Chapter, Verse
1 1, 5 | En verhore uw gebeden, en zij met u verzoend, en verlate
2 1, 8 | 8 Dat zij de voorpoort verbrand, en
3 1, 15| omgang des tempels, zo sloten zij de tempel toe.~
4 1, 16| En Antiochus ging in, en zij openden een geheime deur
5 1, 16| werpende met stenen, doodden zij als door een bliksem de
6 1, 17| 17 In alles zij onze God geprezen, die de
7 1, 20| gezonden naar dat vuur; en als zij ons hadden te kennen gegeven
8 1, 20| hadden te kennen gegeven dat zij geen vuur hadden gevonden,
9 1, 21| 21 Zo gebood hij hun, dat zij zouden putten, en brengen;
10 1, 22| groot vuur ontstoken, dat zij zich allen verwonderden.~
11 2, 2 | Hun gevende de wet, dat zij niet zouden vergeten de
12 2, 2 | geboden des Heren, en dat zij niet zouden dwalen in hun
13 2, 3 | vermaande hij hen, dat zij met hun harten niet zouden
14 2, 11| gegeten worden, daarom is zij verteerd.~
15 2, 22| mannelijk gekweten hebben, zodat zij weinigen zijnde het ganse
16 3, 15| bewaren voor degenen, die zij daar vertrouwd hadden,~
17 3, 20| 20 En zij allen, de handen naar de
18 3, 27| duisternis bevangen was, namen zij hem tezamen op, en zetten
19 3, 28| schatkamer was ingegaan, droegen zij weg, zo gesteld, dat hij
20 3, 34| overgrote kracht Gods. En als zij deze dingen gezegd hadden,
21 3, 34| dingen gezegd hadden, zijn zij verdwenen.~
22 4, 14| worstelplaats geschiedden, nadat zij anderen beroepen hadden,
23 4, 15| niets achtende, hielden zij dat de Griekse eer de beste
24 4, 16| zware ellende gekomen, dat zij hen tot vijanden en straffers
25 4, 16| gekregen, wier leidingen zij naijverden, en wie zij in
26 4, 16| leidingen zij naijverden, en wie zij in alles zich gelijk wilden
27 4, 19| toeschouwers van Jeruzalem, alsof zij van Antiochië waren, medebrengende
28 4, 28| schatting te ontvangen. Als zij beiden nu om deze oorzaak
29 4, 30| oproer geraakten, omdat zij tot een geschenk gegeven
30 4, 42| 42 Om deze oorzaak hebben zij velen van hen gewond, sommigen
31 4, 42| de kerkrover zelf doodden zij bij de schatkist.~
32 4, 47| deze ellendigen, die, zo zij ook bij de Scythen gepleit
33 5, 4 | 4 Waarom zij allen baden dat dit gezicht
34 5, 5 | gedaan in de stad; en als zij op de muren gedreven waren,
35 5, 12| gebood de krijgslieden, dat zij allen die hun tegenkwamen
36 5, 12| iemand te sparen, en dat zij al degenen, die op de huizen
37 5, 18| ware het niet gebeurd, dat zij tot vele zonden gebracht
38 5, 25| die onder hem stonden, dat zij zich zouden in de wapenen
39 5, 27| wijze der wilde dieren, en zij aten als voedsel gras, en
40 6, 1 | de Joden te noodzaken dat zij zouden afwijken van de wetten
41 6, 7 | 7 En zij werden door een bittere
42 6, 7 | Bacchus gekomen was, werden zij gedwongen wijnloofkransen
43 6, 10| kinderen hadden besneden, welke zij, haar kinderen aan haar
44 6, 11| naaste spelonken, opdat zij daar verborgen de zevende
45 6, 11| met vuur verbrand, omdat zij er een gewetenszaak van
46 6, 12| dit boek zullen lezen, dat zij niet ontsteld worden over
47 6, 12| ellendigheden, maar dat zij willen achten, dat deze
48 6, 13| wordt toegelaten, maar dat zij spoedig vervallen in straf.~
49 6, 17| 17 Doch dit zij door ons gezegd tot vermaning,
