Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
zij 196
zijde 1
zijden 2
zijn 233
zijnde 76
zijnen 2
zijnentwil 1
Frequency    [«  »]
280 het
263 een
254 in
233 zijn
225 te
212 met
196 zij

Het tweede boek der Makkabeeën

IntraText - Concordances

zijn

    Chapter, Verse
1 1, 1 | die in het land van Judea zijn, wensen de broeders, de 2 1, 1 | de Joden, die in Egypte zijn, voorspoed en goede vrede.~ 3 1, 2 | ulieden goed en gedenke aan zijn verbond dat Hij gemaakt 4 1, 2 | Abraham, Izaäk en Jakob, zijn getrouwe dienstknechten.~ 5 1, 3 | om hem te dienen, en om zijn wil te doen met een goed 6 1, 4 | 4 En opene uw hart in zijn wet, en in zijn geboden, 7 1, 4 | hart in zijn wet, en in zijn geboden, en geve u vrede.~ 8 1, 6 | 6 Nu zijn wij ook hier voor u biddende.~ 9 1, 7 | heilige land en het koninkrijk zijn afgeweken.~ 10 1, 8 | Here baden, en verhoord zijn, en offerden slachtofferen, 11 1, 10| in Jeruzalem en in Judea zijn, en de raad der ouden, en 12 1, 10| andere Joden, die in Egypte zijn, voorspoed en gezondheid.~ 13 1, 13| overste, komende in Perzië, en zijn krijgsmacht, die onwederstandelijk 14 1, 13| onwederstandelijk scheen te wezen, zijn geslagen in de tempel van 15 1, 14| 14 Want als Antiochus, en zijn vrienden met hem, in die 16 1, 27| degenen, die als niets geacht zijn, en als een gruwel gehouden 17 2, 7 | die plaats onbekend zou zijn, en dat hij zou verzoend 18 2, 14| bijeenvergaderd; en die zijn bij ons.~ 19 2, 17| 17 En God, die al zijn volk heeft behouden, en 20 2, 18| landen, die onder de hemel zijn, weder zal bijeenbrengen 21 2, 20| van Judas Makkabeüs, en zijn broeders, en de reiniging 22 2, 21| tegen Antiochus Epifanes, en zijn zoon Eupator,~ 23 2, 22| die van de hemel geschied zijn aan degenen, die voor het 24 2, 23| wetten, die haast zouden zijn teniet gegaan, weder opgericht 25 2, 23| gegaan, weder opgericht zijn; dewijl de Here met alle 26 2, 26| en degenen die begerig zijn om wel te onthouden, enige 27 2, 30| wil bouwen, bekommerd moet zijn over het ganse gebouw, en 28 2, 31| te gebruiken, en bezig te zijn in het verhaal van alle 29 2, 33| Want het zou een dwaze zaak zijn, dat iemand, die een kort 30 2, 33| overvloedig in woorden zou zijn dan de geschiedenis zelf.~ ~ 31 3, 3 | Seleucus, koning van Azië uit zijn eigen inkomsten al de onkosten 32 3, 7 | verkoren hebbende, die over zijn geld gesteld was, gezonden 33 3, 16| aangezicht aanzag, die werd in zijn gemoed verwonderd, want 34 3, 16| gemoed verwonderd, want zijn aangezicht en de kleur, 35 3, 16| kennen de benauwdheid, die in zijn ziel was.~ 36 3, 17| klaar de weemoed die in zijn hart was degenen, die hem 37 3, 21| de grote hogepriester in zijn benauwdheid was.~ 38 3, 25| hetwelk sterk rennende zijn voorste voeten op Heliodorus 39 3, 26| staande elk aan een van zijn zijden, hem zonder ophouden 40 3, 30| prezen de Here, dat hij deze zijn plaats verheerlijkt had, 41 3, 33| hogepriester de verzoening deed, zijn dezelfde jongelingen weder 42 3, 34| deze dingen gezegd hadden, zijn zij verdwenen.~ 43 3, 36| grote God, die hijzelf met zijn ogen gezien had.