Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
zien 4
ziende 8
ziet 2
zij 196
zijde 1
zijden 2
zijn 233
Frequency    [«  »]
233 zijn
225 te
212 met
196 zij
179 was
162 als
134 hem

Het tweede boek der Makkabeeën

IntraText - Concordances

zij

    Chapter, Verse
1 1, 5 | En verhore uw gebeden, en zij met u verzoend, en verlate 2 1, 8 | 8 Dat zij de voorpoort verbrand, en 3 1, 15| omgang des tempels, zo sloten zij de tempel toe.~ 4 1, 16| En Antiochus ging in, en zij openden een geheime deur 5 1, 16| werpende met stenen, doodden zij als door een bliksem de 6 1, 17| 17 In alles zij onze God geprezen, die de 7 1, 20| gezonden naar dat vuur; en als zij ons hadden te kennen gegeven 8 1, 20| hadden te kennen gegeven dat zij geen vuur hadden gevonden, 9 1, 21| 21 Zo gebood hij hun, dat zij zouden putten, en brengen; 10 1, 22| groot vuur ontstoken, dat zij zich allen verwonderden.~ 11 2, 2 | Hun gevende de wet, dat zij niet zouden vergeten de 12 2, 2 | geboden des Heren, en dat zij niet zouden dwalen in hun 13 2, 3 | vermaande hij hen, dat zij met hun harten niet zouden 14 2, 11| gegeten worden, daarom is zij verteerd.~ 15 2, 22| mannelijk gekweten hebben, zodat zij weinigen zijnde het ganse 16 3, 15| bewaren voor degenen, die zij daar vertrouwd hadden,~ 17 3, 20| 20 En zij allen, de handen naar de 18 3, 27| duisternis bevangen was, namen zij hem tezamen op, en zetten 19 3, 28| schatkamer was ingegaan, droegen zij weg, zo gesteld, dat hij 20 3, 34| overgrote kracht Gods. En als zij deze dingen gezegd hadden, 21 3, 34| dingen gezegd hadden, zijn zij verdwenen.~ 22 4, 14| worstelplaats geschiedden, nadat zij anderen beroepen hadden, 23 4, 15| niets achtende, hielden zij dat de Griekse eer de beste 24 4, 16| zware ellende gekomen, dat zij hen tot vijanden en straffers 25 4, 16| gekregen, wier leidingen zij naijverden, en wie zij in 26 4, 16| leidingen zij naijverden, en wie zij in alles zich gelijk wilden 27 4, 19| toeschouwers van Jeruzalem, alsof zij van Antiochië waren, medebrengende 28 4, 28| schatting te ontvangen. Als zij beiden nu om deze oorzaak 29 4, 30| oproer geraakten, omdat zij tot een geschenk gegeven 30 4, 42| 42 Om deze oorzaak hebben zij velen van hen gewond, sommigen 31 4, 42| de kerkrover zelf doodden zij bij de schatkist.~ 32 4, 47| deze ellendigen, die, zo zij ook bij de Scythen gepleit 33 5, 4 | 4 Waarom zij allen baden dat dit gezicht 34 5, 5 | gedaan in de stad; en als zij op de muren gedreven waren, 35 5, 12| gebood de krijgslieden, dat zij allen die hun tegenkwamen 36 5, 12| iemand te sparen, en dat zij al degenen, die op de huizen 37 5, 18| ware het niet gebeurd, dat zij tot vele zonden gebracht 38 5, 25| die onder hem stonden, dat zij zich zouden in de wapenen 39 5, 27| wijze der wilde dieren, en zij aten als voedsel gras, en 40 6, 1 | de Joden te noodzaken dat zij zouden afwijken van de wetten 41 6, 7 | 7 En zij werden door een bittere 42 6, 7 | Bacchus gekomen was, werden zij gedwongen wijnloofkransen 43 6, 10| kinderen hadden besneden, welke zij, haar kinderen aan haar 44 6, 11| naaste spelonken, opdat zij daar verborgen de zevende 45 6, 11| met vuur verbrand, omdat zij er een gewetenszaak van 46 6, 12| dit boek zullen lezen, dat zij niet ontsteld worden over 47 6, 12| ellendigheden, maar dat zij willen achten, dat deze 48 6, 13| wordt toegelaten, maar dat zij spoedig vervallen in straf.