Chapter, Verse
1 1, 7 | dat Jason en die met hem waren van het heilige land en
2 1, 14| hem, in die plaats gekomen waren, opdat hij met haar zou
3 1, 16| die tot degenen die buiten waren.~
4 1, 19| godvruchtige priesters, die toen waren, heimelijk van het vuur
5 1, 20| als er vele jaren verlopen waren, toen God het goedvond,
6 2, 6 | hem gevolgd en heengegaan waren, om de weg te tekenen, deze
7 2, 14| aangedaan was, vervallen waren, bijeenvergaderd; en die
8 3, 9 | dingen zo in der waarheid waren.~
9 3, 11| aangebracht; en dat er alles samen waren vierhonderd talenten zilver
10 3, 16| de kleur, die veranderd waren, gaven te kennen de benauwdheid,
11 3, 19| maagden, die opgesloten waren, liepen sommigen tezamen
12 4, 11| koningen de Joden goedertieren waren gegund door Johannes, de
13 4, 14| priesters niet meer volvaardig waren om de dienst te doen bij
14 4, 19| alsof zij van Antiochië waren, medebrengende driehonderd
15 4, 28| door de koning ontboden waren,~
16 4, 30| als deze dingen zo gesteld waren, is het gebeurd dat die
17 4, 30| tot een geschenk gegeven waren aan Antiochus, des konings
18 4, 31| die in hoogheid gesteld waren.~
19 4, 36| de Joden, die in de stad waren, aangesproken, gelijk ook
20 4, 40| geraakt en vol gramschap waren, wapende Lysimachus tot
21 4, 41| degenen, die met Lysimachus waren.~
22 4, 44| die door de raad gezonden waren, hun aanklacht aan bij hem.~
23 5, 5 | zij op de muren gedreven waren, en eindelijk de stad ingenomen
24 5, 11| deze dingen zo geschied waren, vermoedde dat Judea van
25 5, 14| minder verkocht dan er gedood waren.~
26 5, 18| tot vele zonden gebracht waren, gelijk die Heliodorus,
27 5, 20| die over dit volk gekomen waren, daarna ook deelachtig geworden
28 5, 24| mannelijke ouderdom gekomen waren, zou doden, en de vrouwen
29 5, 26| heeft allen, die uitgegaan waren om de schouwspelen te zien,
30 5, 27| met degenen die bij hem waren, naar de wijze der wilde
31 6, 21| En degenen, die gesteld waren om deze onwettige ingewanden
32 7, 3 | die terstond heet gemaakt waren,~
33 7, 5 | nu alle leden onbruikbaar waren gemaakt, zo beval de koning
34 7, 12| koning zelf, en die bij hem waren, zich zeer verwonderden
35 8, 1 | Makkabeeër, en die met hem waren, heimelijk in de vlekken
36 8, 1 | Joodse godsdienst gebleven waren tot zich nemende, vergaderden
37 8, 4 | tegen zijn naam geschied waren, zijn haat wilde betonen
38 8, 13| aan degenen, die met hem waren, verklaard had dat het leger
39 8, 14| zij bijeenkwamen, verkocht waren;~
40 8, 15| voortreffelijke naam genoemd waren.~
41 8, 16| vergaderd hebbende die bij hem waren, zesduizend in getal, vermaande
42 8, 19| onder Sanherib omgebracht waren;~
43 8, 20| die tot noodweer gekomen waren, maar achtduizend waren,
44 8, 20| waren, maar achtduizend waren, met vierduizend Macedoniërs,
45 8, 25| van degenen die gekomen waren om hen te kopen; en lange
46 8, 25| daar zij door de tijd belet waren.~
47 8, 30| bij Timotheüs en Bacchides waren, over de twintigduizend,
48 8, 35| naar zijn achting de minste waren, door de hulp des Heren,
49 10, 1 | Makkabeüs, en die met hem waren, hebben, daar de Here hen
50 10, 2 | heidenen op de markt opgebouwd waren, en bovendien ook de tempel
51 10, 6 | in eenzaamheid geweest waren.~
52 10, 15| die uit Jeruzalem gebannen waren, trachtten de oorlog te
53 10, 16| 16 En die met Makkabeüs waren, een biddag gehouden en
54 10, 18| dan negenduizend gevlucht waren in twee torens, die zeer
55 10, 18| twee torens, die zeer sterk waren en wel voorzien van alles
56 10, 20| 20 Maar die met Simon waren, geldgierig zijnde, lieten
57 10, 20| sommigen, die in de torens waren, met geld omkopen, en zevenduizend
58 10, 22| hen, daar zij verraders waren, omgebracht, en terstond
59 10, 24| de ruiters, die van Azië waren, niet weinig in getal, kwam
60 10, 25| 25 Die met Makkabeüs waren, als hij met hen naderde
61 10, 27| zij van het gebed gekomen waren, namen zij de wapenen, en
