Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
hellebaardiers 2
helpen 2
helper 1
hem 134
hemel 20
hemelen 1
hemels 1
Frequency    [«  »]
196 zij
179 was
162 als
134 hem
123 deze
119 waren
118 tot

Het tweede boek der Makkabeeën

IntraText - Concordances

hem

    Chapter, Verse
1 1, 3 | geve u allen een hart om hem te dienen, en om zijn wil 2 1, 7 | af dat Jason en die met hem waren van het heilige land 3 1, 11| verlost zijnde, danken wij hem grotelijks alsof wij tegen 4 1, 14| Antiochus, en zijn vrienden met hem, in die plaats gekomen waren, 5 1, 15| 15 Hetwelk hem de priesters van Nanea voorstelden, 6 2, 4 | aanspraak was onderricht, hem zou volgen; en hoe hij uitging 7 2, 6 | 6 En dat enigen, die hem gevolgd en heengegaan waren, 8 2, 18| de wet, zo hopen wij op hem, dat hij zich over ons zal 9 3, 6 | 6 En heeft hem geboodschapt, dat de schatkist 10 3, 7 | komende bij de koning, heeft hem geopenbaard hetgeen hem 11 3, 7 | hem geopenbaard hetgeen hem van het geld te kennen gegeven 12 3, 7 | gesteld was, gezonden heeft, hem last gevende, dat hij het 13 3, 15| riepen naar de hemel, tot hem, die wetten heeft gemaakt 14 3, 17| zijn hart was degenen, die hem aanzagen, bleek.~ 15 3, 26| En daar verschenen voor hem nog twee andere jongelingen, 16 3, 26| aan een van zijn zijden, hem zonder ophouden geselden, 17 3, 26| zonder ophouden geselden, hem vele slagen gevende.~ 18 3, 27| bevangen was, namen zij hem tezamen op, en zetten hem 19 3, 27| hem tezamen op, en zetten hem in een draagstoel;~ 20 3, 28| 28 En hem, die tevoren met veel toeloop 21 3, 31| Allerhoogste zou aanroepen, dat hij hem, die nu gans in de uiterste 22 3, 35| beloften had beloofd aan hem, die hem het leven had wedergegeven, 23 3, 35| had beloofd aan hem, die hem het leven had wedergegeven, 24 3, 38| zendt die daar, en gij zult hem wel gegeseld weder krijgen, 25 4, 2 | En hij durfde zeggen van hem, die de stad veel goeds 26 4, 9 | zullen aanschrijven, indien hem zou toegelaten worden, dat 27 4, 10| 10 Hetwelk, als de koning hem had toegestaan, en hij het 28 4, 33| verstaan had, bestrafte hem, nadat hij vertrokken was 29 4, 34| op zijn zijde gekregen, hem vermaand heeft, dat hij 30 4, 34| die, komende bij Onias, en hem met bedrog verzekerd, en 31 4, 34| bedrog verzekerd, en met ede hem de hand gegeven hebbende ( 32 4, 34| kwaad nadenken zijnde) heeft hem bewogen, dat hij zich uit 33 4, 34| plaats begaf, en hij heeft hem terstond rondom besloten, 34 4, 36| plaatsen van Cilicië, hebben hem de Joden, die in de stad 35 4, 38| zijn rokken verscheurd en hem door de ganse stad omgevoerd 36 4, 38| beroofd, en zo heeft de Here hem de verdiende straf vergolden.~ 37 4, 44| waren, hun aanklacht aan bij hem.