Chapter, Verse
1 1, 3 | geve u allen een hart om hem te dienen, en om zijn wil
2 1, 7 | af dat Jason en die met hem waren van het heilige land
3 1, 11| verlost zijnde, danken wij hem grotelijks alsof wij tegen
4 1, 14| Antiochus, en zijn vrienden met hem, in die plaats gekomen waren,
5 1, 15| 15 Hetwelk hem de priesters van Nanea voorstelden,
6 2, 4 | aanspraak was onderricht, hem zou volgen; en hoe hij uitging
7 2, 6 | 6 En dat enigen, die hem gevolgd en heengegaan waren,
8 2, 18| de wet, zo hopen wij op hem, dat hij zich over ons zal
9 3, 6 | 6 En heeft hem geboodschapt, dat de schatkist
10 3, 7 | komende bij de koning, heeft hem geopenbaard hetgeen hem
11 3, 7 | hem geopenbaard hetgeen hem van het geld te kennen gegeven
12 3, 7 | gesteld was, gezonden heeft, hem last gevende, dat hij het
13 3, 15| riepen naar de hemel, tot hem, die wetten heeft gemaakt
14 3, 17| zijn hart was degenen, die hem aanzagen, bleek.~
15 3, 26| En daar verschenen voor hem nog twee andere jongelingen,
16 3, 26| aan een van zijn zijden, hem zonder ophouden geselden,
17 3, 26| zonder ophouden geselden, hem vele slagen gevende.~
18 3, 27| bevangen was, namen zij hem tezamen op, en zetten hem
19 3, 27| hem tezamen op, en zetten hem in een draagstoel;~
20 3, 28| 28 En hem, die tevoren met veel toeloop
21 3, 31| Allerhoogste zou aanroepen, dat hij hem, die nu gans in de uiterste
22 3, 35| beloften had beloofd aan hem, die hem het leven had wedergegeven,
23 3, 35| had beloofd aan hem, die hem het leven had wedergegeven,
24 3, 38| zendt die daar, en gij zult hem wel gegeseld weder krijgen,
25 4, 2 | En hij durfde zeggen van hem, die de stad veel goeds
26 4, 9 | zullen aanschrijven, indien hem zou toegelaten worden, dat
27 4, 10| 10 Hetwelk, als de koning hem had toegestaan, en hij het
28 4, 33| verstaan had, bestrafte hem, nadat hij vertrokken was
29 4, 34| op zijn zijde gekregen, hem vermaand heeft, dat hij
30 4, 34| die, komende bij Onias, en hem met bedrog verzekerd, en
31 4, 34| bedrog verzekerd, en met ede hem de hand gegeven hebbende (
32 4, 34| kwaad nadenken zijnde) heeft hem bewogen, dat hij zich uit
33 4, 34| plaats begaf, en hij heeft hem terstond rondom besloten,
34 4, 36| plaatsen van Cilicië, hebben hem de Joden, die in de stad
35 4, 38| zijn rokken verscheurd en hem door de ganse stad omgevoerd
36 4, 38| beroofd, en zo heeft de Here hem de verdiende straf vergolden.~
37 4, 44| waren, hun aanklacht aan bij hem.~
38 5, 11| vermoedde dat Judea van hem wilde afvallen; waarom hij
39 5, 22| barbaarser dan degene, die hem gesteld had,~
40 5, 25| zo gebood hij die onder hem stonden, dat zij zich zouden
41 5, 27| leefde met degenen die bij hem waren, naar de wijze der
42 6, 21| oude tijden hadden gehad, hem terzijde nemende, vermaanden
43 6, 21| terzijde nemende, vermaanden hem dat hij vlees zou willen
44 6, 21| zou willen brengen, dat hem geoorloofd was te gebruiken,
45 6, 23| geantwoord, zeggende dat zij hem haastig naar het graf wilden
46 6, 29| 29 En die hem leidden, veranderden hun
47 6, 29| zij een weinig tevoren tot hem gehad hadden, in kwaadwilligheid,
48 7, 4 | de tong zou afsnijden, en hem het vel rondom aftrekken,
49 7, 5 | 5 Als hem nu alle leden onbruikbaar
50 7, 5 | beval de koning dat men hem, die nog zijn adem haalde,
51 7, 7 | afgetrokken hebbende, vraagden zij hem: Zult gij nog geen zwijnenvlees
52 7, 11| en ik hoop dat ik dit van hem zal wederkrijgen.~
53 7, 12| koning zelf, en die bij hem waren, zich zeer verwonderden
54 7, 14| is te verwachten, om van hem weder opgewekt te worden,
55 7, 15| vijfde voor, en sloegen hem, en deze de koning aanziende,
56 7, 15| koning aanziende, zeide tot hem:~
57 7, 24| houdende, dat deze stem hem smaadheid aandeed, als de
58 7, 24| woorden een vermaning aan hem, maar hij verzekerde hem
59 7, 24| hem, maar hij verzekerde hem ook met ede, dat hij hem
60 7, 24| hem ook met ede, dat hij hem terstond rijk en gelukzalig
61 7, 24| vaderlijke wetten, en dat hij hem voor een vriend zou houden,
62 7, 27| 27 En de moeder naar hem toebukkende, en de wrede
63 8, 1 | de Makkabeeër, en die met hem waren, heimelijk in de vlekken
64 8, 3 | hij al het bloed, dat tot hem riep, zou willen verhoren;~
65 8, 9 | voornaamste vrienden, en zond hem, stellende onder hem niet
66 8, 9 | zond hem, stellende onder hem niet minder dan twintigduizend
67 8, 9 | uit te roeien; en heeft hem toegevoegd Gorgias, een
68 8, 11| verwachtende de straf die hem zou overkomen van de Almachtige.~