50 6, 21| eten, om de kennis, die zij met de man van oude tijden
51 6, 23| geantwoord, zeggende dat zij hem haastig naar het graf
52 6, 25| 25 Zij ook door mijn veinzen, en
53 6, 29| hun goedwilligheid, die zij een weinig tevoren tot hem
54 6, 29| de voorzegde woorden, die zij achtten uitzinnigheid te
55 7, 5 | verspreidde, zo vermaanden zij elkander met de moeder kloekmoedig
56 7, 7 | gestorven was, zo leidden zij de tweede tot de bespotting;
57 7, 7 | afgetrokken hebbende, vraagden zij hem: Zult gij nog geen zwijnenvlees
58 7, 10| de derde bespot, en als zij zijn tong eisten, stak hij
59 7, 13| deze overleden was, hebben zij desgelijks de vierde gepijnigd
60 7, 15| 15 Daarna brachten zij de vijfde voor, en sloegen
61 7, 18| 18 Na deze brachten zij de zesde voor, en als hij
62 7, 20| omgebracht, om de hoop die zij hadden op de Here;~
63 7, 21| 21 Want zij vermaande een ieder hunner
64 7, 25| vermaande de moeder, dat zij de jongeling zou raden tot
65 7, 26| haar vermaand had, heeft zij aangenomen haar zoon daartoe
66 7, 30| 30 En als zij nog sprak, zo zeide de jongeling:
67 7, 42| 42 En dit zij dan dusverre verklaard aangaande
68 8, 13| was gekomen, zo vreesden zij, en vertrouwden niet op
69 8, 14| de goddeloze Nicanor, eer zij bijeenkwamen, verkocht waren;~
70 8, 15| vaderen gemaakt had, en omdat zij naar zijn eerwaardige en
71 8, 16| getal, vermaande hen dat zij om der vijanden wil niet
72 8, 16| tegen hen kwamen, maar dat zij kloekmoedig zouden strijden,
73 8, 16| stellende de smaadheid, die zij onrechtvaardig volbracht
74 8, 20| hemel geschiedde, en dat zij groot voordeel verkregen.~
75 8, 24| met hen streed, versloegen zij van de vijanden over de
76 8, 25| vervolgd hebbende kwamen zij weder, daar zij door de
77 8, 25| hebbende kwamen zij weder, daar zij door de tijd belet waren.~
78 8, 26| dag voor de Sabbat; waarom zij hen niet langer naliepen.~
79 8, 27| 27 En als zij de wapenen verzameld, en
80 8, 27| uitgetrokken hadden, hielden zij de Sabbat; en zij dankten
81 8, 27| hielden zij de Sabbat; en zij dankten en loofden de Here
82 8, 28| En na de Sabbat deelden zij uit aan de kranken, de weduwen,
83 8, 28| en het overige deelden zij onder zichzelf en onder
84 8, 29| 29 En als zij deze dingen verricht hadden,
85 8, 29| verricht hadden, hielden zij een algemene biddag, en
86 8, 30| gebracht hebbende, vernielden zij van degenen, die bij Timotheüs
87 8, 31| verzameld hebbende, stelden zij die alle zorgvuldig in gelegene
88 8, 31| overige van de buit brachten zij te Jeruzalem.~
89 8, 32| 32 En zij versloegen ook Filarches,
90 8, 33| 33 En als zij in het vaderland een dankdag
91 8, 33| over de overwinning, hebben zij Callisthenes, die de heilige
92 8, 36| kunnen gewond worden, omdat zij navolgen de wetten die door
93 9, 24| het rijk gelaten zijn, en zij niet ontroerd worden.~
94 10, 3 | 3 En als zij de tempel hadden gereinigd,
95 10, 3 | hadden gereinigd, hebben zij een ander altaar gemaakt,
96 10, 3 | ander altaar gemaakt, en als zij uit stenen vuur hadden geslagen,
97 10, 3 | hadden ontvangen, hebben zij offerande geofferd, na de
98 10, 4 | Dit gedaan hebbende, baden zij de Here, op hun buik nedervallende,
