47-godvr | godza-reukw | richt-zache | zacht-zwoer
Chapter, Verse
1001 14, 6 | die met Judas waren, op te richten.~
1002 5, 2 | lucht gezien werden ruiters rijdende met gouden rokken, bij troepen,
1003 4, 2 | hij zich met de zaken des rijks listig bemoeide.~
1004 12, 21| 21 En Rodocus, een van het Joodse krijgsvolk,
1005 11, 35| Gorgias vast, en hem bij zijn rok vattende, leidde hem kloek
1006 12, 5 | vol was, in deze was een rond instrument, waarvan men
1007 8, 27| verzameld, en de vijanden de roof uitgetrokken hadden, hielden
1008 9, 8 | de aarde was, werd in een rosbaar gedragen, de openbare macht
1009 5, 10| over die heeft niemand rouw gedragen, en heeft geen
1010 11, 35| een zekere Dositheüs, een ruiter van die van Bakenor, een
1011 11, 2 | hun niet toe, dat zij in rust mochten blijven, en hun
1012 14, 1 | genomen, dat hij hen op de rustdag met alle zekerheid zou overvallen.~
1013 10, 10| geschied is, kortelijk saamvattende de gedurige ellende der
1014 6, 6 | 6 En men mocht geen sabbatten vieren, noch de feestdagen
1015 14, 1 | onthielden in de plaatsen van Samarië, heeft raad genomen, dat
1016 3, 11| aangebracht; en dat er alles samen waren vierhonderd talenten
1017 13, 22| hebben zij een gevoegelijke samenspreking gehad.~
1018 9, 8 | de hoogste bergen met een schaal zou wegen, als hij op de
1019 6, 25| en ik zo een vloek en een schandvlek op mijn ouderdom zou halen.~
1020 11, 14| gedroegen zich onachtzaam, scheldende die met Judas waren en daarenboven
1021 14, 32| tonende het hoofd van de schelmachtige Nicanor, en de hand van
1022 14, 3 | 3 Zo vroeg deze schelmachtigste mens, of daar ook een Here
1023 13, 42| vallen in de handen van deze schelmen, en smaadheid lijden, die
1024 3, 31| lag, het leven zou willen schenken.~
1025 5, 21| daarop zou kunnen varen met schepen, en de zee, dat men daarop
1026 11, 22| volk gekwetst, en door de scherpte der zwaarden doorstoken
1027 5, 3 | menigte van spiesen, en schieten van pijlen, en blinken van
1028 3, 8 | terstond de reis aan, onder de schijn, alsof hij de steden van
1029 6, 27| verwisselende met de dood, zo zal ik schijnen deze ouderdom waardig te
1030 2, 30| inbranden voorneemt iets te schilderen, naarstig moet onderzoeken
1031 12, 3 | die Antiochus met veel schimpen vermaande, niet om het welvaren
1032 5, 26| die uitgegaan waren om de schouwspelen te zien, laten doorsteken,
1033 2, 13| koningen en profeten, en de schriftenl van David, en de brieven
1034 6, 18| een van de voornaamste schriftgeleerden, een man die verre op zijn
1035 2, 33| begrip van een geschiedenis schrijft, meer overvloedig in woorden
1036 3, 25| versierd, waarop een zat, die schrikkelijk was, hetwelk sterk rennende
1037 10, 47| zijn gouden wapenrusting schuddende.~
1038 4, 47| die, zo zij ook bij de Scythen gepleit hadden, als onschuldigen
1039 2, 30| moet onderzoeken wat tot sieraad nodig is, zo acht ik dat
1040 3, 26| schoon in heerlijkheid, en sierlijk in kleding, die ook staande
1041 4, 23| Menelaüs, des voorgemelden Simons broeder, om de koning het
1042 8, 35| Middellandse zee, gelijk een slaaf die zijn heer ontloopt,
1043 3, 39| helper van die plaats, en hij slaat en verderft die daar komen
1044 1, 18| altaar gebouwd hebbende, slachtoffer geofferd heeft.~
1045 1, 8 | verhoord zijn, en offerden slachtofferen, en zemelmeel, en ontstaken
1046 11, 20| Makkabeüs, zijn leger in slag-orden gesteld hebbende, bij hopen,
1047 14, 39| geweest; maar indien ik het slecht en onvolledig heb gedaan,
1048 2, 29| iedere zaak, zullen wij slechts voortgaan met dit kort begrip
1049 4, 41| en sommigen ook uit het slijk dat daar was, met hun handen
1050 1, 15| de omgang des tempels, zo sloten zij de tempel toe.~
1051 9, 9 | vlees, terwijl bij nog in smarten en pijnen leefde, van hem
1052 4, 14| hadden, om met de bal te spelen;~
1053 2, 5 | komende, een woning in de spelonk gevonden heeft, en dat hij
1054 10, 70| gebruiken mogen hun eigen spijzen en wetten, gelijk als van
1055 10, 76| 37 Daarom spoedt u, en zendt enigen, opdat
1056 14, 17| tot kloekmoedigheid aan te sporen, en de harten der jongelingen
1057 10, 36| tot hen, die binnen waren, staken de torens in brand, en vuren
1058 3, 4 | een zekere Simon, uit de stam van Benjamin, die tot een
1059 13, 6 | het koninkrijk een goede stand verkrijgt.~
1060 13, 38| voor het Jodendom, met alle standvastigheid.~
1061 13, 43| haast van de strijd, de steek niet recht gegeven had,
1062 13, 46| En staande op een steile steenrots, en zijnde nu geheel zonder