~ 49 6, 17| 17 Doch dit zij door ons gezegd tot vermaning, 50 6, 21| eten, om de kennis, die zij met de man van oude tijden 51 6, 23| geantwoord, zeggende dat zij hem haastig naar het graf 52 6, 25| 25 Zij ook door mijn veinzen, en 53 6, 29| hun goedwilligheid, die zij een weinig tevoren tot hem 54 6, 29| de voorzegde woorden, die zij achtten uitzinnigheid te 55 7, 5 | verspreidde, zo vermaanden zij elkander met de moeder kloekmoedig 56 7, 7 | gestorven was, zo leidden zij de tweede tot de bespotting; 57 7, 7 | afgetrokken hebbende, vraagden zij hem: Zult gij nog geen zwijnenvlees 58 7, 10| de derde bespot, en als zij zijn tong eisten, stak hij 59 7, 13| deze overleden was, hebben zij desgelijks de vierde gepijnigd 60 7, 15| 15 Daarna brachten zij de vijfde voor, en sloegen 61 7, 18| 18 Na deze brachten zij de zesde voor, en als hij 62 7, 20| omgebracht, om de hoop die zij hadden op de Here;~ 63 7, 21| 21 Want zij vermaande een ieder hunner 64 7, 25| vermaande de moeder, dat zij de jongeling zou raden tot 65 7, 26| haar vermaand had, heeft zij aangenomen haar zoon daartoe 66 7, 30| 30 En als zij nog sprak, zo zeide de jongeling: 67 7, 42| 42 En dit zij dan dusverre verklaard aangaande 68 8, 13| was gekomen, zo vreesden zij, en vertrouwden niet op 69 8, 14| de goddeloze Nicanor, eer zij bijeenkwamen, verkocht waren;~ 70 8, 15| vaderen gemaakt had, en omdat zij naar zijn eerwaardige en 71 8, 16| getal, vermaande hen dat zij om der vijanden wil niet 72 8, 16| tegen hen kwamen, maar dat zij kloekmoedig zouden strijden, 73 8, 16| stellende de smaadheid, die zij onrechtvaardig volbracht 74 8, 20| hemel geschiedde, en dat zij groot voordeel verkregen.~ 75 8, 24| met hen streed, versloegen zij van de vijanden over de 76 8, 25| vervolgd hebbende kwamen zij weder, daar zij door de 77 8, 25| hebbende kwamen zij weder, daar zij door de tijd belet waren.~ 78 8, 26| dag voor de Sabbat; waarom zij hen niet langer naliepen.~ 79 8, 27| 27 En als zij de wapenen verzameld, en 80 8, 27| uitgetrokken hadden, hielden zij de Sabbat; en zij dankten 81 8, 27| hielden zij de Sabbat; en zij dankten en loofden de Here 82 8, 28| En na de Sabbat deelden zij uit aan de kranken, de weduwen, 83 8, 28| en het overige deelden zij onder zichzelf en onder 84 8, 29| 29 En als zij deze dingen verricht hadden, 85 8, 29| verricht hadden, hielden zij een algemene biddag, en 86 8, 30| gebracht hebbende, vernielden zij van degenen, die bij Timotheüs 87 8, 31| verzameld hebbende, stelden zij die alle zorgvuldig in gelegene 88 8, 31| overige van de buit brachten zij te Jeruzalem.~ 89 8, 32| 32 En zij versloegen ook Filarches, 90 8, 33| 33 En als zij in het vaderland een dankdag 91 8, 33| over de overwinning, hebben zij Callisthenes, die de heilige 92 8, 36| kunnen gewond worden, omdat zij navolgen de wetten die door 93 9, 24| het rijk gelaten zijn, en zij niet ontroerd worden.