99 10, 4 | buik nedervallende, dat zij niet weder mochten vallen
100 10, 4 | zwarigheden, maar indien zij ook te eniger tijd kwamen
101 10, 4 | kwamen te zondigen, dat zij door hem met goedertierenheid
102 10, 6 | 6 En zij vierden met vreugde acht
103 10, 6 | loofhutten, gedachtenis hoe zij een weinig tijds tevoren
104 10, 7 | ook palmtakken, offerden zij lofzangen hem, die voorspoed
105 10, 17| 17 Welke zij ook met geweld aantastende,
106 10, 21| en beschuldigde hen, dat zij hun broeders voor geld hadden
107 10, 21| geld hadden verkocht, daar zij de vijanden tot hun nadeel
108 10, 22| 22 En heeft hen, daar zij verraders waren, omgebracht,
109 10, 27| 27 Als zij van het gebed gekomen waren,
110 10, 27| gebed gekomen waren, namen zij de wapenen, en trokken ver
111 10, 27| ver van de stad, en als zij de vijanden naderden, bleven
112 10, 27| vijanden naderden, bleven zij stil staan.~
113 10, 28| zon opgegaan was, leverden zij met elkander slag; dezen
114 10, 37| hebbende, namen de stad in, en zij sloegen Timotheüs, verscholen
115 10, 38| verricht hebbende, dankten zij met lofzangen en dankzeggingen
116 10, 45| sterkten belegerd had, zo baden zij en de scharen, met kermen
117 10, 46| vermaande de anderen, dat zij met hem zich in gevaar wilden
118 10, 47| 8 En zij deden gezamenlijk een kloekmoedige
119 10, 47| kloekmoedige aanval; en als zij nog bij Jeruzalem waren,
120 10, 49| 10 En zij trokken in slagorde, hebbende
121 10, 50| vijanden aanvallende, hieuwen zij daarvan terneder elfduizend
122 10, 51| En al de anderen dwongen zij te vluchten, en velen van
123 10, 56| door u afgezonden zijn, als zij de ondergeschreven antwoorden
124 10, 63| van godsdienst, maar dat zij hun eigen wijze liever willen
125 10, 64| worden wedergegeven, en dat zij voortaan wandelen mogen
126 10, 65| gevende de rechterhand, opdat zij ons goedvinden wetende,
127 11, 2 | lieten hun niet toe, dat zij in rust mochten blijven,
128 11, 3 | de Joden dit schelmstuk. Zij baden de Joden, die bij
129 11, 3 | die bij hen woonden, dat zij met vrouwen en kinderen
130 11, 4 | 4 En als zij, volgens het algemeen besluit
131 11, 4 | vermoeden hadden, nadat zij in zee gevaren waren, hebben
132 11, 10| 10 En als zij vandaar vertrokken waren
133 11, 11| rechterhand geven, belovende dat zij hem hun vee geven zouden,
134 11, 12| 12 En Judas, achtende dat zij hem waarlijk in vele zaken
135 11, 12| met hen zou maken; en als zij de rechterhand ontvangen
136 11, 12| rechterhand ontvangen hadden, zijn zij vertrokken in hun tenten.~
137 11, 16| ingenomen hebbende, doodden zij een onuitsprekelijke menigte,
138 11, 17| 17 En als zij vandaar zevenhonderdenvijftig
139 11, 17| voortgetrokken waren, kwamen zij in Charax tot de Joden,
140 11, 18| 18 En zij vonden Timotheüs niet in
141 11, 22| dingen ziet, zo begaven zij zich met een gedruis op
142 11, 22| derwaarts vliedende, zodat zij dikwijls door hun eigen
143 11, 25| hinder leveren zou, zo hebben zij hem losgelaten, om de behoudenis
144 11, 28| 28 Doch zij, aanroepende God de prins,
145 11, 29| vandaar optrekkende, begaven zij zich naar de stad Scythopolis,
146 11, 30| toegedragen hadden, en boe beleefd zij hen hadden bejegend in tijden