1063 13, 46| 46 En staande op een steile steenrots, en zijnde nu
1064 13, 43| zichzelf mannelijk van de steilte af op de scharen,~
1065 13, 41| brengen, en de deuren in brand steken, als hij nu rondom bezet
1066 7, 24| daarvoor houdende, dat deze stem hem smaadheid aandeed, als
1067 13, 20| en als het bleek dat de stemmen eenparig waren, zo stonden
1068 9, 12| onderwerpe, en dat iemand, een sterfelijk mens zijnde, niet denke
1069 4, 12| bij de burcht zelf, en de sterkste jongelingen daartoe had
1070 9, 10| die een weinig tevoren de sterren des hemels scheen te raken,
1071 6, 26| ontvlieden, noch levende noch stervende, de handen van de Almachtige.~
1072 12, 13| zij de zaken zouden wagen, steunende op de hulp des Heren.~
1073 12, 7 | deze goddeloze Menelaüs stierf, en de aarde niet mocht
1074 12, 6 | 6 Zij stieten daarvan af een ieder, die
1075 12, 26| stelde hen tevreden, en stilde hen, en maakte hen goedgunstig,
1076 5, 25| vreedzaam ware, heeft zich stilgehouden tot de heilige dag van de
1077 13, 25| hij trouwde, en leefde in stilheid en leidde een gewoon leven.~
1078 4, 31| gekomen, om de zaken te stillen, latende in zijn plaats
1079 11, 2 | blijven, en hun dingen in stilte doen.~
1080 13, 21| beide zijden werd er een stoel gebracht en men zette de
1081 13, 21| gebracht en men zette de stoelen bijeen.~
1082 2, 25| doorlezen, om de menigte van de stof,~
1083 4, 41| stenen en anderen dikke stokken, en sommigen ook uit het
1084 11, 15| prins der wereld, die zonder stormrammen en andere instrumenten van
1085 8, 21| 21 Waarmee hij hen stoutmoedig gemaakt hebbende, en bereid
1086 12, 18| gekregen hebbende van de stoutmoedigheid der Joden, beproefde de
1087 4, 16| zij hen tot vijanden en straffers hebben gekregen, wier leidingen
1088 7, 10| die terstond uit, en hij strekte zijn handen zeer vrijmoedig
1089 13, 30| bemerkende dat Nicanor met hem strenger handelde, en dat hij in
1090 13, 30| was; en achtende dat deze strengheid niet uit de beste oorzaak
1091 4, 18| 18 Als nu het vijfjarig strijdspel te Tyrus gehouden werd,
1092 13, 15| heidenen zich bij hem voegden, strooiden aarde op hun hoofden, en
1093 10, 25| God, aarde op hun hoofden strooiende, en hun lendenen met zakken
1094 14, 37| Adar genoemd wordt in de Syrische taal, zouden vieren, des
1095 8, 11| slaven zou geven voor een talent; niet verwachtende de straf
1096 4, 30| het gebeurd dat die van Tarsus en Mallo in oproer geraakten,
1097 10, 15| 15 En tegelijk met hem ook de Idumeeën,
1098 5, 12| krijgslieden, dat zij allen die hun tegenkwamen zouden slaan, zonder iemand
1099 10, 26| hun vijanden, en degenen tegenstaan die hen tegenstonden, gelijk
1100 10, 26| degenen tegenstaan die hen tegenstonden, gelijk de wet verklaart.~
1101 12, 13| bemachtigen, dat zij hem zouden tegentrekken, en dat zij de zaken zouden
1102 11, 12| zijn zij vertrokken in hun tenten.~
1103 11, 15| geweld, de muren van Jericho ternedergeworpen heeft, ten tijde van Jozua,
1104 9, 11| grootheid zijns hoogmoeds terug te komen, en door deze Goddelijke
1105 9, 9 | voortkwamen, en dat zijn vlees, terwijl bij nog in smarten en pijnen
1106 6, 21| tijden hadden gehad, hem terzijde nemende, vermaanden hem
1107 13, 19| zond hij Posidonius, en Theodotus, en Mattathias, om de rechterhand
1108 11, 35| een vervloekt mens van de Thracische ruiters op hem aanvallen,
1109 3, 5 | Apollonius, de zoon van Thraseüs, die in die tijd overste
1110 11, 19| in de sterkte, meer dan tienduizend man.~
1111 9, 3 | te Ecbatana was, werd hem tijding gebracht van hetgeen Nicanor
1112 10, 73| inhoud: Quintus Memmius, en Titus Manlius, gezanten der Romeinen,
1113 3, 11| aan Hyrcanus, de zoon van Tobias, een man die in zeer grote
1114 5, 1 | deed Antiochus zijn tweede tocht naar Egypte.~
1115 3, 11| dat een deel daarvan ook toebehoorde aan Hyrcanus, de zoon van
1116 6, 21| gebruiken, door hemzelf tevoren toebereid, en dat hij zou willen veinzen,
1117 7, 27| 27 En de moeder naar hem toebukkende, en de wrede tiran bespottende,
1118 13, 3 | behoud was, en dat hij geen toegang meer zou mogen hebben tot
1119 11, 30| burgers van Scythopolis hun toegedragen hadden, en boe beleefd zij
1120 14, 8 | zo dikwijls van de hemel toegekomen was, en nu van de Almachtige
1121 4, 3 | als de vijandschap zover toegenomen was, dat ook door een dergenen,
1122 2, 5 | daar ingebracht en de deur toegesloten heeft.~
1123 8, 9 | te roeien; en heeft hem toegevoegd Gorgias, een man die een