~ 94 10, 3 | 3 En als zij de tempel hadden gereinigd, 95 10, 3 | hadden gereinigd, hebben zij een ander altaar gemaakt, 96 10, 3 | ander altaar gemaakt, en als zij uit stenen vuur hadden geslagen, 97 10, 3 | hadden ontvangen, hebben zij offerande geofferd, na de 98 10, 4 | Dit gedaan hebbende, baden zij de Here, op hun buik nedervallende, 99 10, 4 | buik nedervallende, dat zij niet weder mochten vallen 100 10, 4 | zwarigheden, maar indien zij ook te eniger tijd kwamen 101 10, 4 | kwamen te zondigen, dat zij door hem met goedertierenheid 102 10, 6 | 6 En zij vierden met vreugde acht 103 10, 6 | loofhutten, gedachtenis hoe zij een weinig tijds tevoren 104 10, 7 | ook palmtakken, offerden zij lofzangen hem, die voorspoed 105 10, 17| 17 Welke zij ook met geweld aantastende, 106 10, 21| en beschuldigde hen, dat zij hun broeders voor geld hadden 107 10, 21| geld hadden verkocht, daar zij de vijanden tot hun nadeel 108 10, 22| 22 En heeft hen, daar zij verraders waren, omgebracht, 109 10, 27| 27 Als zij van het gebed gekomen waren, 110 10, 27| gebed gekomen waren, namen zij de wapenen, en trokken ver 111 10, 27| ver van de stad, en als zij de vijanden naderden, bleven 112 10, 27| vijanden naderden, bleven zij stil staan.~ 113 10, 28| zon opgegaan was, leverden zij met elkander slag; dezen 114 10, 37| hebbende, namen de stad in, en zij sloegen Timotheüs, verscholen 115 10, 38| verricht hebbende, dankten zij met lofzangen en dankzeggingen 116 10, 45| sterkten belegerd had, zo baden zij en de scharen, met kermen 117 10, 46| vermaande de anderen, dat zij met hem zich in gevaar wilden 118 10, 47| 8 En zij deden gezamenlijk een kloekmoedige 119 10, 47| kloekmoedige aanval; en als zij nog bij Jeruzalem waren, 120 10, 49| 10 En zij trokken in slagorde, hebbende 121 10, 50| vijanden aanvallende, hieuwen zij daarvan terneder elfduizend 122 10, 51| En al de anderen dwongen zij te vluchten, en velen van 123 10, 56| door u afgezonden zijn, als zij de ondergeschreven antwoorden 124 10, 63| van godsdienst, maar dat zij hun eigen wijze liever willen 125 10, 64| worden wedergegeven, en dat zij voortaan wandelen mogen 126 10, 65| gevende de rechterhand, opdat zij ons goedvinden wetende, 127 11, 2 | lieten hun niet toe, dat zij in rust mochten blijven, 128 11, 3 | de Joden dit schelmstuk. Zij baden de Joden, die bij 129 11, 3 | die bij hen woonden, dat zij met vrouwen en kinderen 130 11, 4 | 4 En als zij, volgens het algemeen besluit 131 11, 4 | vermoeden hadden, nadat zij in zee gevaren waren, hebben 132 11, 10| 10 En als zij vandaar vertrokken waren 133 11, 11| rechterhand geven, belovende dat zij hem hun vee geven zouden, 134 11, 12| 12 En Judas, achtende dat zij hem waarlijk in vele zaken 135 11, 12| met hen zou maken; en als zij de rechterhand ontvangen 136 11, 12| rechterhand ontvangen hadden, zijn zij vertrokken in hun tenten.~ 137 11, 16| ingenomen hebbende, doodden zij een onuitsprekelijke menigte, 138 11, 17| 17 En als zij vandaar zevenhonderdenvijftig 139 11, 17| voortgetrokken waren, kwamen zij in Charax tot de Joden, 140 11, 18| 18 En zij vonden Timotheüs niet in 141 11, 22| dingen ziet, zo begaven zij zich met een gedruis op 142 11, 22| derwaarts vliedende, zodat zij dikwijls door hun eigen 143 11, 25| hinder leveren zou, zo hebben zij hem losgelaten, om de behoudenis 144 11, 28| 28 Doch zij, aanroepende God de prins, 145 11, 29| vandaar optrekkende, begaven zij zich naar de stad Scythopolis, 146 11, 30| toegedragen hadden, en boe beleefd zij hen hadden bejegend in tijden 147 11, 31| 31 Zo dankten zij hen, en vermaanden hen, 148 11, 31| en vermaanden hen, dat zij ook voortaan hun volk goedgunstig 149 11, 31| weken aanstaande was, zijn zij te Jeruzalem wedergekomen.