Chapter, Verse
1 1, 7 | 7 Toen Demetrius koning was in het honderdnegenenzestigste
2 1, 15| met enige weinigen gekomen was in de omgang des tempels,
3 1, 19| die plaats allen onbekend was.~
4 1, 21| offeranden behoorde geofferd was, gebood Nehemia de priesters
5 1, 31| als de offerande verteerd was, zo gebood Nehemia het water,
6 1, 31| water, dat nog overgebleven was, te gieten op grote stenen.~
7 1, 33| verborgen hadden, water was te voorschijn gekomen, waarmee
8 1, 35| degenen, wie hij gunstig was, heeft hij vele en verscheidene
9 2, 4 | En in hetzelfde schrift was ook, dat de profeet geboden
10 2, 4 | door Goddelijke aanspraak was onderricht, hem zou volgen;
11 2, 4 | op welke Mozes geklommen was, en het erfdeel van God
12 2, 14| oorlog, welke ons aangedaan was, vervallen waren, bijeenvergaderd;
13 2, 23| goedertierenheid hun genadig was geworden;~
14 3, 4 | een overste van de tempel was gesteld, streed tegen de
15 3, 5 | die in die tijd overste was van Celo-Syrië en Fenicië.~
16 3, 6 | schatkist te Jeruzalem vol was van geld, zodat de menigte
17 3, 6 | kostelijke dingen ontelbaar was, en dat ze niet behoorden
18 3, 6 | offeranden, en dat het mogelijk was, dat deze zouden kunnen
19 3, 7 | het geld te kennen gegeven was, die Heliodorus verkoren
20 3, 7 | die over zijn geld gesteld was, gezonden heeft, hem last
21 3, 9 | hetgeen te kennen gegeven was, en heeft verklaard om wat
22 3, 9 | om wat oorzaak hij daar was, en hij vraagde of deze
23 3, 10| dat dit geld weggelegd was voor de weduwen en wezen;~
24 3, 11| zeer grote hoogheid gesteld was, zodat het niet was gelijk
25 3, 11| gesteld was, zodat het niet was gelijk de goddeloze Simon
26 3, 14| orde te stellen; en daar was geen kleine benauwdheid
27 3, 16| benauwdheid, die in zijn ziel was.~
28 3, 17| weemoed die in zijn hart was degenen, die hem aanzagen,
29 3, 21| 21 Het was erbarmelijk te zien, hoe
30 3, 21| hogepriester in zijn benauwdheid was.~
31 3, 22| geld, hetwelk toevertrouwd was in alle zekerheid onbeschadigd
32 3, 23| volbrengen hetgeen besloten was; en als hij nu daar bij
33 3, 23| hellebaardiers tegenwoordig was,~
34 3, 25| een zat, die schrikkelijk was, hetwelk sterk rennende
35 3, 27| grote duisternis bevangen was, namen zij hem tezamen op,
36 3, 28| de voorzeide schatkamer was ingegaan, droegen zij weg,
37 3, 30| tevoren vol vreze, en beroerte was, doordat de Here Almachtig
38 3, 30| Almachtig daar verschenen was, werd vervuld met blijdschap
39 4, 1 | Simon, die een verrader was geworden van het geld en
40 4, 2 | droeg, en ijverig in de wet was, dat hij zich met de zaken
41 4, 3 | vijandschap zover toegenomen was, dat ook door een dergenen,
42 4, 6 | hij zag dat het onmogelijk was, dat zonder des konings
43 4, 11| Eupolemus, die een gezant was geweest, om met de Romeinen
44 4, 13| 13 Zo was er onder de Joden een grote
45 4, 13| geen rechte hogepriester was.~
46 4, 15| de Griekse eer de beste was.~
47 4, 18| koning daar tegenwoordig was.~
48 4, 21| van Menestheüs, in Egypte was gezonden, vanwege de eerste
49 4, 21| van zijn zaken vervreemd was, zorg gedragen voor zijn
50 4, 25| hogepriesterschaps waardig was; maar een grimmig gemoed
51 4, 28| 28 Want hij was gesteld om het geld van
52 4, 33| hem, nadat hij vertrokken was in een vrije plaats, te
53 4, 35| die man zo onrechtvaardig was gedood.~
54 4, 36| als de koning wedergekomen was van de plaatsen van Cilicië,
55 4, 36| tegen alle reden gedood was.~
56 4, 39| daarvan openlijk verbreid was, zo vergaderde de menigte
57 4, 39| verscheidene plaatsen weggebracht was.~
58 4, 40| een tiran en oud van jaren was, en ook niet min van verstand.~
59 4, 41| ook uit het slijk dat daar was, met hun handen tezamen
60 4, 44| En als de koning gekomen was te Tyrus, stelden drie mannen,
61 4, 46| koning, die in een galerij was gegaan om zich te verversen,
62 4, 47| heeft Menelaüs, die oorzaak was van al deze boosheid, ontslagen