1124 3, 28| hem, die tevoren met veel toeloop en al de hellebaardiers
1125 8, 8 | en dat hij in voorspoed toenam, schreef aan Ptolomeüs,
1126 4, 50| in het opperste gezag, toenemende in boosheid, en is geworden
1127 4, 19| Zond deze goddeloze Jason toeschouwers van Jeruzalem, alsof zij
1128 13, 5 | gevraagd zijnde naar de toestand en het voornemen der Joden,~
1129 10, 8 | door een algemeen gebod en toestemming voor het ganse volk der
1130 3, 15| wetten heeft gemaakt van de toevertrouwde goederen onbeschadigd te
1131 7, 24| vriend zou houden, en ambten toevertrouwen.~
1132 10, 28| met de kloekmoedigheid, de toevlucht tot de Here, en genen stelden
1133 11, 25| hij met vele woorden zijn toezegging verzekerd had, namelijk
1134 10, 29| zittende op paarden met gouden tomen, en twee van hen waren leidslieden
1135 2, 8 | Here dan deze dingen zou tonen, en de heerlijkheid des
1136 14, 32| 32 En hun tonende het hoofd van de schelmachtige
1137 7, 38| mijn broeders ophoude de toom des Almachtigen, die op
1138 3, 10| 10 De hogepriester toonde aan, dat dit geld weggelegd
1139 4, 22| ganse stad ontvangen, en met toortsen en gejuich ingehaald zijnde,
1140 6, 14| dat hij lankmoedig blijft, totdat hij hen ontmoet om hen te
1141 10, 58| zo zal ik ook voortaan trachten om een oorzaak te zijn van
1142 10, 12| ongelijk dat gedaan was, trachtte hetgeen hun aanging vreedzaam
1143 10, 15| Jeruzalem gebannen waren, trachtten de oorlog te voeden.~
1144 10, 45| de scharen, met kermen en tranen de Here, dat hij een goede
1145 4, 49| boze stuk hatende, zeer treffelijk besteld hebben hetgeen tot
1146 10, 29| de hemel verschenen vijf treffelijke mannen, zittende op paarden
1147 10, 75| u dienstig is. Want wij trekken naar Antiochië.~
1148 11, 26| 26 En Judas vandaar trekkende naar Karnion en Atergation,
1149 14, 25| kwamen aan met trompetten en triomfliederen.~
1150 13, 1 | Seleucus, in de haven van Tripolis was ingevaren, met een sterke
1151 5, 2 | rijdende met gouden rokken, bij troepen, met lansen gewapend, en
1152 14, 25| Nicanor waren, kwamen aan met trompetten en triomfliederen.~
1153 7, 34| tevergeefs verhovaardigen, trots zijnde op onzekere hoop,
1154 13, 25| kinderen gewinnen; en hij trouwde, en leefde in stilheid en
1155 11, 17| Charax tot de Joden, genaamd Tubianen.~
1156 7, 33| die daar leeft, om der tuchtiging en kastijding wil, een korte
1157 10, 30| nemende Makkabeüs midden tussen hen, beschermden hem met
1158 14, 37| zij de dertiende dag der twaalfde maand, die Adar genoemd
1159 12, 22| 22 De koning hield ten tweeden male overleg met die van
1160 11, 20| honderdentwintigduizend te voet, en tweeduizendvijfhonderd te paard.~
1161 12, 2 | vijfduizendendriehonderd ruiters, en tweeëntwintig olifanten, en driehonderd
1162 5, 24| Apollonius, met een leger van tweeentwintigduizend man, gelastende dat hij
1163 11, 9 | tot Jeruzalem toe, zijnde tweehonderdenveertig stadiën ver.~
1164 8, 20| de Macedoniërs begonnen twijfelmoedig te worden, dat die achtduizend
1165 10, 31| 31 En er werden verslagen twintigduizendenvijfhonderd man te voet en zeshonderd
1166 4, 4 | bemerkende de hevigheid van de twist, en hoe Apollonius raasde,
1167 4, 49| 49 Waarom ook de Tyriërs, dit boze stuk hatende,
1168 14, 13| grauwe haren en heerlijk uitblinkende, en dat zijn uitnemendheid,
1169 10, 9 | 9 En de uitgang van het leven van Antiochus,
1170 1, 12| stad ons bestreden, van ons uitgedreven.~
1171 12, 15| met enige van de beste en uitgelezen jongelingen bij nacht, bij
1172 11, 18| die plaatsen, zonder iets uitgericht te hebben, vertrokken zijnde,
1173 14, 9 | gevaren, die zij reeds hadden uitgestaan, zo heeft hij hen bemoedigd.~
1174 8, 27| en de vijanden de roof uitgetrokken hadden, hielden zij de Sabbat;
1175 11, 42| begaan was, volkomen mocht uitgewist worden; en de kloekhartige
1176 2, 4 | hem zou volgen; en hoe hij uitging naar de berg, op welke Mozes
1177 13, 31| dat zij hem de man zouden uitleveren.~
1178 3, 26| twee andere jongelingen, uitmuntend in sterkte, en zeer schoon
1179 14, 13| uitblinkende, en dat zijn uitnemendheid, die bij hem was, zeer was
1180 11, 7 | ganse burgerschap van Joppe uitroeien.~
1181 6, 20| 20 Voor zich uitspuwende, op zulk een wijze als het
1182 14, 12| behoren, dat deze de handen uitstak, en bad voor de vergadering
1183 13, 32| zo heeft hij, zijn hand uitstrekkende naar de tempel, dit gezworen:~
1184 11, 19| die met Makkabeüs waren, uittrekkende, vernielden van degenen,
