Chapter, Verse
1 1, 5 | u verzoend, en verlate u niet in de kwade tijd.~
2 2, 2 | gevende de wet, dat zij niet zouden vergeten de geboden
3 2, 2 | geboden des Heren, en dat zij niet zouden dwalen in hun verstand,
4 2, 3 | dat zij met hun harten niet zouden afwijken van de wet,~
5 2, 6 | de weg te tekenen, deze niet hebben kunnen vinden.~
6 2, 11| offerandel voor de zonde niet zou gegeten worden, daarom
7 2, 27| dit kort begrip te maken, niet licht geweest, maar een
8 2, 28| ieder wel zoekt te dienen, niet licht is, om van velen goede
9 3, 5 | 5 En als hij Onias niet kon overwinnen, kwam hij
10 3, 6 | ontelbaar was, en dat ze niet behoorden tot de rekening
11 3, 11| hoogheid gesteld was, zodat het niet was gelijk de goddeloze
12 3, 28| dat hij met de wapenen niet kon geholpen worden, en
13 4, 5 | 5 Niet om te zijn een beschuldiger
14 4, 6 | gebracht worden, en dat Simon niet zou ophouden van zijn razernij.~
15 4, 14| 14 Zodat de priesters niet meer volvaardig waren om
16 4, 19| dat ze tot die offerande niet zouden gebruikt worden.~
17 4, 34| hoewel toen hij de hand gaf, niet zonder kwaad nadenken zijnde)
18 4, 35| 35 Om welke oorzaak niet alleen de Joden, maar ook
19 4, 35| kwalijk namen, en konden het niet verdragen, dat die man zo
20 4, 40| oud van jaren was, en ook niet min van verstand.~
21 5, 5 | dood verwisseld had, Jason niet minder dan duizend mannen
22 5, 6 | zonder iemand te sparen, niet denkende dat de voorspoed
23 5, 6 | van overwinning oprichtte, niet van zijn medeburgers, maar
24 5, 7 | verkreeg het oppergezag niet; maar als einde van zijn
25 5, 14| hand gevangen en er werden niet minder verkocht dan er gedood
26 5, 15| 15 En daarmee niet tevreden zijnde, heeft hij
27 5, 17| zijn gemoed zeer hovaardig, niet aanmerkende, dat om der
28 5, 17| dat hij daarom de plaats niet aanzag.~
29 5, 18| 18 Want ware het niet gebeurd, dat zij tot vele
30 5, 19| Maar de Here heeft het volk niet om de plaats, maar de plaats
31 6, 1 | 1 En niet lang daarna zond de koning
32 6, 1 | wetten hunner vaderen, en niet zouden wandelen naar de
33 6, 4 | dingen daarin brachten die niet betaamden.~
34 6, 9 | 9 En dat al degenen, die niet zouden willen verkiezen
35 6, 12| boek zullen lezen, dat zij niet ontsteld worden over deze
36 6, 12| achten, dat deze straffen niet zijn tot verderf, maar tot
37 6, 14| 14 Want de Here doet hun niet gelijk de andere volken,
38 6, 15| tegen ons te zijn; opdat niet, wanneer onze zonden tot
39 6, 16| kastijdende, verlaat hij het niet.~
40 6, 20| tegen die dingen, welke niet geoorloofd zijn te proeven,
41 6, 24| het betaamt onze ouderdom niet te veinzen, opdat vele jonge
42 6, 26| mensen, zo zou ik nochtans niet ontvlieden, noch levende
43 6, 31| hij gestorven, zijn dood niet alleen de jongelieden, maar
44 7, 16| wat gij wilt, maar denkt niet dat ons geslacht van God
45 7, 18| sterven zou, zeide hij: Dwaal niet tevergeefs, want wij lijden
46 7, 19| 19 En gij, meen niet dat gij onschuldig zult
47 7, 22| Zeggende tot hen: Ik weet niet hoe gij in mijn lichaam
48 7, 23| barmhartigheid, gelijk gij uzelf niet acht om zijner wetten wil.~
49 7, 24| jongste nog overig was, deed niet alleen met woorden een vermaning
50 7, 28| dat God deze dingen uit niet gemaakt heeft, en dat het
51 7, 29| 29 Vrees deze beul niet, maar wil u zo gedragen