63 4, 49| tot hun begrafenis nodig was.~
64 5, 5 | een vals gerucht gekomen was, dat Antiochus het leven
65 5, 5 | eindelijk de stad ingenomen was, zo vlood Menelaüs op de
66 5, 6 | bloedverwanten de grootste tegenspoed was; en hij dacht dat hij tekenen
67 5, 8 | als een die van de wet was afgevallen; en vervloekt
68 5, 15| Menelaüs, die een verrader was geworden, zo van de wetten
69 5, 16| eer der plaats geschonken was, met zijn goddeloze handen
70 5, 17| een kleine tijd vertoornd was geweest, en dat hij daarom
71 5, 18| Heliodorus, die gezonden was van de koning Seleucus,
72 5, 18| terstond, als hij ingekomen was, gegeseld zijnde, van zijn
73 5, 20| dezelfde plaats, die deelachtig was geworden de ongelukken,
74 5, 20| door de almachtige toorn was verlaten geweest, is weder
75 5, 22| van afkomst een Frygiër was, en veel barbaarser dan
76 5, 25| 25 Deze, als hij gekomen was te Jeruzalem, veinzende,
77 6, 3 | invoering van deze boosheid was het volk bezwaarlijk en
78 6, 7 | feestdag van Bacchus gekomen was, werden zij gedwongen wijnloofkransen
79 6, 18| verre op zijn dagen gekomen was, en zeer schoon was van
80 6, 18| gekomen was, en zeer schoon was van aangezicht, werd genoodzaakt
81 6, 21| brengen, dat hem geoorloofd was te gebruiken, door hemzelf
82 6, 21| at hetgeen door de koning was verordineerd, namelijk het
83 7, 7 | op deze wijze gestorven was, zo leidden zij de tweede
84 7, 9 | hij nu in de uiterste adem was, zeide hij: Gij booswicht,
85 7, 13| En als ook deze overleden was, hebben zij desgelijks de
86 7, 24| als de jongste nog overig was, deed niet alleen met woorden
87 8, 2 | goddeloze mensen ontheiligd was;~
88 8, 3 | de stad die nu verdorven was, en tot de aarde toe geslecht
89 8, 5 | toorn Gods in barmhartigheid was veranderd.~
90 8, 9 | een man die een overste was, goede ervaring hebbende
91 8, 10| hij de Romeinen schuldig was, zijnde tweeduizend talenten,
92 8, 12| 12 En Judas was verwittigd van de aantocht
93 8, 13| verklaard had dat het leger daar was gekomen, zo vreesden zij,
94 8, 14| verkochten alles wat overgelaten was, en baden de Here, dat hij
95 8, 17| stad, die door hen bespot was; en ook de verbreking der
96 8, 17| hij hun voorouders geweest was.~
97 8, 19| hun voorouders geschied was, en hoe dat de honderdvijfentachtigduizend
98 8, 20| tegen de Galaten gedaan was, hoe dat allen die tot noodweer
99 8, 26| 26 Want het was de dag voor de Sabbat; waarom
100 8, 27| dag toe, welke het begin was der barmhartigheid, die
101 8, 32| Filarches, die bij Timotheüs was, een zeer goddeloos man,
102 9, 2 | 2 Want als hij was ingegaan in de stad genaamd
103 9, 2 | inwoners op de vlucht gedreven was, dat hij op een schandelijke
104 9, 3 | 3 En als hij te Ecbatana was, werd hem tijding gebracht
105 9, 3 | en Timotheüs wedervaren was.~
106 9, 7 | zijn hoogspreken, maar hij was nog met hoogmoed vervuld,
107 9, 8 | wegen, als hij op de aarde was, werd in een rosbaar gedragen,
108 9, 18| rechtvaardig oordeel Gods was over hem gekomen) aan zichzelf
109 9, 29| Filippus, die met hem opgevoed was, heeft het lichaam met zich
110 10, 9 | Antiochus, die toegenaamd was Epifanes, is dusdanig geweest.~
111 10, 11| de opperste veldoverste was over Celo-Syrië en Fenicië.~
112 10, 12| Ptolomeüs, die toegenaamd was Macron, willende liever
113 10, 12| het ongelijk dat gedaan was, trachtte hetgeen hun aanging
114 10, 13| horen dat hij een verrader was, omdat hij Cyprus, hem door
115 10, 13| Antiochus Epifanes geweken was, en dat hij die edele macht
116 10, 18| voorzien van alles wat nodig was om een belegering te doorstaan,~
117 10, 21| als hetgeen daar geschied was, de Makkabeeër geboodschapt
118 10, 21| Makkabeeër geboodschapt was, vergaderde hij de oversten
119 10, 24| door de Joden overwonnen was, vergaderd hebbende een
120 10, 28| 28 En als de zon opgegaan was, leverden zij met elkander
121 10, 29| nu een zeer hevige strijd was, zijn de vijanden uit de