1185 5, 10| gedragen, en heeft geen uitvaart, noch zijner vaderen graf
1186 5, 19| maar de plaats om het volk uitverkoren.~
1187 1, 25| vaderen hebt gemaakt tot uitverkorenen, en hebt geheiligd;~
1188 7, 23| toebereidt, en aller geboorte uitvindt, zal u de geest en het leven
1189 14, 5 | ellendigen raadslag niet uitvoeren.~
1190 6, 29| woorden, die zij achtten uitzinnigheid te zijn.~
1191 7, 23| barmhartigheid, gelijk gij uzelf niet acht om zijner wetten
1192 10, 72| 33 Vaartwel. De vijftiende dag der maand
1193 9, 7 | voortreed, en dat hij een zware val doende, al de leden van
1194 14, 17| dapperheid onder de vijanden vallende, het uiterste te wagen,
1195 5, 5 | 5 En als er een vals gerucht gekomen was, dat
1196 5, 21| dat men daarop zou kunnen varen met schepen, en de zee,
1197 11, 35| een kloek man, had Gorgias vast, en hem bij zijn rok vattende,
1198 10, 44| genaakte Bethsura, zijnde een vaste plaats, gelegen van Jeruzalem
1199 12, 12| Here baden, met klagen en vasten, voor hem zonder ophouden
1200 11, 35| vast, en hem bij zijn rok vattende, leidde hem kloek henen;
1201 10, 49| hemel, die hen zou helpen vechten, daar God zich over hen
1202 14, 27| 27 En zij vechtende met de handen, maar met
1203 11, 11| belovende dat zij hem hun vee geven zouden, en hun bevorderlijk
1204 9, 16| hij al de heilige vaten veelvoudig zou weergeven, en dat hij
1205 5, 2 | door de gehele stad, bijna veertig dagen lang in de lucht gezien
1206 5, 14| tachtigduizend omgebracht werden; veertigduizend werden met de hand gevangen
1207 5, 25| gekomen was te Jeruzalem, veinzende, dat hij vreedzaam ware,
1208 13, 33| tempel Gods tot een vlak veld maken en ik zal het altaar
1209 3, 19| zagen naar beneden uit de vensters,~
1210 4, 14| het altaar, maar de tempel verachtende, en de offeranden nalatende,
1211 3, 18| gebed, omdat deze plaats in verachting zou komen.~
1212 6, 29| 29 En die hem leidden, veranderden hun goedwilligheid, die
1213 10, 63| niet tevreden zijn met de verandering van mijn vader, waardoor
1214 12, 26| klimmende op de rechterstoel, verantwoordde dat bekwamelijk, en stelde
1215 1, 19| vuur van het altaar, en verbergden het in de holte van een
1216 11, 40| hetwelk de wet de Joden verbiedt; en het werd een ieder openbaar,
1217 6, 5 | onbehoorlijke dingen, die de wet verboden had, vervuld.~
1218 9, 4 | Waarom hij, in zijn gemoed verbolgen wordende, dacht dat bij
1219 4, 25| van een wrede tiran en een verbolgenheid van een wild barbaars beest
1220 10, 37| 37 En de anderen verbraken de poorten; en weer anderen,
1221 10, 36| vuren ontstoken hebbende, verbrandden al die godslasteraars levend.~
1222 11, 28| kracht der vijanden macht verbreekt, hebben de stad ingenomen
1223 4, 39| gerucht daarvan openlijk verbreid was, zo vergaderde de menigte
1224 12, 25| zij de verbonden wilden verbreken.~
1225 8, 17| hen bespot was; en ook de verbreking der regering, die hij hun
1226 4, 11| heeft de wettige regering verbroken, en een nieuwe onwettige
1227 6, 20| die zich willen blijven verdedigen tegen die dingen, welke
1228 6, 12| deze straffen niet zijn tot verderf, maar tot kastijding van
1229 3, 39| plaats, en hij slaat en verderft die daar komen om kwaad
1230 8, 3 | wilde over de stad die nu verdorven was, en tot de aarde toe
1231 9, 7 | de leden van zijn lichaam verdraaid werden.~
1232 6, 30| zware pijnen in mijn lichaam verdrage, gegeseld zijnde, en dat
1233 11, 4 | van Joppe hen in de zee verdronken, zijnde niet minder dan
1234 1, 7 | Joden, u geschreven in de verdrukking en uiterste nood, die ons
1235 12, 23| offerde hij offeranden, en vereerde de tempel, en betoonde aan
1236 12, 23| voorwaarden; en met hen verenigd zijnde, offerde hij offeranden,
1237 6, 25| door deze kleine en snel vergaande levenstijd, door mij zouden
1238 1, 27| 27 Vergader weder onze verstrooiing;
1239 8, 1 | waren tot zich nemende, vergaderden zesduizend man;~
1240 14, 12| uitstak, en bad voor de vergadering der Joden.~
1241 7, 16| de mensen, en hoewel gij vergankelijk zijt, zo doet gij nochtans
1242 2, 2 | wet, dat zij niet zouden vergeten de geboden des Heren, en
1243 10, 13| voortreffelijk had bediend, zichzelf vergeven hebbende, heeft het leven
1244 4, 38| Here hem de verdiende straf vergolden.~
1245 1, 8 | verbrand, en onschuldig bloed vergoten hebben; en wij de Here baden,
1246 5, 11| waarom hij uit Egypte trok, vergrimd in zijn gemoed, en heeft
1247 8, 19| 19 En hij verhaalde hun de hulp, die aan hun