147 11, 31| 31 Zo dankten zij hen, en vermaanden hen,
148 11, 31| en vermaanden hen, dat zij ook voortaan hun volk goedgunstig
149 11, 31| weken aanstaande was, zijn zij te Jeruzalem wedergekomen.~
150 11, 32| voorbij was, zo trokken zij op tegen Gorgias, de veldoverste
151 11, 34| 34 En als zij tegen hem streden, geschiedde
152 11, 38| dag hun overkwam, hebben zij, naar gewoonte geheiligd
153 11, 40| 40 En zij vonden onder de rokken van
154 11, 40| een ieder openbaar, dat zij om deze oorzaak gevallen
155 11, 41| 41 Zo hebben zij dan allen de Here, de rechtvaardige
156 11, 42| gebed gekeerd zijnde, baden zij dat de zonde, die daar begaan
157 11, 42| vermaande de menigte, dat zij zich wilden bewaren, dat
158 11, 42| zich wilden bewaren, dat zij zonder zonde mochten zijn,
159 11, 46| de verzoening deed, opdat zij van de zonden zouden ontslagen
160 12, 6 | 6 Zij stieten daarvan af een ieder,
161 12, 10| vernemende, gebood het volk, dat zij dag en nacht de Here zouden
162 12, 12| 12 Als zij dit allen gezamenlijk deden,
163 12, 12| vermaand en geboden, dat zij zouden bij hem komen.~
164 12, 13| in Judea zou invallen, en zij de stad zouden bemachtigen,
165 12, 13| zouden bemachtigen, dat zij hem zouden tegentrekken,
166 12, 13| zouden tegentrekken, en dat zij de zaken zouden wagen, steunende
167 12, 14| degenen die met hem waren, dat zij kloekmoedig tot de dood
168 12, 16| verwarring vervuld hebbende, zijn zij met voorspoed vertrokken.~
169 12, 20| daar binnen waren, hetgeen zij van node hadden.~
170 12, 25| over de verbonden, want zij namen het zeer kwalijk dat
171 12, 25| namen het zeer kwalijk dat zij de verbonden wilden verbreken.~
172 13, 18| waren, en wat voorspoed zij hadden als zij streden voor
173 13, 18| voorspoed zij hadden als zij streden voor hun vaderland,
174 13, 20| eenparig waren, zo stonden zij de verbonden toe.~
175 13, 21| 21 En zij stelden een dag, waarop
176 13, 21| stelden een dag, waarop zij in het bijzonder zouden
177 13, 22| geschieden; en zo hebben zij een gevoegelijke samenspreking
178 13, 26| ander, en de verbonden die zij gemaakt hadden, zo nam hij
179 13, 31| opofferden, en gebood hun, dat zij hem de man zouden uitleveren.~
180 13, 32| 32 En als zij met ede verklaarden, dat
181 13, 32| met ede verklaarden, dat zij niet wisten waar hij was,
182 13, 41| als hun geboden werd dat zij vuur zouden brengen, en
183 14, 8 | degenen die met hem waren, dat zij de aankomst der heidenen
184 14, 8 | zouden vrezen, maar dat zij in gedachtenis zouden houden
185 14, 9 | brengende de gevaren, die zij reeds hadden uitgestaan,
186 14, 17| 17 Zij dan vermaand zijnde door
187 14, 20| 20 En als zij nu allen verwachtten dat
188 14, 27| 27 En zij vechtende met de handen,
189 14, 28| 28 En als zij uit deze nood gered waren,
190 14, 28| aftrokken, zo verstonden zij dat Nicanor tevoren gevallen
191 14, 29| daar gemaakt zijnde, prezen zij de Here, in hun vaderlijke
192 14, 34| 34 En zij allen opziende naar de hemel
193 14, 36| 36 En zij allen bepaalden met een
194 14, 36| een algemeen besluit, dat zij deze dag geenszins ongeëerd
195 14, 37| 37 Maar dat zij de dertiende dag der twaalfde
196 14, 40| oren der lezers. En dit zij dan het einde.~ ~
|