122 10, 32| waar Cherea de overste was.~
123 10, 40| zaken des konings gesteld was, zich zeer ontevreden houdende
124 10, 40| houdende over hetgeen geschied was,~
125 10, 52| 13 En daar hij niet dwaas was, bij zichzelf overleggende
126 10, 52| nederlaag die hem geschied was, en verstaande dat de Hebreeën
127 10, 54| zorgdragende voor hetgeen oorbaar was, stond toe al hetgeen dat
128 10, 57| verklaard, die al wat behoorlijk was toegestaan heeft.~
129 10, 61| En de brief van de koning was van deze inhoud: De koning
130 10, 66| koning aan het Joodse volk was dusdanig: De koning Antiochus
131 11, 5 | zijn landslieden begaan was, gebood de mannen, die bij
132 11, 7 | als de plaats ingesloten was, zo vertrok hij, als die
133 11, 13| die met muren omsingeld was, en die van allerlei volk,
134 11, 18| zekere plaats, die zeer sterk was.~
135 11, 21| Karnion, want deze plaats was moeilijk te belegeren en
136 11, 24| Timotheüs zelf, als hij gevallen was in de handen van Dositheüs
137 11, 27| vochten zeer kloek, en daar was een grote voorraad van instrumenten
138 11, 31| feest der weken aanstaande was, zijn zij te Jeruzalem wedergekomen.~
139 11, 32| genoemd Pinksteren, voorbij was, zo trokken zij op tegen
140 11, 42| de zonde, die daar begaan was, volkomen mocht uitgewist
141 11, 42| gezien hetgeen geschied was, om der zonden wil dergenen,
142 12, 2 | over zijn zaken gesteld was, een ieder hebbende een
143 12, 4 | betoonde dat hij oorzaak was van al dit kwaad, zo gebood
144 12, 4 | gelijk het gebruikelijk was in die plaats.~
145 12, 5 | 5 Daar was in die plaats een toren,
146 12, 5 | vijftig ellen hoog, vol was, in deze was een rond instrument,
147 12, 5 | ellen hoog, vol was, in deze was een rond instrument, waarvan
148 12, 6 | die aan kerkroof schuldig was, of die anderszins enig
149 12, 8 | altaar, waar het heilig vuur was, en de as, en daarom heeft
150 12, 9 | zijns vaders tijd geschied was.~
151 12, 17| 17 En dit was geschied als de dag aanlichtte,
152 12, 23| zaken te doen, afgevallen was, is hij verslagen geworden;
153 12, 25| hij te Ptolomaïs gekomen was, waren die van Ptolomaïs
154 13, 1 | in de haven van Tripolis was ingevaren, met een sterke
155 13, 3 | die tevoren hogepriester was geweest, en zichzelf vrijwillig
156 13, 3 | in generlei wijze behoud was, en dat hij geen toegang
157 13, 12| over de olifanten gesteld was, en hem gemaakt hebbende
158 13, 29| En daar het niet doenlijk was de koning tegen te staan,
159 13, 30| gewone omgang onvriendelijker was; en achtende dat deze strengheid
160 13, 31| behendige krijgslist bedrogen was, ging naar de grootste en
161 13, 32| zij niet wisten waar hij was, die gezocht werd, zo heeft
162 13, 34| hem aan die altijd geweest was een voorvechter van ons
163 13, 37| van een zeer goede naam was, en vanwege zijn goedertierenheid
164 13, 37| goedertierenheid een vader der Joden was genoemd, werd beschuldigd
165 13, 38| dat hij een oprecht Jood was, en hij had zijn lichaam
166 13, 41| als hij nu rondom bezet was, heeft hij zichzelf met
167 13, 42| eerlijk geslacht onbetamelijk was.~
168 13, 45| zijn gemoed zeer ontstoken was, stond hij op, zijn bloed
169 14, 3 | ook een Here in de hemel was, die geboden zou hebben,
170 14, 8 | van de hemel toegekomen was, en nu van de Almachtige
171 14, 12| 12 En aldus was zijn gezicht: dat Onias,
172 14, 13| En dat zo ook verschenen was een man met grauwe haren
173 14, 13| uitnemendheid, die bij hem was, zeer was te bewonderen,
174 14, 13| uitnemendheid, die bij hem was, zeer was te bewonderen, en gans voortreffelijk;~
175 14, 18| broeders, en bloedverwanten, was bij hen in minder achting,
176 14, 18| grootste en eerste vrees was voor de geheiligde tempel.~
177 14, 20| leger in slagorde gesteld was, en de beesten op een geschikte
178 14, 28| Nicanor tevoren gevallen was met zijn wapenrusting.~
179 14, 31| En als hij daar gekomen was, en tezamen geroepen had
|