1248 9, 7 | gebood dat men de reis zou verhaasten; en het gebeurde dat hij
1249 2, 31| Maar wijdlopig alles te verhandelen, vele redenen te gebruiken,
1250 2, 29| de schrijver de bredere verhandeling van iedere zaak, zullen
1251 3, 30| dat hij deze zijn plaats verheerlijkt had, en de tempel, die een
1252 3, 2 | met voortreffelijke gaven verheerlijkten.~
1253 4, 24| aangezicht zijn macht zeer verheven had, heeft voor zichzelf
1254 5, 23| erger dan de anderen zich verhief tegen de burgers.~
1255 1, 8 | en wij de Here baden, en verhoord zijn, en offerden slachtofferen,
1256 1, 5 | 5 En verhore uw gebeden, en zij met u
1257 8, 3 | tot hem riep, zou willen verhoren;~
1258 7, 34| mensen, wil u niet tevergeefs verhovaardigen, trots zijnde op onzekere
1259 9, 4 | aangedaan hadden degenen die hem verjaagd hadden, op de Joden zou
1260 13, 23| 23 En Nicanor verkeerde te Jeruzalem, en hij deed
1261 6, 9 | die niet zouden willen verkiezen tot deze Griekse wijzen
1262 9, 23| bovenplaatsen een leger voerde, verklaarde wie in zijn plaats zou komen;~
1263 13, 32| 32 En als zij met ede verklaarden, dat zij niet wisten waar
1264 8, 14| 14 En anderen verkochten alles wat overgelaten was,
1265 8, 36| te Jeruzalem zou krijgen, verkondigde dat de Joden God tot een
1266 9, 17| plaatsen, om de kracht Gods te verkondigen.~
1267 8, 9 | 9 Deze verkoos terstond Nicanor, de zoon
1268 3, 7 | gegeven was, die Heliodorus verkoren hebbende, die over zijn
1269 5, 7 | 7 Doch hij verkreeg het oppergezag niet; maar
1270 13, 6 | koninkrijk een goede stand verkrijgt.~
1271 6, 16| tegenspoed kastijdende, verlaat hij het niet.~
1272 1, 5 | en zij met u verzoend, en verlate u niet in de kwade tijd.~
1273 6, 25| levenstijd, door mij zouden verleid worden; en ik zo een vloek
1274 8, 35| alles gelukkig zijnde na het verlies van zijn leger.~
1275 8, 13| en derwaarts gevloden, en verlieten de plaats.~
1276 12, 10| van de heilige tempel te verliezen;~
1277 1, 20| 20 En als er vele jaren verlopen waren, toen God het goedvond,
1278 8, 14| Here, dat hij zou willen verlossen degenen die door de goddeloze
1279 2, 26| die lezen willen, enig vermaak te geven, en degenen die
1280 9, 26| 26 Zo vermaan ik u dan, en verzoek, dat
1281 2, 23| de gehele bewoonde wereld vermaard is, weder door hen gebouwd
1282 4, 4 | die de boosheid van Simon vermeerderde, is hij getrokken naar de
1283 5, 16| door andere koningen tot vermeerdering, heerlijkheid en eer der
1284 10, 17| geweld aantastende, de plaats vermeesterden, en verdreven allen die
1285 13, 3 | besmet had in de tijden der vermenging, overleggende dat voor hem
1286 9, 8 | willen gebieden, met een vermetelheid, die de menselijke gedachten
1287 2, 32| verklaring der zaken te vermijden, dat behoort men toe te
1288 12, 19| vlucht gebracht, gestuit en verminderd.~
1289 8, 24| negenduizend, verwondden en verminkten het merendeel van Nicanors
1290 5, 11| dingen zo geschied waren, vermoedde dat Judea van hem wilde
1291 11, 4 | wilden leven, en geen kwaad vermoeden hadden, nadat zij in zee
1292 11, 36| waren, lang vochten, en vermoeid waren, zo riep Judas de
1293 5, 26| heeft een grote menigte vermoord.~
1294 8, 35| 35 Vernederd zijnde door degenen, die
1295 11, 23| doorstak deze booswichten, en vernielde van hen dertigduizend man.~
1296 12, 23| de nederlaag. En als hij vernomen had dat Filippus, die hij
1297 8, 30| over de twintigduizend, en veroverden zeer gelukkig de hoge sterkten,
1298 10, 22| 22 En heeft hen, daar zij verraders waren, omgebracht, en terstond
1299 6, 18| schriftgeleerden, een man die verre op zijn dagen gekomen was,
1300 10, 65| vreugde hun eigen dingen mogen verrichten.~
1301 9, 9 | bezwaard werd, vanwege de verrotting.~
1302 4, 38| afgenomen, en zijn rokken verscheurd en hem door de ganse stad
1303 11, 36| voorganger in de strijd wilde verschijnen;~
1304 2, 22| 22 En de verschijningen, die van de hemel geschied
1305 10, 37| en zij sloegen Timotheüs, verscholen in een kuil, en zijn broeder
1306 3, 17| 17 Want vrees en verschrikking van het lichaam had de an
1307 3, 25| met een zeer schoon dek versierd, waarop een zat, die schrikkelijk
1308 9, 16| zeer schone geschenken zou versieren, en dat hij al de heilige
1309 2, 2 | zilveren beelden, en hun versiering.~
1310 5, 3 | en blinken van de gouden versierselen en allerlei borstwapenen.~
1311 2, 10| hemel viel, en de offerande verslond; en dat zo ook Salomo gebeden
1312 3, 29| kracht, zonder spraak, en verstoken van alle hoop en behoudenis.~