69 8, 13| hij aan degenen, die met hem waren, verklaard had dat
70 8, 16| vergaderd hebbende die bij hem waren, zesduizend in getal,
71 8, 36| navolgen de wetten die door hem geordineerd zijn.~ ~
72 9, 3 | hij te Ecbatana was, werd hem tijding gebracht van hetgeen
73 9, 4 | dacht dat bij het kwaad, dat hem aangedaan hadden degenen
74 9, 4 | aangedaan hadden degenen die hem verjaagd hadden, op de Joden
75 9, 4 | het oordeel uit de hemel hem reeds persende. Want hij
76 9, 5 | de God van Israël, sloeg hem met een ongeneeslijke en
77 9, 5 | woorden geëindigd had, heeft hem een ongeneeslijke pijn der
78 9, 9 | smarten en pijnen leefde, van hem afviel; en dat van zijn
79 9, 10| 10 Zodat hem, die een weinig tevoren
80 9, 13| booswicht bad de Here, die hem nu geen barmhartigheid meer
81 9, 18| rechtvaardig oordeel Gods was over hem gekomen) aan zichzelf wanhopende,
82 9, 25| bevolen heb, en ik heb aan hem geschreven hetgeen hieronder
83 9, 29| 29 En Filippus, die met hem opgevoed was, heeft het
84 10, 1 | En Makkabeüs, en die met hem waren, hebben, daar de Here
85 10, 4 | te zondigen, dat zij door hem met goedertierenheid mochten
86 10, 7 | offerden zij lofzangen hem, die voorspoed had gegeven,
87 10, 13| verrader was, omdat hij Cyprus, hem door Filometor toevertrouwd,
88 10, 15| 15 En tegelijk met hem ook de Idumeeën, welgelegen
89 10, 19| daarenboven Zacheüs, en velen met hem om deze belegering te doen,
90 10, 30| tussen hen, beschermden hem met hun wapenen, en bewaarden
91 10, 30| hun wapenen, en bewaarden hem dat hij niet gewond werd,
92 10, 46| de anderen, dat zij met hem zich in gevaar wilden begeven,
93 10, 52| overleggende de nederlaag die hem geschied was, en verstaande
94 10, 57| koning moest gebracht worden, hem verklaard, die al wat behoorlijk
95 11, 5 | gebood de mannen, die bij hem waren, de wapenen op te
96 11, 10| en vijfhonderd ruiters, hem aangevallen;~
97 11, 11| geven, belovende dat zij hem hun vee geven zouden, en
98 11, 12| Judas, achtende dat zij hem waarlijk in vele zaken zouden
99 11, 24| bedriegelijkheid, dat men hem bij het leven wilde behouden
100 11, 25| leveren zou, zo hebben zij hem losgelaten, om de behoudenis
101 11, 34| 34 En als zij tegen hem streden, geschiedde het
102 11, 35| man, had Gorgias vast, en hem bij zijn rok vattende, leidde
103 11, 35| zijn rok vattende, leidde hem kloek henen; en als hij
104 11, 35| de Thracische ruiters op hem aanvallen, en zijn schouder
105 12, 2 | 2 En met hem Lysias, zijn hofmeester
106 12, 4 | kwaad, zo gebood hij dat men hem zou brengen naar Berea,
107 12, 12| met klagen en vasten, voor hem zonder ophouden drie dagen
108 12, 12| geboden, dat zij zouden bij hem komen.~
109 12, 13| zouden bemachtigen, dat zij hem zouden tegentrekken, en
110 12, 14| hebbende degenen die met hem waren, dat zij kloekmoedig
111 12, 17| bescherming des Heren, die hem hielp.~
112 12, 24| omhelsde Makkabeüs, en benoemde hem tot een opperste veldoverste,
113 13, 3 | vermenging, overleggende dat voor hem in generlei wijze behoud
114 13, 4 | honderdeenenvijftigste jaar, hem brengende een gouden kroon,
115 13, 11| En als deze dingen door hem gezegd waren, hebben de
116 13, 12| olifanten gesteld was, en hem gemaakt hebbende tot overste
117 13, 12| overste over Judea, zond hem derwaarts;~
118 13, 13| 13 Hem brieven gevende, dat hij
119 13, 13| ombrengen, en degenen die met hem waren verstrooien, en dat
120 13, 15| dat de heidenen zich bij hem voegden, strooiden aarde
121 13, 15| op hun hoofden, en baden hem, die tot in eeuwigheid zijn
122 13, 23| af, die bij menigten tot hem vergaderd waren.~
123 13, 25| 25 En hij vermaande hem, dat hij een huisvrouw zou
124 13, 30| bemerkende dat Nicanor met hem strenger handelde, en dat
125 13, 31| en gebood hun, dat zij hem de man zouden uitleveren.~
126 13, 34| hemel uitstekende, riepen hem aan die altijd geweest was
127 13, 40| Want hij meende, als hij hem zou gevangen hebben, dat
128 13, 46| leven en geest, dat hij hem die wilde wedergeven, zo
129 14, 2 | 2 En als de Joden, die hem uit nooddwang volgden, tot
130 14, 2 | uit nooddwang volgden, tot hem zeiden: Wil hen geenszins
131 14, 2 | heiligheid geëerd is door hem, die alle dingen aanziet,
132 14, 8 | vermaande degenen die met hem waren, dat zij de aankomst
133 14, 13| zijn uitnemendheid, die bij hem was, zeer was te bewonderen,
134 14, 21| wapenen, maar dat ze van hem gegeven wordt degenen, die
|