52 7, 30| Ik zal des konings gebod niet gehoorzaam zijn, maar ik
53 7, 31| Hebreeën, zult de handen Gods niet ontvlieden.~
54 7, 34| onreinste van alle mensen, wil u niet tevergeefs verhovaardigen,
55 7, 35| 35 Want gij zijt nog niet ontvloden het oordeel des
56 8, 6 | welgelegen plaatsen in, en dreef niet weinigen van de vijanden
57 8, 9 | hem, stellende onder hem niet minder dan twintigduizend
58 8, 11| zou geven voor een talent; niet verwachtende de straf die
59 8, 13| vreesden zij, en vertrouwden niet op de gerechtigheid van
60 8, 15| 15 En zo hij het niet deed om hunnentwil, dat
61 8, 16| zij om der vijanden wil niet zouden verslagen zijn, niet
62 8, 16| niet zouden verslagen zijn, niet vrezen de grote menigte
63 8, 26| de Sabbat; waarom zij hen niet langer naliepen.~
64 8, 36| dat op deze wijze de Joden niet kunnen gewond worden, omdat
65 9, 7 | 7 Doch hij liet daarom niet af van zijn hoogspreken,
66 9, 12| En zijn eigen stank ook niet kunnende verdragen, zeide
67 9, 12| sterfelijk mens zijnde, niet denke God gelijk te zijn.~
68 9, 15| hij voorgenomen had zelfs niet met een begrafenis te verwaardigen,
69 9, 22| verzekerdheid van allen; niet wanhopende aan mijzelf,
70 9, 24| rijk gelaten zijn, en zij niet ontroerd worden.~
71 10, 4 | buik nedervallende, dat zij niet weder mochten vallen in
72 10, 4 | mochten worden gekastijd, en niet de godslasterlijke en barbaarse
73 10, 13| dat hij die edele macht niet zo voortreffelijk had bediend,
74 10, 17| ontmoetten, en brachten niet minder dan twintigduizend
75 10, 18| 18 En als er niet minder dan negenduizend
76 10, 24| ruiters, die van Azië waren, niet weinig in getal, kwam aanrukken,
77 10, 30| en bewaarden hem dat hij niet gewond werd, en wierpen
78 10, 48| gesterkt, bereid zijnde niet alleen de mensen, maar ook
79 10, 52| 13 En daar hij niet dwaas was, bij zichzelf
80 10, 63| Gehoord hebbende, dat de Joden niet tevreden zijn met de verandering
81 11, 2 | overste van Cyprus, lieten hun niet toe, dat zij in rust mochten
82 11, 4 | de zee verdronken, zijnde niet minder dan tweehonderd.~
83 11, 10| Arabieren, sterk zijnde niet minder dan vijfduizend te
84 11, 18| En zij vonden Timotheüs niet in die plaatsen; en toen
85 11, 44| 44 (Want indien hij niet had verwacht, dat degenen
86 12, 3 | veel schimpen vermaande, niet om het welvaren van het
87 12, 7 | Menelaüs stierf, en de aarde niet mocht bekomen.~
88 12, 11| weinig adem had geschept, niet wilde laten vallen in de
89 13, 6 | verwekken oproeren, en laten niet toe dat het koninkrijk een
90 13, 22| zijn, opdat van de vijanden niet te eniger tijd onvoorziens
91 13, 29| 29 En daar het niet doenlijk was de koning tegen
92 13, 30| achtende dat deze strengheid niet uit de beste oorzaak voortkwam,
93 13, 30| voortkwam, vergaderd hebbende niet weinigen van de zijnen,
94 13, 32| ede verklaarden, dat zij niet wisten waar hij was, die
95 13, 33| 33 Indien gij mij Judas niet gevangen overlevert, zo
96 13, 43| van de strijd, de steek niet recht gegeven had, en de
97 14, 5 | zijn ellendigen raadslag niet uitvoeren.~
98 14, 8 | de aankomst der heidenen niet zouden vrezen, maar dat
99 14, 11| wapende zo een ieder van hen, niet zozeer met zekerheid van
100 14, 21| wist dat de overwinning niet verkregen wordt door de
101 14, 27| tot God biddende, sloegen niet minder dan vijfendertigduizend
|