~ 38 5, 11| vermoedde dat Judea van hem wilde afvallen; waarom hij 39 5, 22| barbaarser dan degene, die hem gesteld had,~ 40 5, 25| zo gebood hij die onder hem stonden, dat zij zich zouden 41 5, 27| leefde met degenen die bij hem waren, naar de wijze der 42 6, 21| oude tijden hadden gehad, hem terzijde nemende, vermaanden 43 6, 21| terzijde nemende, vermaanden hem dat hij vlees zou willen 44 6, 21| zou willen brengen, dat hem geoorloofd was te gebruiken, 45 6, 23| geantwoord, zeggende dat zij hem haastig naar het graf wilden 46 6, 29| 29 En die hem leidden, veranderden hun 47 6, 29| zij een weinig tevoren tot hem gehad hadden, in kwaadwilligheid, 48 7, 4 | de tong zou afsnijden, en hem het vel rondom aftrekken, 49 7, 5 | 5 Als hem nu alle leden onbruikbaar 50 7, 5 | beval de koning dat men hem, die nog zijn adem haalde, 51 7, 7 | afgetrokken hebbende, vraagden zij hem: Zult gij nog geen zwijnenvlees 52 7, 11| en ik hoop dat ik dit van hem zal wederkrijgen.~ 53 7, 12| koning zelf, en die bij hem waren, zich zeer verwonderden 54 7, 14| is te verwachten, om van hem weder opgewekt te worden, 55 7, 15| vijfde voor, en sloegen hem, en deze de koning aanziende, 56 7, 15| koning aanziende, zeide tot hem:~ 57 7, 24| houdende, dat deze stem hem smaadheid aandeed, als de 58 7, 24| woorden een vermaning aan hem, maar hij verzekerde hem 59 7, 24| hem, maar hij verzekerde hem ook met ede, dat hij hem 60 7, 24| hem ook met ede, dat hij hem terstond rijk en gelukzalig 61 7, 24| vaderlijke wetten, en dat hij hem voor een vriend zou houden, 62 7, 27| 27 En de moeder naar hem toebukkende, en de wrede 63 8, 1 | de Makkabeeër, en die met hem waren, heimelijk in de vlekken 64 8, 3 | hij al het bloed, dat tot hem riep, zou willen verhoren;~ 65 8, 9 | voornaamste vrienden, en zond hem, stellende onder hem niet 66 8, 9 | zond hem, stellende onder hem niet minder dan twintigduizend 67 8, 9 | uit te roeien; en heeft hem toegevoegd Gorgias, een 68 8, 11| verwachtende de straf die hem zou overkomen van de Almachtige.~ 69 8, 13| hij aan degenen, die met hem waren, verklaard had dat 70 8, 16| vergaderd hebbende die bij hem waren, zesduizend in getal, 71 8, 36| navolgen de wetten die door hem geordineerd zijn.~ ~ 72 9, 3 | hij te Ecbatana was, werd hem tijding gebracht van hetgeen 73 9, 4 | dacht dat bij het kwaad, dat hem aangedaan hadden degenen 74 9, 4 | aangedaan hadden degenen die hem verjaagd hadden, op de Joden 75 9, 4 | het oordeel uit de hemel hem reeds persende. Want hij 76 9, 5 | de God van Israël, sloeg hem met een ongeneeslijke en 77 9, 5 | woorden geëindigd had, heeft hem een ongeneeslijke pijn der 78 9, 9 | smarten en pijnen leefde, van hem afviel; en dat van zijn 79 9, 10| 10 Zodat hem, die een weinig tevoren 80 9, 13| booswicht bad de Here, die hem nu geen barmhartigheid meer 81 9, 18| rechtvaardig oordeel Gods was over hem gekomen) aan zichzelf wanhopende, 82 9, 25| bevolen heb, en ik heb aan hem geschreven hetgeen hieronder 83 9, 29| 29 En Filippus, die met hem opgevoed was, heeft het 84 10, 1 | En Makkabeüs, en die met hem waren, hebben, daar de Here 85 10, 4 | te zondigen, dat zij door hem met goedertierenheid mochten 86 10, 7 | offerden zij lofzangen hem, die voorspoed had gegeven, 87 10, 13| verrader was, omdat hij Cyprus, hem door Filometor toevertrouwd, 88 10, 15| 15 En tegelijk met hem ook de Idumeeën, welgelegen 89 10, 19| daarenboven Zacheüs, en velen met hem om