1313 13, 13| degenen die met hem waren verstrooien, en dat hij Alcimus zou
1314 1, 27| 27 Vergader weder onze verstrooiing; maak vrij die onder de
1315 3, 34| de hemel gegeseld zijnde, vertelt aan allen de overgrote kracht
1316 11, 22| eerste hoop van Judas zich vertoonde, en een verbaasdheid over
1317 5, 17| de Here een kleine tijd vertoornd was geweest, en dat hij
1318 12, 26| des konings aankomst en vertrek.~ ~
1319 12, 26| hen goedgunstig, zodat hij vertrekken kon naar Antiochië. En zo
1320 10, 71| aan u gezonden, om u te vertroosten.~
1321 8, 13| gekomen, zo vreesden zij, en vertrouwden niet op de gerechtigheid
1322 2, 24| ondernemen in een boek kort te vervatten.~
1323 4, 46| galerij was gegaan om zich te verversen, overgehaald,~
1324 11, 23| 23 En Judas vervolgde hen heftig, en doorstak
1325 2, 32| hetgeen te zeggen is te vervolgen, en een bredere verklaring
1326 6, 23| ingestelde wetgeving, heeft vervolgens geantwoord, zeggende dat
1327 4, 21| vernemende dat hij van zijn zaken vervreemd was, zorg gedragen voor
1328 3, 19| omgord onder haar borssten, vervulden de wegen, en van de maagden,
1329 8, 10| uit de gevangen Joden te vervullen.~
1330 9, 15| niet met een begrafenis te verwaardigen, maar de vogels tot een
1331 8, 11| geven voor een talent; niet verwachtende de straf die hem zou overkomen
1332 14, 20| 20 En als zij nu allen verwachtten dat het treffen zou aangaan,
1333 13, 6 | voeren gedurig oorlogen en verwekken oproeren, en laten niet
1334 12, 4 | Maar de Koning der koningen verwekte het gemoed van Antiochus
1335 4, 47| vrijgesproken zijn, tot de dood verwezen.~
1336 7, 14| hoop, die van mensen is, te verwisselen, en de hoop die van God
1337 6, 27| Waarom ik nu het leven moedig verwisselende met de dood, zo zal ik schijnen
1338 8, 12| 12 En Judas was verwittigd van de aantocht van Nicanor.~
1339 9, 11| 11 Hier begon hij dan, zo verwond zijnde, van de grootheid
1340 8, 24| vijanden over de negenduizend, verwondden en verminkten het merendeel
1341 14, 16| hetwelk gij de vijanden zult verwonden.~
1342 3, 16| die werd in zijn gemoed verwonderd, want zijn aangezicht en
1343 7, 18| ons dingen geschied die verwondering waardig zijn.~
1344 9, 26| Zo vermaan ik u dan, en verzoek, dat gij gedachtig zijnde
1345 10, 63| willen volgen, en daarom verzoeken dat hun toegelaten worde
1346 10, 3 | lampen, en de toonbroden verzorgd.~
1347 10, 62| beroerten hun eigen zaken mogen verzorgen;~
1348 4, 29| Zo heeft Menelaüs tot een verzorger van het hogepriesterschap
1349 8, 22| Heeft hij zijn krijgsvolk in vier hopen gesteld, en zijn broeders
1350 5, 25| daar hij de Joden vond, vierdag houdende, zo gebood hij
1351 7, 13| hebben zij desgelijks de vierde gepijnigd en geslagen.~
1352 10, 6 | 6 En zij vierden met vreugde acht dagen,
1353 8, 20| maar achtduizend waren, met vierduizend Macedoniërs, en als de Macedoniërs
1354 10, 33| zijnde, belegerden de sterkte vierentwintig dagen.~
1355 10, 60| honderdachtenveertigste jaar, de vierentwintigste dag der maand van Jupiter
1356 2, 16| doen, dat gij deze dagen viert.~
1357 3, 38| 38 Indien gij een vijand hebt, of een die uw zaken
1358 7, 15| 15 Daarna brachten zij de vijfde voor, en sloegen hem, en
1359 11, 10| sterk zijnde niet minder dan vijfduizend te voet, en vijfhonderd
1360 12, 2 | honderdentienduizend te voet, en vijfduizendendriehonderd ruiters, en tweeëntwintig
1361 14, 27| sloegen niet minder dan vijfendertigduizend man, grotelijks verheugd
1362 4, 18| 18 Als nu het vijfjarig strijdspel te Tyrus gehouden
1363 12, 5 | in die plaats een toren, vijftig ellen hoog, vol was, in
1364 7, 31| Maar gij, koning die een vinder zijt van alle kwaad tegen
1365 3, 8 | 8 En Heliodorus ving terstond de reis aan, onder
1366 13, 33| deze tempel Gods tot een vlak veld maken en ik zal het
1367 13, 16| en leverde slag bij het vlek Dessau.~
1368 14, 20| besteld, en de ruiterij bij de vleugelen gesteld,~
1369 11, 22| en de andere derwaarts vliedende, zodat zij dikwijls door
1370 11, 16| stadiën, van bloed scheen te vloeien, en daarmee vervuld te zijn.~
1371 13, 45| zijn bloed als een fontein vloeiende, en zeer zwaar gewond zijnde,
1372 6, 25| verleid worden; en ik zo een vloek en een schandvlek op mijn
1373 5, 5 | de stad ingenomen was, zo vlood Menelaüs op de burcht.~
1374 10, 15| trachtten de oorlog te voeden.~
1375 5, 27| dieren, en zij aten als voedsel gras, en bleven daar, om
1376 12, 3 | 3 En bij dezen voegde zich ook Menelaüs, die Antiochus