~ 44 3, 37| vraagde, wie bekwaam zou zijn om nog eens naar Jeruzalem 45 4, 1 | geworden van het geld en van zijn vaderland, sprak kwalijk 46 4, 2 | gedaan had, en die voor zijn volk grote zorg droeg, en 47 4, 3 | dergenen, die Simon voor zijn vertrouwde vrienden hield, 48 4, 5 | 5 Niet om te zijn een beschuldiger van zijn 49 4, 5 | zijn een beschuldiger van zijn burgers, maar ziende op 50 4, 5 | bijzonder, dienstig zou zijn.~ 51 4, 6 | Simon niet zou ophouden van zijn razernij.~ 52 4, 9 | toegelaten worden, dat hij door zijn macht zichzelf een school 53 4, 10| had, zo heeft hij terstond zijn volk gebracht tot de wijze 54 4, 21| vernemende dat hij van zijn zaken vervreemd was, zorg 55 4, 21| was, zorg gedragen voor zijn verzekerdheid; waarom hij 56 4, 22| zijnde, zo is hij daarna met zijn krijgsvolk getrokken naar 57 4, 24| geworden zijnde, als hij in zijn aangezicht zijn macht zeer 58 4, 24| als hij in zijn aangezicht zijn macht zeer verheven had, 59 4, 26| 26 En Jason, die zijn eigen broeder met bedrog 60 4, 29| hogepriesterschap Lysimachus, zijn broeder, gelaten, en Sostrates 61 4, 29| gelaten, en Sostrates liet in zijn plaats Crates, de overste 62 4, 31| zaken te stillen, latende in zijn plaats tot een voorzorger 63 4, 34| hebbende Andronicus op zijn zijde gekregen, hem vermaand 64 4, 38| 38 En in zijn gemoed met gramschap ontstoken 65 4, 38| purperen kleed afgenomen, en zijn rokken verscheurd en hem 66 4, 47| onschuldigen zouden vrijgesproken zijn, tot de dood verwezen.~ 67 5, 1 | dezelfde tijd deed Antiochus zijn tweede tocht naar Egypte.~ 68 5, 4 | ten goede mocht geschied zijn.~ 69 5, 6 | 6 En Jason sloeg zijn eigen burgers dood, zonder 70 5, 6 | denkende dat de voorspoed tegen zijn eigen bloedverwanten de 71 5, 6 | overwinning oprichtte, niet van zijn medeburgers, maar van zijn 72 5, 6 | zijn medeburgers, maar van zijn vijanden.~ 73 5, 7 | niet; maar als einde van zijn bedriegelijkheid schande 74 5, 8 | Ten laatste dan kreeg hij zijn loon bij Aretas de koning 75 5, 8 | vervloekt als een beul van zijn vaderland en zijn burgers, 76 5, 8 | beul van zijn vaderland en zijn burgers, is hij naar Egypte 77 5, 11| Egypte trok, vergrimd in zijn gemoed, en heeft de stad 78 5, 16| 16 En met zijn onreine handen de heilige 79 5, 16| plaats geschonken was, met zijn goddeloze handen wegrovende,~ 80 5, 17| 17 Zo werd Antiochus in zijn gemoed zeer hovaardig, niet 81 5, 18| was, gegeseld zijnde, van zijn stoutheid afgekeerd geweest 82 5, 18| stoutheid afgekeerd geweest zijn.~ 83 5, 21| Antiochië, menende naar zijn hoogmoed de aarde te maken, 84 5, 21| door de hovaardigheid van zijn hart.~ 85 6, 12| dat deze straffen niet zijn tot verderf, maar tot kastijding 86 6, 14| als hun zonden vervuld zijn.~ 87 6, 15| goedgevonden tegen ons te zijn; opdat niet, wanneer onze 88 6, 15| zonden tot het einde gekomen zijn, hij ten laatste wraak over 89 6, 16| 16 Daarom neemt hij zijn barmhartigheid nimmer van 90 6, 16| barmhartigheid nimmer van ons weg, en zijn eigen volk met tegenspoed 91 6, 18| schriftgeleerden, een man die verre op zijn dagen gekomen was, en zeer 92 6, 18| aangezicht, werd genoodzaakt zijn mond open te doen, en varkensvlees 93 6, 20| dingen, welke niet geoorloofd zijn te proeven, om de liefde 94 6, 23| een eerlijk besluit, dat zijn jaren en voortreffelijkheid 95 6, 23| des ouderdoms betaamde, en zijn grauwe haren, die hij met 96 6, 23| met ere had verkregen, en zijn eerlijke opvoeding, die 97 6, 23| eerlijke opvoeding, die hij van zijn jeugd aan had gehad, ja 98 6, 27| deze ouderdom waardig te zijn,~ 99 6, 29| achtten uitzinnigheid te zijn.