Chapter, Verse
1 1, 16| zijnen, en ontleedden hen, en hun hoofden afgehouwen hebbende,
2 1, 21| 21 Zo gebood hij hun, dat zij zouden putten,
3 2, 2 | 2 Hun gevende de wet, dat zij
4 2, 2 | zij niet zouden dwalen in hun verstand, ziende de gouden
5 2, 2 | en zilveren beelden, en hun versiering.~
6 2, 3 | andere dergelijke dingen hun aanzeggende, vermaande hij
7 2, 3 | vermaande hij hen, dat zij met hun harten niet zouden afwijken
8 2, 23| met alle goedertierenheid hun genadig was geworden;~
9 3, 15| 15 En de priesters in hun priesterlijke klederen,
10 4, 41| slijk dat daar was, met hun handen tezamen geperst,
11 4, 44| de raad gezonden waren, hun aanklacht aan bij hem.~
12 4, 49| besteld hebben hetgeen tot hun begrafenis nodig was.~
13 5, 9 | 9 En hij, die velen uit hun vaderland in ballingschap
14 5, 12| krijgslieden, dat zij allen die hun tegenkwamen zouden slaan,
15 6, 14| 14 Want de Here doet hun niet gelijk de andere volken,
16 6, 14| om hen te straffen, als hun zonden vervuld zijn.~
17 6, 29| hem leidden, veranderden hun goedwilligheid, die zij
18 8, 1 | vlekken inkomende, riepen hun bloedverwanten tot zich;
19 8, 15| de verbonden, die hij met hun vaderen gemaakt had, en
20 8, 17| verbreking der regering, die hij hun voorouders geweest was.~
21 8, 18| zeide: Dezen vertrouwen op hun wapenen en stoutheid, waar
22 8, 19| 19 En hij verhaalde hun de hulp, die aan hun voorouders
23 8, 19| verhaalde hun de hulp, die aan hun voorouders geschied was,
24 8, 20| omgebracht door de hulp die hun van de hemel geschiedde,
25 8, 23| 23 En als hij hun voorgelezen had het heilig
26 8, 23| had het heilig boek, en hun tot een leus gegeven had:
27 8, 28| onder zichzelf en onder hun knechten.~
28 8, 30| 30 En hun macht te zamen gebracht
29 8, 31| 31 En hun wapenen verzameld hebbende,
30 10, 4 | hebbende, baden zij de Here, op hun buik nedervallende, dat
31 10, 12| gedaan was, trachtte hetgeen hun aanging vreedzaam te bestellen.~
32 10, 15| welgelegen sterkten in hun macht hebbende, oefenden
33 10, 21| beschuldigde hen, dat zij hun broeders voor geld hadden
34 10, 21| daar zij de vijanden tot hun nadeel hadden losgelaten.~
35 10, 25| gebed van God, aarde op hun hoofden strooiende, en hun
36 10, 25| hun hoofden strooiende, en hun lendenen met zakken omgordende,~
37 10, 26| altaar is, baden dat hij hun wilde genadig zijn, en dat
38 10, 26| vijandig zou willen zijn tegen hun vijanden, en degenen tegenstaan
39 10, 28| genen stelden daartegen hun moed tot een overste van
40 10, 30| hen, beschermden hem met hun wapenen, en bewaarden hem
41 10, 35| met Makkabeüs waren, in hun gemoed ontstoken zijnde
42 10, 35| ontstoken gemoed allen die hun voorkwamen doodgeslagen.~
43 10, 38| weldaad had bewezen, en die hun deze overwinning gegeven
44 10, 45| waren verstonden, dat hij hun sterkten belegerd had, zo
45 10, 46| gevaar wilden begeven, om hun broeders te hulp te komen.~
46 10, 47| bij Jeruzalem waren, is hun een te paard zittende verschenen,
47 10, 47| zittende verschenen, die hun voorreed, in witte kleding,
48 10, 48| eendrachtig, en werden in hun zielen zeer gesterkt, bereid
49 10, 50| 11 En als leeuwen op hun vijanden aanvallende, hieuwen
50 10, 53| 14 En verzekerde hun, dat hij op alle billijke
51 10, 53| zou bewegen, ja noodzaken hun vriend te worden.~
52 10, 62| zijn, buiten alle beroerten hun eigen zaken mogen verzorgen;~
53 10, 63| godsdienst, maar dat zij hun eigen wijze liever willen
54 10, 63| en daarom verzoeken dat hun toegelaten worde hun eigen
55 10, 63| dat hun toegelaten worde hun eigen wetten te mogen volgen;~
56 10, 64| zal zijn, en bevelen, dat hun de tempel zal worden wedergegeven,
57 10, 65| dat gij tot ben zendt, hun gevende de rechterhand,
58 10, 65| mogen zijn, en met vreugde hun eigen dingen mogen verrichten.~
59 10, 70| de Joden gebruiken mogen hun eigen spijzen en wetten,
60 11, 2 | overste van Cyprus, lieten hun niet toe, dat zij in rust
61 11, 2 | rust mochten blijven, en hun dingen in stilte doen.~
62 11, 9 | des nachts, en verbrandde hun haven en vloot, zodat het
63 11, 10| waren negen stadiën, en hun reis tegen Timotheüs maakten,
64 11, 11| overwonnen zijnde, dat Judas hun wilde de rechterhand geven,
65 11, 11| geven, belovende dat zij hem hun vee geven zouden, en hun
66 11, 11| hun vee geven zouden, en hun bevorderlijk zijn in alles.~
67 11, 12| zijn zij vertrokken in hun tenten.~
68 11, 22| zodat zij dikwijls door hun eigen volk gekwetst, en
69 11, 30| burgers van Scythopolis hun toegedragen hadden, en boe
70 11, 31| hen, dat zij ook voortaan hun volk goedgunstig zouden
71 11, 38| en daar de zevende dag hun overkwam, hebben zij, naar
72 11, 39| waren weg te nemen, en met hun bloedvrienden te stellen
73 11, 42| mochten zijn, als die voor hun ogen hadden gezien hetgeen
74 12, 9 | meer kwaad te doen, als hun ooit in zijns vaders tijd
75 12, 10| waren van de wet, en van hun vaderland, en van de heilige
76 12, 23| hij zich aan hen, en zwoer hun op alle billijke voorwaarden;
77 13, 14| Joden tegenspoed en ellenden hun eigen voorspoed zou zijn.~
78 13, 15| voegden, strooiden aarde op hun hoofden, en baden hem, die
79 13, 18| hadden als zij streden voor hun vaderland, zo vreesde hij
80 13, 31| offeranden opofferden, en gebood hun, dat zij hem de man zouden
81 13, 34| weggegaan, maar de priesters hun handen naar de hemel uitstekende,
82 13, 41| van het voorhof, en als hun geboden werd dat zij vuur
83 14, 8 | zouden houden de hulp, die hun zo dikwijls van de hemel
84 14, 8 | overwinning verwachten, die hij hun zou geven.~
85 14, 9 | de wet en de profeten, en hun ook in gedachtenis brengende
86 14, 10| 10 En hen in hun gemoederen opgewekt hebbende,
87 14, 11| vermaning van goede woorden en hun daarbij verhaald hebbende
88 14, 20| de vijanden aanvielen, en hun leger in slagorde gesteld
89 14, 27| met de handen, maar met hun harten tot God biddende,
90 14, 29| prezen zij de Here, in hun vaderlijke taal.~
91 14, 32| 32 En hun tonende het hoofd van de
92 14, 38| af de Hebreeën de stad in hun macht gehad hebben, zo zal
|