~ 150 11, 32| voorbij was, zo trokken zij op tegen Gorgias, de veldoverste 151 11, 34| 34 En als zij tegen hem streden, geschiedde 152 11, 38| dag hun overkwam, hebben zij, naar gewoonte geheiligd 153 11, 40| 40 En zij vonden onder de rokken van 154 11, 40| een ieder openbaar, dat zij om deze oorzaak gevallen 155 11, 41| 41 Zo hebben zij dan allen de Here, de rechtvaardige 156 11, 42| gebed gekeerd zijnde, baden zij dat de zonde, die daar begaan 157 11, 42| vermaande de menigte, dat zij zich wilden bewaren, dat 158 11, 42| zich wilden bewaren, dat zij zonder zonde mochten zijn, 159 11, 46| de verzoening deed, opdat zij van de zonden zouden ontslagen 160 12, 6 | 6 Zij stieten daarvan af een ieder, 161 12, 10| vernemende, gebood het volk, dat zij dag en nacht de Here zouden 162 12, 12| 12 Als zij dit allen gezamenlijk deden, 163 12, 12| vermaand en geboden, dat zij zouden bij hem komen.~ 164 12, 13| in Judea zou invallen, en zij de stad zouden bemachtigen, 165 12, 13| zouden bemachtigen, dat zij hem zouden tegentrekken, 166 12, 13| zouden tegentrekken, en dat zij de zaken zouden wagen, steunende 167 12, 14| degenen die met hem waren, dat zij kloekmoedig tot de dood 168 12, 16| verwarring vervuld hebbende, zijn zij met voorspoed vertrokken.~ 169 12, 20| daar binnen waren, hetgeen zij van node hadden.~ 170 12, 25| over de verbonden, want zij namen het zeer kwalijk dat 171 12, 25| namen het zeer kwalijk dat zij de verbonden wilden verbreken.~ 172 13, 18| waren, en wat voorspoed zij hadden als zij streden voor 173 13, 18| voorspoed zij hadden als zij streden voor hun vaderland, 174 13, 20| eenparig waren, zo stonden zij de verbonden toe.~ 175 13, 21| 21 En zij stelden een dag, waarop 176 13, 21| stelden een dag, waarop zij in het bijzonder zouden 177 13, 22| geschieden; en zo hebben zij een gevoegelijke samenspreking 178 13, 26| ander, en de verbonden die zij gemaakt hadden, zo nam hij 179 13, 31| opofferden, en gebood hun, dat zij hem de man zouden uitleveren.~ 180 13, 32| 32 En als zij met ede verklaarden, dat 181 13, 32| met ede verklaarden, dat zij niet wisten waar hij was, 182 13, 41| als hun geboden werd dat zij vuur zouden brengen, en 183 14, 8 | degenen die met hem waren, dat zij de aankomst der heidenen 184 14, 8 | zouden vrezen, maar dat zij in gedachtenis zouden houden 185 14, 9 | brengende de gevaren, die zij reeds hadden uitgestaan, 186 14, 17| 17 Zij dan vermaand zijnde door 187 14, 20| 20 En als zij nu allen verwachtten dat 188 14, 27| 27 En zij vechtende met de handen, 189 14, 28| 28 En als zij uit deze nood gered waren, 190 14, 28| aftrokken, zo verstonden zij dat Nicanor tevoren gevallen 191 14, 29| daar gemaakt zijnde, prezen zij de Here, in hun vaderlijke 192 14, 34| 34 En zij allen opziende naar de hemel 193 14, 36| 36 En zij allen bepaalden met een 194 14, 36| een algemeen besluit, dat zij deze dag geenszins ongeëerd 195 14, 37| 37 Maar dat zij de dertiende dag der twaalfde 196 14, 40| oren der lezers. En dit zij dan het einde.~ ~


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License