~ 100 6, 31| wijze is hij gestorven, zijn dood niet alleen de jongelieden, 101 6, 31| maar ook het merendeel van zijn volk, tot een voorbeeld 102 7, 2 | van ons weten? want wij zijn bereid liever te sterven, 103 7, 4 | vel rondom aftrekken, en zijn uiterste leden afhouwen, 104 7, 5 | koning dat men hem, die nog zijn adem haalde, aan het vuur 105 7, 6 | worden; gelijk Mozes in zijn lied, hetwelk hij tegen 106 7, 6 | verklaart, zeggende: en over zijn dienstknechten zal hij vertroost 107 7, 8 | 8 Doch hij antwoordde in zijn vaderlijke taal, en zeide 108 7, 9 | wereld zal ons, die voor zijn wetten sterven, tot een 109 7, 10| derde bespot, en als zij zijn tong eisten, stak hij die 110 7, 10| terstond uit, en hij strekte zijn handen zeer vrijmoedig uit;~ 111 7, 11| verkregen, en dit veracht ik om zijn wetten, en ik hoop dat ik 112 7, 14| geen opstanding ten leven zijn.~ 113 7, 18| gezondigd hebben; want daar zijn aan ons dingen geschied 114 7, 18| die verwondering waardig zijn.~ 115 7, 19| dat gij onschuldig zult zijn, dewijl gij het gewaagd 116 7, 20| haar zeven zonen op één dag zijn omgebracht, om de hoop die 117 7, 25| jongeling zou raden tot zijn behoudenis.~ 118 7, 30| konings gebod niet gehoorzaam zijn, maar ik zal gehoorzaam 119 7, 30| maar ik zal gehoorzaam zijn het gebod der wet, die onze 120 7, 33| bij zal nochtans weer met zijn dienstknechten verzoend 121 7, 36| korte pijn geleden hebbende, zijn gestorven onder het verbond 122 7, 37| haast ons volk wil genadig zijn, en dat gij door pijnigingen 123 8, 4 | de lasteringen, die tegen zijn naam geschied waren, zijn 124 8, 4 | zijn naam geschied waren, zijn haat wilde betonen tegen 125 8, 7 | lagen; en het gerucht van zijn dapperheid verspreidde zich 126 8, 13| gerechtigheid van God, maar zijn herwaarts en derwaarts gevloden, 127 8, 15| gemaakt had, en omdat zij naar zijn eerwaardige en voortreffelijke 128 8, 16| wil niet zouden verslagen zijn, niet vrezen de grote menigte 129 8, 22| 22 Heeft hij zijn krijgsvolk in vier hopen 130 8, 22| in vier hopen gesteld, en zijn broeders aangesteld tot 131 8, 29| dat hij tot het einde toe zijn dienstknechten zou willen 132 8, 29| dienstknechten zou willen genadig zijn.~ 133 8, 35| zijnde door degenen, die naar zijn achting de minste waren, 134 8, 35| de hulp des Heren, legde zijn heerlijke kleding af, en 135 8, 35| zee, gelijk een slaaf die zijn heer ontloopt, en kwam te 136 8, 35| zijnde na het verlies van zijn leger.~ 137 8, 36| die door hem geordineerd zijn.~ ~ 138 9, 4 | 4 Waarom hij, in zijn gemoed verbolgen wordende, 139 9, 4 | en daarom gelastte hij zijn voerman, dat hij zonder 140 9, 4 | als ik daar zal gekomen zijn.