Chapter, Verse
1 1, 16| de zijnen, en ontleedden hen, en hun hoofden afgehouwen
2 1, 26| bewaar uw deel, en heilig hen.~
3 1, 28| 28 Pijnig hen, die ons overheersen, en
4 2, 3 | aanzeggende, vermaande hij hen, dat zij met hun harten
5 2, 7 | Jeremia, dit verstaande, hen bestraffende gezegd heeft,
6 2, 23| vermaard is, weder door hen gebouwd is, en de stad in
7 3, 25| 25 Want door hen werd een paard gezien, met
8 4, 12| verordineerd, leidde hij hen onder de hoed.~
9 4, 16| dezer oorzaak wil is over hen een zware ellende gekomen,
10 4, 16| ellende gekomen, dat zij hen tot vijanden en straffers
11 4, 23| het geld te brengen, en om hen in gedachtenis te brengen
12 4, 42| oorzaak hebben zij velen van hen gewond, sommigen ook terneder
13 4, 42| terneder geworpen, en hebben hen allen op de vlucht gedreven;
14 5, 9 | getrokken zijnde, alsof hij bij hen om der maagschap wil in
15 6, 14| lankmoedig blijft, totdat hij hen ontmoet om hen te straffen,
16 6, 14| totdat hij hen ontmoet om hen te straffen, als hun zonden
17 6, 22| de oude vriendschap met hen, genade zou mogen verkrijgen.~
18 7, 6 | lied, hetwelk hij tegen hen in het aangezicht heeft
19 7, 8 | vaderlijke taal, en zeide tot hen: Geenszins. Waarom deze
20 7, 22| 22 Zeggende tot hen: Ik weet niet hoe gij in
21 8, 11| terstond naar de zeesteden, hen nodende om Joodse slaven
22 8, 16| zesduizend in getal, vermaande hen dat zij om der vijanden
23 8, 16| die onrechtvaardig tegen hen kwamen, maar dat zij kloekmoedig
24 8, 17| tegen de stad, die door hen bespot was; en ook de verbreking
25 8, 21| 21 Waarmee hij hen stoutmoedig gemaakt hebbende,
26 8, 22| stellende onder elk van hen duizendenvijfhonderd man,
27 8, 24| 24 Daar de Almachtige met hen streed, versloegen zij van
28 8, 24| Nicanors krijgsvolk, en dwongen hen allen te vluchten;~
29 8, 25| degenen die gekomen waren om hen te kopen; en lange tijd
30 8, 25| te kopen; en lange tijd hen vervolgd hebbende kwamen
31 8, 26| voor de Sabbat; waarom zij hen niet langer naliepen.~
32 8, 27| loofden de Here zeer, die hen behouden had tot die dag
33 8, 27| barmhartigheid, die over hen kwam.~
34 8, 30| makende gelijke gedeelten voor hen, en voor de kranken, en
35 8, 34| gebracht had om de Joden aan hen te verkopen,~
36 9, 2 | wapen gelopen en brachten hen op de vlucht; en het gebeurde,
37 10, 1 | waren, hebben, daar de Here hen geleidde, de tempel en de
38 10, 16| gebeden hebbende, dat hij hen wilde helpen strijden, deden
39 10, 17| en sloegen dood allen die hen ontmoetten, en brachten
40 10, 21| des volks, en beschuldigde hen, dat zij hun broeders voor
41 10, 22| 22 En heeft hen, daar zij verraders waren,
42 10, 25| Makkabeüs waren, als hij met hen naderde tot het gebed van
43 10, 26| en degenen tegenstaan die hen tegenstonden, gelijk de
44 10, 29| gouden tomen, en twee van hen waren leidslieden der Joden.~
45 10, 30| Makkabeüs midden tussen hen, beschermden hem met hun
46 10, 36| opklimmende in de omgang tot hen, die binnen waren, staken
47 10, 49| hebbende een uit de hemel, die hen zou helpen vechten, daar
48 10, 49| vechten, daar God zich over hen ontfermde.~
49 10, 51| te vluchten, en velen van hen gewond zijnde ontkwamen
50 10, 52| de alvermogende God met hen streed, zo zond hij aan
51 10, 52| streed, zo zond hij aan hen,~
52 10, 53| billijke voorwaarden met hen wilde handelen, en dat hij
53 10, 63| mijn vader, waardoor bij hen wilde brengen tot de Griekse
54 10, 73| hebben ook een zendbrief aan hen geschreven, van deze inhoud:
55 11, 3 | baden de Joden, die bij hen woonden, dat zij met vrouwen
56 11, 3 | vrouwen en kinderen met hen zouden gaan in enige schuiten
57 11, 3 | gaan in enige schuiten door hen besteld, alsof daar geen
58 11, 3 | daar geen vijandschap tegen hen ontstaan ware.~
59 11, 4 | waren, hebben die van Joppe hen in de zee verdronken, zijnde
60 11, 6 | de schuiten, en doorstak hen, die daar gevlucht waren.~
61 11, 8 | handelen met de Joden, die bij hen woonden,~
62 11, 12| toegestaan dat men vrede met hen zou maken; en als zij de
63 11, 14| Judas waren en daarenboven hen lasterende, en sprekende
64 11, 20| hebbende, bij hopen, stelde hen over die hopen, en viel
65 11, 23| 23 En Judas vervolgde hen heftig, en doorstak deze
66 11, 23| booswichten, en vernielde van hen dertigduizend man.~
67 11, 30| hadden, en boe beleefd zij hen hadden bejegend in tijden
68 11, 31| 31 Zo dankten zij hen, en vermaanden hen, dat
69 11, 31| dankten zij hen, en vermaanden hen, dat zij ook voortaan hun
70 11, 37| soldaten van Gorgias, en dreef hen op de vlucht.~
71 12, 12| nedergevallen liggende, heeft Judas hen vermaand en geboden, dat
72 12, 13| ouderlingen alleen zijnde, nam met hen raad, eer het krijgsvolk
73 12, 23| onderwierp hij zich aan hen, en zwoer hun op alle billijke
74 12, 23| billijke voorwaarden; en met hen verenigd zijnde, offerde
75 12, 26| dat bekwamelijk, en stelde hen tevreden, en stilde hen,
76 12, 26| hen tevreden, en stilde hen, en maakte hen goedgunstig,
77 12, 26| en stilde hen, en maakte hen goedgunstig, zodat hij vertrekken
78 14, 1 | heeft raad genomen, dat hij hen op de rustdag met alle zekerheid
79 14, 2 | volgden, tot hem zeiden: Wil hen geenszins zo wreed en barbaars
80 14, 9 | 9 En hen getroost hebbende uit de
81 14, 9 | uitgestaan, zo heeft hij hen bemoedigd.~
82 14, 10| 10 En hen in hun gemoederen opgewekt
83 14, 10| opgewekt hebbende, heeft hen vermaand, en meteen getoond
84 14, 11| wapende zo een ieder van hen, niet zozeer met zekerheid
85 14, 11| geloofwaardige droom, maakte hij hen allen tezamen zeer verheugd.~
86 14, 18| bloedverwanten, was bij hen in minder achting, maar
87 14, 19| blote hemel zou geschieden, hen ontroerende.~
|