Chapter, Verse
1 1, 2 | ulieden goed en gedenke aan zijn verbond dat Hij gemaakt
2 1, 27| de heidenen dienen; zie aan degenen, die als niets geacht
3 1, 32| van het altaar daartegen aan scheen, werd het water verteerd.~
4 2, 8 | zou worden, gelijk die ook aan Mozes is geopenbaard, en
5 2, 15| nodig hebt, zendt lieden aan ons, die ze u mogen brengen.~
6 2, 22| van de hemel geschied zijn aan degenen, die voor het Jodendom
7 3, 8 | Heliodorus ving terstond de reis aan, onder de schijn, alsof
8 3, 10| 10 De hogepriester toonde aan, dat dit geld weggelegd
9 3, 11| daarvan ook toebehoorde aan Hyrcanus, de zoon van Tobias,
10 3, 12| dat men ongelijk zou doen aan degenen, die vertrouwd hebben
11 3, 25| scheen een gouden harnas aan te hebben.~
12 3, 26| kleding, die ook staande elk aan een van zijn zijden, hem
13 3, 33| jongelingen weder verschenen aan Heliodorus, bekleed zijnde
14 3, 34| gegeseld zijnde, vertelt aan allen de overgrote kracht
15 3, 35| grote beloften had beloofd aan hem, die hem het leven had
16 3, 36| 36 En hij getuigde aan allen de werken van de grote
17 4, 14| benaarstigden zich, om deel te nemen aan de onwettelijke oefeningen,
18 4, 20| brachten, heeft hij ze besteed aan de toerusting der galeien.~
19 4, 30| een geschenk gegeven waren aan Antiochus, des konings bijwijf.~
20 4, 32| genomen, en die geschonken aan Andronicus, en heeft ook
21 4, 38| waar hij de goddeloosheid aan Onias begaan had, heeft
22 4, 44| gezonden waren, hun aanklacht aan bij hem.~
23 4, 45| zijnde, beloofde veel geld aan Ptolomeüs, de zoon van Dorymeüs,
24 5, 27| om geen deel te hebben aan de ontreiniging.~ ~
25 6, 10| welke zij, haar kinderen aan haar borsten gehangen hebbende,
26 6, 23| die hij van zijn jeugd aan had gehad, ja ook veel meer
27 6, 30| zeide hij al zuchtende: Aan de Here, die een heilige
28 7, 5 | die nog zijn adem haalde, aan het vuur zou brengen, en
29 7, 6 | aldus: God de Here ziet het aan, en zal in de waarheid over
30 7, 18| gezondigd hebben; want daar zijn aan ons dingen geschied die
31 7, 24| met woorden een vermaning aan hem, maar hij verzekerde
32 8, 2 | 2 En riepen de Here aan, dat hij zou willen zien
33 8, 4 | bij zou willen gedenken aan het onrechtvaardig ombrengen
34 8, 8 | voorspoed toenam, schreef aan Ptolomeüs, de overste van
35 8, 13| 13 En als hij aan degenen, die met hem waren,
36 8, 19| verhaalde hun de hulp, die aan hun voorouders geschied
37 8, 28| de Sabbat deelden zij uit aan de kranken, de weduwen,
38 8, 34| gebracht had om de Joden aan hen te verkopen,~
39 9, 18| Gods was over hem gekomen) aan zichzelf wanhopende, schreef
40 9, 18| wanhopende, schreef hij aan de Joden deze ondergeschreven
41 9, 19| veldoverste Antiochus, de Joden, aan zijn burgers, voorspoed,
42 9, 21| gedenk ik goedertieren aan uw eer en aan uw goedgunstigheid.~
43 9, 21| goedertieren aan uw eer en aan uw goedgunstigheid.~
44 9, 22| van allen; niet wanhopende aan mijzelf, maar grote hoop
45 9, 25| en bevolen heb, en ik heb aan hem geschreven hetgeen hieronder
46 9, 26| zijnde der weldadigheden aan u in het algemeen en bijzonder
47 10, 35| vijfentwintigste dag begon aan te lichten, zo hebben enige
48 10, 52| hen streed, zo zond hij aan hen,~
49 10, 54| verzocht, want al wat Makkabeüs aan Lysias bij geschrift had
50 10, 55| Want de brieven van Lysias aan de Joden geschreven, waren
51 10, 57| heb ik dan al hetgeen, dat aan de koning moest gebracht
52 10, 59| bijzonder heb ik last gegeven zo aan deze, als aan mijn afgezondenen,
53 10, 59| gegeven zo aan deze, als aan mijn afgezondenen, om ulieden
54 10, 66| zendbrief van de koning aan het Joodse volk was dusdanig:
55 10, 71| 32 Ik heb ook Menelaüs aan u gezonden, om u te vertroosten.~
56 10, 73| hebben ook een zendbrief aan hen geschreven, van deze
57 11, 3 | En die van Joppe bedreven aan de Joden dit schelmstuk.
58 11, 15| tijde van Jozua, vielen aan op de muren als wilde mensen.~
59 11, 20| hopen, en viel op Timotheüs aan, die bij zich had honderdentwintigduizend
60 11, 36| waren, zo riep Judas de Here aan, dat hij als een medestrijder
61 11, 43| edel doende, daar hij dacht aan de opstanding.~
62 12, 1 | honderdnegenenveertigste jaar kwam aan degenen die bij Judas waren
63 12, 5 | instrument, waarvan men aan alle kanten afviel in de
64 12, 6 | daarvan af een ieder, die aan kerkroof schuldig was, of
65 12, 14| de zorg bevolen hebbende aan de schepper der wereld en
66 12, 20| 20 En Judas zond aan degenen, die daar binnen
67 12, 21| boodschapte de geheime, zaken aan de vijanden, waarom hij
68 12, 23| hebbende, onderwierp hij zich aan hen, en zwoer hun op alle
69 12, 23| vereerde de tempel, en betoonde aan de plaats grote eer.~
70 13, 20| gehouden werden, en de overste aan de menigte de zaak had medegedeeld,
71 13, 26| voorhad die vijandig waren aan de zaken des konings; want,
72 13, 27| opgeruid zijnde, schreef aan Nicanor, zeggende, dat hij
73 13, 34| uitstekende, riepen hem aan die altijd geweest was een
74 14, 15| rechterhand uitstekende, aan Judas een gouden zwaard
75 14, 17| krachtig om tot kloekmoedigheid aan te sporen, en de harten
76 14, 17| slaan, maar kloekmoedig aan te vallen, en met alle mannelijke
77 14, 25| met Nicanor waren, kwamen aan met trompetten en triomfliederen.~
78 14, 33| die bij stukken zou geven aan de vogelen, en dat hij deze
|