~ 141 9, 7 | liet daarom niet af van zijn hoogspreken, maar hij was 142 9, 7 | vervuld, vuur blazende in zijn gramschap tegen de Joden, 143 9, 7 | doende, al de leden van zijn lichaam verdraaid werden.~ 144 9, 9 | wormen voortkwamen, en dat zijn vlees, terwijl bij nog in 145 9, 9 | van hem afviel; en dat van zijn reuk het ganse leger bezwaard 146 9, 12| 12 En zijn eigen stank ook niet kunnende 147 9, 12| niet denke God gelijk te zijn.~ 148 9, 16| weergeven, en dat hij uit zijn eigen inkomsten de onkosten, 149 9, 17| daarenboven ook een Jood zou zijn, en dat hij zou gaan door 150 9, 19| Antiochus, de Joden, aan zijn burgers, voorspoed, gezondheid 151 9, 23| voerde, verklaarde wie in zijn plaats zou komen;~ 152 9, 24| zaken van het rijk gelaten zijn, en zij niet ontroerd worden.~ 153 9, 25| en naburen van het rijk zijn, op de gelegen tijden letten 154 10, 7 | voorspoed had gegeven, dat deze zijn plaats zou gereinigd worden.~ 155 10, 11| ontvangen hebbende, stelde over zijn zaken een zekere Lysias, 156 10, 26| dat hij hun wilde genadig zijn, en dat hij vijandig zou 157 10, 26| hij vijandig zou willen zijn tegen hun vijanden, en degenen 158 10, 29| zeer hevige strijd was, zijn de vijanden uit de hemel 159 10, 37| verscholen in een kuil, en zijn broeder Chereas en Apollofanes.~ 160 10, 43| maar hoogmoedig zijnde op zijn vele duizenden te voet, 161 10, 47| voorreed, in witte kleding, en zijn gouden wapenrusting schuddende.~ 162 10, 56| Absalom, die door u afgezonden zijn, als zij de ondergeschreven 163 10, 58| trachten om een oorzaak te zijn van uw welvaren.~ 164 10, 61| De koning Antiochus wenst zijn broeder Lysias voorspoed.~ 165 10, 62| degenen, die in ons koninkrijk zijn, buiten alle beroerten hun 166 10, 63| dat de Joden niet tevreden zijn met de verandering van mijn 167 10, 64| ook buiten de beroerte zal zijn, en bevelen, dat hun de 168 10, 65| wetende, goedsmoeds mogen zijn, en met vreugde hun eigen 169 10, 67| welvarende zijt, dat zal zijn gelijk wij willen; wij zijn 170 10, 67| zijn gelijk wij willen; wij zijn in goede gezondheid.~ 171 10, 69| dan, die tot ons afgekomen zijn tot de dertigste dag der 172 10, 70| onvoorzichtig zou mogen gedaan zijn.~ 173 11, 5 | dat deze wreedheid tegen zijn landslieden begaan was, 174 11, 10| tegen Timotheüs maakten, zo zijn de Arabieren, sterk zijnde 175 11, 11| zouden, en hun bevorderlijk zijn in alles.~ 176 11, 12| vele zaken zouden dienstig zijn, heeft toegestaan dat men 177 11, 12| rechterhand ontvangen hadden, zijn zij vertrokken in hun tenten.~ 178 11, 16| vloeien, en daarmee vervuld te zijn.~ 179 11, 20| 20 En Judas Makkabeüs, zijn leger in slag-orden gesteld 180 11, 25| als hij met vele woorden zijn toezegging verzekerd had, 181 11, 27| van deze, heeft hij ook zijn leger gebracht voor Efron, 182 11, 31| volk goedgunstig zouden zijn, en als het feest der weken 183 11, 31| der weken aanstaande was, zijn zij te Jeruzalem wedergekomen.