1377 13, 15| de heidenen zich bij hem voegden, strooiden aarde op hun
1378 9, 4 | daarom gelastte hij zijn voerman, dat hij zonder ophouden
1379 3, 25| sterk rennende zijn voorste voeten op Heliodorus geworpen heeft,
1380 10, 50| daarvan terneder elfduizend voetknechten, en duizendenzeshonderd
1381 10, 41| omtrent tachtigduizend man voetvolk, en de ganse ruiterij, trok
1382 14, 33| stukken zou geven aan de vogelen, en dat hij deze als beloningen
1383 9, 15| te verwaardigen, maar de vogels tot een aas, en de wilde
1384 8, 16| die zij onrechtvaardig volbracht hadden tegen de heilige
1385 14, 2 | Joden, die hem uit nooddwang volgden, tot hem zeiden: Wil hen
1386 11, 4 | 4 En als zij, volgens het algemeen besluit der
1387 11, 42| zonde, die daar begaan was, volkomen mocht uitgewist worden;
1388 10, 21| vergaderde hij de oversten des volks, en beschuldigde hen, dat
1389 4, 14| Zodat de priesters niet meer volvaardig waren om de dienst te doen
1390 5, 25| welke, daar hij de Joden vond, vierdag houdende, zo gebood
1391 11, 14| vastigheid van haar muren, en de vooraad van proviand. gedroegen
1392 8, 7 | 7 En hij nam vooral de nachten waar tot zodanige
1393 11, 32| feest, genoemd Pinksteren, voorbij was, zo trokken zij op tegen
1394 8, 20| geschiedde, en dat zij groot voordeel verkregen.~
1395 13, 38| 38 Want in de voorgaande tijden werd bij geoordeeld,
1396 11, 36| een medestrijder en een voorganger in de strijd wilde verschijnen;~
1397 6, 10| Want twee vrouwen werden voorgebracht, die haar kinderen hadden
1398 8, 23| 23 En als hij hun voorgelezen had het heilig boek, en
1399 4, 23| zond Jason Menelaüs, des voorgemelden Simons broeder, om de koning
1400 13, 26| zeide dat Nicanor dingen voorhad die vijandig waren aan de
1401 13, 41| deden op de deur van het voorhof, en als hun geboden werd
1402 2, 26| allen, wie dit boek zal voorkomen, enig nut toe te brengen.~
1403 10, 35| ontstoken gemoed allen die hun voorkwamen doodgeslagen.~
1404 3, 7 | last gevende, dat hij het voormelde geld nemen zoude.~
1405 2, 30| en een, die met inbranden voorneemt iets te schilderen, naarstig
1406 1, 8 | 8 Dat zij de voorpoort verbrand, en onschuldig
1407 4, 11| 11 En heeft de voorrechten afgeschaft, die namens de
1408 2, 33| beginnen, zo veel tot onze voorrede nog bijvoegende. Want het
1409 10, 47| zittende verschenen, die hun voorreed, in witte kleding, en zijn
1410 1, 33| verborgen hadden, water was te voorschijn gekomen, waarmee ook Nehemia
1411 3, 25| hetwelk sterk rennende zijn voorste voeten op Heliodorus geworpen
1412 1, 15| hem de priesters van Nanea voorstelden, en als hij met enige weinigen
1413 14, 12| en betamelijk zijn rede voortbrengende, en die van kindsbeen af
1414 7, 22| gij in mijn lichaam zijt voortgebracht, noch heb ik u de geest
1415 11, 17| zevenhonderdenvijftig stadiën voortgetrokken waren, kwamen zij in Charax
1416 13, 30| niet uit de beste oorzaak voortkwam, vergaderd hebbende niet
1417 9, 9 | goddeloze levende wormen voortkwamen, en dat zijn vlees, terwijl
1418 9, 7 | wagen viel, die zeer snel voortreed, en dat hij een zware val
1419 6, 23| besluit, dat zijn jaren en voortreffelijkheid des ouderdoms betaamde,
1420 6, 29| in kwaadwilligheid, om de voorzegde woorden, die zij achtten
1421 10, 18| zeer sterk waren en wel voorzien van alles wat nodig was
1422 4, 6 | dat zonder des konings voorzorg de zaken tot vrede zouden
1423 4, 31| latende in zijn plaats tot een voorzorger Andronicus, een van degenen
1424 7, 7 | rondom afgetrokken hebbende, vraagden zij hem: Zult gij nog geen
1425 7, 2 | aldus: Wat wilt gij ons vragen, en van ons weten? want
1426 13, 18| streden voor hun vaderland, zo vreesde hij het te wagen door een
1427 8, 13| leger daar was gekomen, zo vreesden zij, en vertrouwden niet
1428 1, 24| zijt aller dingen, gij die vreselijk zijt, en sterk, en rechtvaardig,
1429 9, 29| zich genomen; welke ook, vrezende de zoon van Antiochus, getrokken
1430 3, 12| op de eerwaardigheid en vrijdom van de tempel, die door
1431 6, 22| doende, van de dood zou vrijgelaten worden, en opdat hij, om
1432 4, 47| als onschuldigen zouden vrijgesproken zijn, tot de dood verwezen.~
1433 2, 23| gebouwd is, en de stad in vrijheid gesteld; en dat de wetten,
1434 7, 10| strekte zijn handen zeer vrijmoedig uit;~
1435 13, 3 | was geweest, en zichzelf vrijwillig besmet had in de tijden
1436 14, 3 | 3 Zo vroeg deze schelmachtigste mens,
1437 7, 21| kloekmoedig verstand, haar vrouwelijke overlegging met een mannelijk
