijn, dewijl gij het gewaagd
116 7, 20| haar zeven zonen op één dag zijn omgebracht, om de hoop die
117 7, 25| jongeling zou raden tot zijn behoudenis.~
118 7, 30| konings gebod niet gehoorzaam zijn, maar ik zal gehoorzaam
119 7, 30| maar ik zal gehoorzaam zijn het gebod der wet, die onze
120 7, 33| bij zal nochtans weer met zijn dienstknechten verzoend
121 7, 36| korte pijn geleden hebbende, zijn gestorven onder het verbond
122 7, 37| haast ons volk wil genadig zijn, en dat gij door pijnigingen
123 8, 4 | de lasteringen, die tegen zijn naam geschied waren, zijn
124 8, 4 | zijn naam geschied waren, zijn haat wilde betonen tegen
125 8, 7 | lagen; en het gerucht van zijn dapperheid verspreidde zich
126 8, 13| gerechtigheid van God, maar zijn herwaarts en derwaarts gevloden,
127 8, 15| gemaakt had, en omdat zij naar zijn eerwaardige en voortreffelijke
128 8, 16| wil niet zouden verslagen zijn, niet vrezen de grote menigte
129 8, 22| 22 Heeft hij zijn krijgsvolk in vier hopen
130 8, 22| in vier hopen gesteld, en zijn broeders aangesteld tot
131 8, 29| dat hij tot het einde toe zijn dienstknechten zou willen
132 8, 29| dienstknechten zou willen genadig zijn.~
133 8, 35| zijnde door degenen, die naar zijn achting de minste waren,
134 8, 35| de hulp des Heren, legde zijn heerlijke kleding af, en
135 8, 35| zee, gelijk een slaaf die zijn heer ontloopt, en kwam te
136 8, 35| zijnde na het verlies van zijn leger.~
137 8, 36| die door hem geordineerd zijn.~ ~
138 9, 4 | 4 Waarom hij, in zijn gemoed verbolgen wordende,
139 9, 4 | en daarom gelastte hij zijn voerman, dat hij zonder
140 9, 4 | als ik daar zal gekomen zijn.~
141 9, 7 | liet daarom niet af van zijn hoogspreken, maar hij was
142 9, 7 | vervuld, vuur blazende in zijn gramschap tegen de Joden,
143 9, 7 | doende, al de leden van zijn lichaam verdraaid werden.~
144 9, 9 | wormen voortkwamen, en dat zijn vlees, terwijl bij nog in
145 9, 9 | van hem afviel; en dat van zijn reuk het ganse leger bezwaard
146 9, 12| 12 En zijn eigen stank ook niet kunnende
147 9, 12| niet denke God gelijk te zijn.~
148 9, 16| weergeven, en dat hij uit zijn eigen inkomsten de onkosten,
149 9, 17| daarenboven ook een Jood zou zijn, en dat hij zou gaan door
150 9, 19| Antiochus, de Joden, aan zijn burgers, voorspoed, gezondheid
151 9, 23| voerde, verklaarde wie in zijn plaats zou komen;~
152 9, 24| zaken van het rijk gelaten zijn, en zij niet ontroerd worden.~
153 9, 25| en naburen van het rijk zijn, op de gelegen tijden letten
154 10, 7 | voorspoed had gegeven, dat deze zijn plaats zou gereinigd worden.~
155 10, 11| ontvangen hebbende, stelde over zijn zaken een zekere Lysias,
156 10, 26| dat hij hun wilde genadig zijn, en dat hij vijandig zou
157 10, 26| hij vijandig zou willen zijn tegen hun vijanden, en degenen
158 10, 29| zeer hevige strijd was, zijn de vijanden uit de hemel
159 10, 37| verscholen in een kuil, en zijn broeder Chereas en Apollofanes.~
160 10, 43| maar hoogmoedig zijnde op zijn vele duizenden te voet,
161 10, 47| voorreed, in witte kleding, en zijn gouden wapenrusting schuddende.~
162 10, 56| Absalom, die door u afgezonden zijn, als zij de ondergeschreven
163 10, 58| trachten om een oorzaak te zijn van uw welvaren.~
164 10, 61| De koning Antiochus wenst zijn broeder Lysias voorspoed.~
165 10, 62| degenen, die in ons koninkrijk zijn, buiten alle beroerten hun
166 10, 63| dat de Joden niet tevreden zijn met de verandering van mijn
167 10, 64| ook buiten de beroerte zal zijn, en bevelen, dat hun de
168 10, 65| wetende, goedsmoeds mogen zijn, en met vreugde hun eigen
169 10, 67| welvarende zijt, dat zal zijn gelijk wij willen; wij zijn
170 10, 67| zijn gelijk wij willen; wij zijn in goede gezondheid.~
171 10, 69| dan, die tot ons afgekomen zijn tot de dertigste dag der
172 10, 70| onvoorzichtig zou mogen gedaan zijn.~
173 11, 5 | dat deze wreedheid tegen zijn landslieden begaan was,
174 11, 10| tegen Timotheüs maakten, zo zijn de Arabieren, sterk zijnde