~ 184 11, 35| Gorgias vast, en hem bij zijn rok vattende, leidde hem 185 11, 35| ruiters op hem aanvallen, en zijn schouder afhouwende, ontvluchtte 186 11, 37| 37 En beginnende in zijn vaderlijke taal een geroep 187 11, 38| 38 En Judas, zijn krijgsvolk bijeen vergaderd 188 11, 42| zij zonder zonde mochten zijn, als die voor hun ogen hadden 189 11, 44| tevergeefs en dwaas geweest zijn voor de doden te bidden)~ 190 11, 45| die godzalig ontslapen zijn, een zeer schone genade 191 12, 2 | 2 En met hem Lysias, zijn hofmeester en die over zijn 192 12, 2 | zijn hofmeester en die over zijn zaken gesteld was, een ieder 193 12, 8 | as, en daarom heeft bij zijn dood in de as gevonden.~ 194 12, 14| regering sloeg omtrent Modin zijn leger op.~ 195 12, 15| 15 En zijn volk tot leus gegeven hebbende: 196 12, 16| verwarring vervuld hebbende, zijn zij met voorspoed vertrokken.~ 197 12, 23| Antiochië gelaten had om zijn zaken te doen, afgevallen 198 13, 2 | nadat hij Antiochus en zijn hofmeester Lysias had omgebracht.~ 199 13, 4 | meende van de tempel te zijn, en hield zich stil op die 200 13, 5 | tijd verkregen hebbende om zijn dwaasheden uit te voeren, 201 13, 14| hun eigen voorspoed zou zijn.~ 202 13, 15| hem, die tot in eeuwigheid zijn volk had bevestigd, en die 203 13, 15| bevestigd, en die altijd zijn erfdeel met verschijning 204 13, 22| bekwame plaatsen, om gereed te zijn, opdat van de vijanden niet 205 13, 26| verordineerd dat hij in zijn plaats zal komen.~ 206 13, 32| gezocht werd, zo heeft hij, zijn hand uitstrekkende naar 207 13, 35| uwer woning bij ons zou zijn.~ 208 13, 37| goede naam was, en vanwege zijn goedertierenheid een vader 209 13, 38| oprecht Jood was, en hij had zijn lichaam en ziel gesteld 210 13, 42| en smaadheid lijden, die zijn eerlijk geslacht onbetamelijk 211 13, 44| het midden te vallen op zijn buik.~ 212 13, 45| hij nog ademhaalde, en in zijn gemoed zeer ontstoken was, 213 13, 45| ontstoken was, stond hij op, zijn bloed als een fontein vloeiende, 214 13, 46| bloed geworden, trok hij zijn ingewanden uit, en die met 215 14, 5 | volbrengen. En nochtans kon hij zijn ellendigen raadslag niet 216 14, 6 | met alle hovaardigheid zijn hals opstekende, had gedacht 217 14, 12| 12 En aldus was zijn gezicht: dat Onias, die 218 14, 12| zachtzinnig, en betamelijk zijn rede voortbrengende, en 219 14, 13| heerlijk uitblinkende, en dat zijn uitnemendheid, die bij hem 220 14, 14| de profeet van God, die zijn broeders liefheeft, en die 221 14, 21| der beesten, opheffende zijn handen naar de hemel, de 222 14, 21| oordeelt dit waardig te zijn.~ 223 14, 24| met godslastering gekomen zijn tegen uw heilig volk. En 224 14, 28| tevoren gevallen was met zijn wapenrusting.~ 225 14, 30| lichaam en ziel, die in zijn jaren de goedgunstigheid 226 14, 30| de goedgunstigheid jegens zijn eigen volk altijd bewaard 227 14, 30| het hoofd van Nicanor, en zijn hand met de schouder zou 228 14, 31| en tezamen geroepen had zijn volk, en de priesters, staande 229 14, 33| deze als beloningen van zijn dwaasheid tegenover de tempel 230 14, 34| zeggende: Gezegend moet hij zijn, die zijn plaats onbesmet 231 14, 34| Gezegend moet hij zijn, die zijn plaats onbesmet heeft bewaard.~ 232 14, 35| burcht, om voor allen te zijn een kennelijk en openbaar 233 14, 38| Nicanor aldus afgelopen zijn, en van die tijden af de


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License