deze belegering te doen, 90 10, 30| tussen hen, beschermden hem met hun wapenen, en bewaarden 91 10, 30| hun wapenen, en bewaarden hem dat hij niet gewond werd, 92 10, 46| de anderen, dat zij met hem zich in gevaar wilden begeven, 93 10, 52| overleggende de nederlaag die hem geschied was, en verstaande 94 10, 57| koning moest gebracht worden, hem verklaard, die al wat behoorlijk 95 11, 5 | gebood de mannen, die bij hem waren, de wapenen op te 96 11, 10| en vijfhonderd ruiters, hem aangevallen;~ 97 11, 11| geven, belovende dat zij hem hun vee geven zouden, en 98 11, 12| Judas, achtende dat zij hem waarlijk in vele zaken zouden 99 11, 24| bedriegelijkheid, dat men hem bij het leven wilde behouden 100 11, 25| leveren zou, zo hebben zij hem losgelaten, om de behoudenis 101 11, 34| 34 En als zij tegen hem streden, geschiedde het 102 11, 35| man, had Gorgias vast, en hem bij zijn rok vattende, leidde 103 11, 35| zijn rok vattende, leidde hem kloek henen; en als hij 104 11, 35| de Thracische ruiters op hem aanvallen, en zijn schouder 105 12, 2 | 2 En met hem Lysias, zijn hofmeester 106 12, 4 | kwaad, zo gebood hij dat men hem zou brengen naar Berea, 107 12, 12| met klagen en vasten, voor hem zonder ophouden drie dagen 108 12, 12| geboden, dat zij zouden bij hem komen.~ 109 12, 13| zouden bemachtigen, dat zij hem zouden tegentrekken, en 110 12, 14| hebbende degenen die met hem waren, dat zij kloekmoedig 111 12, 17| bescherming des Heren, die hem hielp.~ 112 12, 24| omhelsde Makkabeüs, en benoemde hem tot een opperste veldoverste, 113 13, 3 | vermenging, overleggende dat voor hem in generlei wijze behoud 114 13, 4 | honderdeenenvijftigste jaar, hem brengende een gouden kroon, 115 13, 11| En als deze dingen door hem gezegd waren, hebben de 116 13, 12| olifanten gesteld was, en hem gemaakt hebbende tot overste 117 13, 12| overste over Judea, zond hem derwaarts;~ 118 13, 13| 13 Hem brieven gevende, dat hij 119 13, 13| ombrengen, en degenen die met hem waren verstrooien, en dat 120 13, 15| dat de heidenen zich bij hem voegden, strooiden aarde 121 13, 15| op hun hoofden, en baden hem, die tot in eeuwigheid zijn 122 13, 23| af, die bij menigten tot hem vergaderd waren.~ 123 13, 25| 25 En hij vermaande hem, dat hij een huisvrouw zou 124 13, 30| bemerkende dat Nicanor met hem strenger handelde, en dat 125 13, 31| en gebood hun, dat zij hem de man zouden uitleveren.~ 126 13, 34| hemel uitstekende, riepen hem aan die altijd geweest was 127 13, 40| Want hij meende, als hij hem zou gevangen hebben, dat 128 13, 46| leven en geest, dat hij hem die wilde wedergeven, zo 129 14, 2 | 2 En als de Joden, die hem uit nooddwang volgden, tot 130 14, 2 | uit nooddwang volgden, tot hem zeiden: Wil hen geenszins 131 14, 2 | heiligheid geëerd is door hem, die alle dingen aanziet, 132 14, 8 | vermaande degenen die met hem waren, dat zij de aankomst 133 14, 13| zijn uitnemendheid, die bij hem was, zeer was te bewonderen, 134 14, 21| wapenen, maar dat ze van hem gegeven wordt degenen, die


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License