62 10, 29| gouden tomen, en twee van hen waren leidslieden der Joden.~
63 10, 33| 33 Die met Makkabeüs waren, kloekmoedig zijnde, belegerden
64 10, 34| 34 En die daar binnen waren, vertrouwende op de vastigheid
65 10, 35| jongelingen, die met Makkabeüs waren, in hun gemoed ontstoken
66 10, 36| omgang tot hen, die binnen waren, staken de torens in brand,
67 10, 45| En als die met Makkabeüs waren verstonden, dat hij hun
68 10, 47| als zij nog bij Jeruzalem waren, is hun een te paard zittende
69 10, 52| Hebreeën onoverwinnelijk waren, overmits de alvermogende
70 10, 55| aan de Joden geschreven, waren van deze inhoud: Lysias
71 11, 1 | verbonden aldus gemaakt waren, zo vertrok Lysias naar
72 11, 4 | nadat zij in zee gevaren waren, hebben die van Joppe hen
73 11, 5 | gebood de mannen, die bij hem waren, de wapenen op te nemen;
74 11, 6 | doorstak hen, die daar gevlucht waren.~
75 11, 10| als zij vandaar vertrokken waren negen stadiën, en hun reis
76 11, 11| geschiedde, en die met Judas waren, door de hulp, die van God
77 11, 14| scheldende die met Judas waren en daarenboven hen lasterende,
78 11, 15| 15 Doch die met Judas waren, aanroepende de grote prins
79 11, 17| zevenhonderdenvijftig stadiën voortgetrokken waren, kwamen zij in Charax tot
80 11, 19| dergenen die met Makkabeüs waren, uittrekkende, vernielden
81 11, 19| van Timotheüs daar gelaten waren in de sterkte, meer dan
82 11, 28| van degenen, die daarin waren, tot vijfentwintigduizend.~
83 11, 36| degenen, die bij Esdrin waren, lang vochten, en vermoeid
84 11, 36| lang vochten, en vermoeid waren, zo riep Judas de Here aan,
85 11, 39| kwamen degenen die met Judas waren, omtrent de tijd als het
86 11, 39| lichamen dergenen die gevallen waren weg te nemen, en met hun
87 11, 40| afgoden van Jamnia geheiligd waren, hetwelk de wet de Joden
88 11, 40| om deze oorzaak gevallen waren.~
89 11, 42| wil dergenen, die gevallen waren.~
90 11, 44| dat degenen die gevallen waren, weder zouden opstaan, zo
91 12, 1 | aan degenen die bij Judas waren ter ore, dat Antiochus Eupator
92 12, 10| komen degenen die in gevaar waren van de wet, en van hun vaderland,
93 12, 14| hebbende degenen die met hem waren, dat zij kloekmoedig tot
94 12, 15| dergenen, die daar in het huis waren.~
95 12, 20| degenen, die daar binnen waren, hetgeen zij van node hadden.~
96 12, 23| met degenen die met Judas waren, ontving hij de nederlaag.
97 12, 25| te Ptolomaïs gekomen was, waren die van Ptolomaïs zeer ontevreden
98 13, 11| deze dingen door hem gezegd waren, hebben de andere vrienden
99 13, 11| tegen Judas kwalijk gezind waren, gemakkelijk Demetrius nog
100 13, 13| en degenen die met hem waren verstrooien, en dat hij
101 13, 14| die voor Judas uit Judea waren gevlucht, vermengden zich
102 13, 17| dat de vijanden zo spoedig waren verdwenen.~
103 13, 18| degenen hadden die met Judas waren, en wat voorspoed zij hadden
104 13, 20| dat de stemmen eenparig waren, zo stonden zij de verbonden
105 13, 22| enigen, die in de wapenen waren, in bekwame plaatsen, om
106 13, 23| menigten tot hem vergaderd waren.~
107 13, 26| dingen voorhad die vijandig waren aan de zaken des konings;
108 13, 28| deze dingen ter ore gekomen waren, is hij zeer verbaasd geworden,
109 14, 1 | dat degenen die met Judas waren, zich onthielden in de plaatsen
110 14, 6 | over degenen, die met Judas waren, op te richten.~
111 14, 8 | vermaande degenen die met hem waren, dat zij de aankomst der
112 14, 17| van Judas, die zeer goed waren, en zeer krachtig om tot
113 14, 17| en de tempel in gevaar waren.~
114 14, 19| die in de stad gelaten waren, hadden geen kleine benauwdheid;
115 14, 20| op een geschikte plaats waren besteld, en de ruiterij
116 14, 25| Degenen nu, die met Nicanor waren, kwamen aan met trompetten
117 14, 26| 26 Maar die met Judas waren, vielen onder de vijanden
118 14, 28| zij uit deze nood gered waren, en met vreugde aftrokken,
119 14, 31| degenen, die in de burcht waren.~
|