175 11, 11| zouden, en hun bevorderlijk zijn in alles.~
176 11, 12| vele zaken zouden dienstig zijn, heeft toegestaan dat men
177 11, 12| rechterhand ontvangen hadden, zijn zij vertrokken in hun tenten.~
178 11, 16| vloeien, en daarmee vervuld te zijn.~
179 11, 20| 20 En Judas Makkabeüs, zijn leger in slag-orden gesteld
180 11, 25| als hij met vele woorden zijn toezegging verzekerd had,
181 11, 27| van deze, heeft hij ook zijn leger gebracht voor Efron,
182 11, 31| volk goedgunstig zouden zijn, en als het feest der weken
183 11, 31| der weken aanstaande was, zijn zij te Jeruzalem wedergekomen.~
184 11, 35| Gorgias vast, en hem bij zijn rok vattende, leidde hem
185 11, 35| ruiters op hem aanvallen, en zijn schouder afhouwende, ontvluchtte
186 11, 37| 37 En beginnende in zijn vaderlijke taal een geroep
187 11, 38| 38 En Judas, zijn krijgsvolk bijeen vergaderd
188 11, 42| zij zonder zonde mochten zijn, als die voor hun ogen hadden
189 11, 44| tevergeefs en dwaas geweest zijn voor de doden te bidden)~
190 11, 45| die godzalig ontslapen zijn, een zeer schone genade
191 12, 2 | 2 En met hem Lysias, zijn hofmeester en die over zijn
192 12, 2 | zijn hofmeester en die over zijn zaken gesteld was, een ieder
193 12, 8 | as, en daarom heeft bij zijn dood in de as gevonden.~
194 12, 14| regering sloeg omtrent Modin zijn leger op.~
195 12, 15| 15 En zijn volk tot leus gegeven hebbende:
196 12, 16| verwarring vervuld hebbende, zijn zij met voorspoed vertrokken.~
197 12, 23| Antiochië gelaten had om zijn zaken te doen, afgevallen
198 13, 2 | nadat hij Antiochus en zijn hofmeester Lysias had omgebracht.~
199 13, 4 | meende van de tempel te zijn, en hield zich stil op die
200 13, 5 | tijd verkregen hebbende om zijn dwaasheden uit te voeren,
201 13, 14| hun eigen voorspoed zou zijn.~
202 13, 15| hem, die tot in eeuwigheid zijn volk had bevestigd, en die
203 13, 15| bevestigd, en die altijd zijn erfdeel met verschijning
204 13, 22| bekwame plaatsen, om gereed te zijn, opdat van de vijanden niet
205 13, 26| verordineerd dat hij in zijn plaats zal komen.~
206 13, 32| gezocht werd, zo heeft hij, zijn hand uitstrekkende naar
207 13, 35| uwer woning bij ons zou zijn.~
208 13, 37| goede naam was, en vanwege zijn goedertierenheid een vader
209 13, 38| oprecht Jood was, en hij had zijn lichaam en ziel gesteld
210 13, 42| en smaadheid lijden, die zijn eerlijk geslacht onbetamelijk
211 13, 44| het midden te vallen op zijn buik.~
212 13, 45| hij nog ademhaalde, en in zijn gemoed zeer ontstoken was,
213 13, 45| ontstoken was, stond hij op, zijn bloed als een fontein vloeiende,
214 13, 46| bloed geworden, trok hij zijn ingewanden uit, en die met
215 14, 5 | volbrengen. En nochtans kon hij zijn ellendigen raadslag niet
216 14, 6 | met alle hovaardigheid zijn hals opstekende, had gedacht
217 14, 12| 12 En aldus was zijn gezicht: dat Onias, die
218 14, 12| zachtzinnig, en betamelijk zijn rede voortbrengende, en
219 14, 13| heerlijk uitblinkende, en dat zijn uitnemendheid, die bij hem
220 14, 14| de profeet van God, die zijn broeders liefheeft, en die
221 14, 21| der beesten, opheffende zijn handen naar de hemel, de
222 14, 21| oordeelt dit waardig te zijn.~
223 14, 24| met godslastering gekomen zijn tegen uw heilig volk. En
224 14, 28| tevoren gevallen was met zijn wapenrusting.~
225 14, 30| lichaam en ziel, die in zijn jaren de goedgunstigheid
226 14, 30| de goedgunstigheid jegens zijn eigen volk altijd bewaard
227 14, 30| het hoofd van Nicanor, en zijn hand met de schouder zou
228 14, 31| en tezamen geroepen had zijn volk, en de priesters, staande
229 14, 33| deze als beloningen van zijn dwaasheid tegenover de tempel
230 14, 34| zeggende: Gezegend moet hij zijn, die zijn plaats onbesmet
231 14, 34| Gezegend moet hij zijn, die zijn plaats onbesmet heeft bewaard.~
232 14, 35| burcht, om voor allen te zijn een kennelijk en openbaar
233 14, 38| Nicanor aldus afgelopen zijn, en van die tijden af de
|