1438 10, 36| staken de torens in brand, en vuren ontstoken hebbende, verbrandden
1439 10, 28| slag; dezen hadden tot een waarborg van de voorspoed en overwinning
1440 13, 24| hij hield Judas zeer in waarde, van harte tot de man geneigd
1441 11, 27| Efron, een sterke stad, waarin een grote menigte van allerlei
1442 11, 12| Judas, achtende dat zij hem waarlijk in vele zaken zouden dienstig
1443 12, 2 | olifanten, en driehonderd wagens met zeisen gewapend.~
1444 2, 27| maar een zaak vol zweten en waken.~
1445 9, 2 | bezetten, zo is het volk te wapen gelopen en brachten hen
1446 10, 1 | geleidde, de tempel en de stad wedergekregen.~
1447 6, 17| zullen met weinige woorden wederkomen tot ons verhaal.~
1448 9, 22| 22 Wederkomende uit de plaatsen van Perzië,
1449 7, 11| hoop dat ik dit van hem zal wederkrijgen.~
1450 9, 1 | dat Antiochus met schande wederkwam uit de plaatsen van omtrent
1451 9, 3 | hetgeen Nicanor en Timotheüs wedervaren was.~
1452 10, 19| belegering te doen, en hij week zelf naar de plaatsen, die
1453 3, 17| bevangen, waaruit klaar de weemoed die in zijn hart was degenen,
1454 9, 16| heilige vaten veelvoudig zou weergeven, en dat hij uit zijn eigen
1455 7, 22| 22 Zeggende tot hen: Ik weet niet hoe gij in mijn lichaam
1456 7, 36| straffen van deze hovaardigheid wegdragen.~
1457 4, 39| van verscheidene plaatsen weggebracht was.~
1458 13, 34| dingen gezegd had, is hij weggegaan, maar de priesters hun handen
1459 1, 33| dat in de plaats, waar de weggevoerde priesters het vuur verborgen
1460 5, 10| een menigte onbegraven had weggeworpen, over die heeft niemand
1461 5, 16| met zijn goddeloze handen wegrovende,~
1462 6, 17| vermaning, en wij zullen met weinige woorden wederkomen tot ons
1463 11, 31| zijn, en als het feest der weken aanstaande was, zijn zij
1464 10, 38| Here, die Israël zo grote weldaad had bewezen, en die hun
1465 10, 65| 26 Gij zult dan weldoen, dat gij tot ben zendt,
1466 8, 18| de gehele wereld, met één wenk ter neder te werpen.~
1467 2, 31| stukken, dit behoort tot het werk van de schrijver der geschiedenis.~
1468 3, 36| hij getuigde aan allen de werken van de grote God, die hijzelf
1469 1, 16| geheime deur des gewelfs, en werpende met stenen, doodden zij
1470 10, 65| opdat zij ons goedvinden wetende, goedsmoeds mogen zijn,
1471 6, 30| de Here, die een heilige wetenschap heeft, is bekend dat ik,
1472 6, 23| heilige en van God ingestelde wetgeving, heeft vervolgens geantwoord,
1473 4, 11| wapenen te maken; en heeft de wettige regering verbroken, en een
1474 4, 16| straffers hebben gekregen, wier leidingen zij naijverden,
1475 2, 31| 31 Maar wijdlopig alles te verhandelen, vele
1476 13, 44| Die terstond achterwaarts wijkende en plaats makende, kwam
1477 10, 7 | Derhalve dragende ranken van wijngaarden en schone takken, en ook
1478 6, 7 | was, werden zij gedwongen wijnloofkransen dragende, in het Bacchusfeest
1479 2, 9 | openbaar, hoe dat hij, met wijsheid begaafd zijnde, een offerande
1480 4, 25| een verbolgenheid van een wild barbaars beest hebbende.~
1481 14, 21| toerusting der wapenen, en de wildheid der beesten, opheffende
1482 4, 12| 12 En als hij willekeurig een school had opgericht,
1483 14, 21| wonderlijke dingen doet, als die wist dat de overwinning niet
1484 13, 32| verklaarden, dat zij niet wisten waar hij was, die gezocht
1485 10, 47| verschenen, die hun voorreed, in witte kleding, en zijn gouden
1486 2, 8 | heerlijkheid des Heren, en de wolk gezien zou worden, gelijk
1487 1, 22| dat de zon, tevoren met wolken bedekt zijnde, weder scheen,
1488 14, 21| de Here aangeroepen, die wonderlijke dingen doet, als die wist
1489 11, 27| menigte van allerlei volk woonde; de dappere jongelingen,
1490 10, 41| de stad te maken tot een woonplaats der heidenen;~
1491 3, 39| Want hij, die de hemelse woonstede heeft, is de opziener en
1492 10, 63| verzoeken dat hun toegelaten worde hun eigen wetten te mogen
1493 9, 9 | van deze goddeloze levende wormen voortkwamen, en dat zijn
1494 4, 14| onwettelijke oefeningen, die in de worstelplaats geschiedden, nadat zij anderen
1495 6, 15| gekomen zijn, hij ten laatste wraak over ons doe.~
1496 14, 2 | zeiden: Wil hen geenszins zo wreed en barbaars ombrengen, maar
1497 11, 5 | Judas, verstaande dat deze wreedheid tegen zijn landslieden begaan
1498 6, 2 | de tempel van Jupiter Xenius.~
1499 7, 17| kracht, hoe hij u en uw zaad zal pijnigen.~
1500 10, 19| en Jozef, en daarenboven Zacheüs, en velen met hem om deze
|