|
2
1
Daar wordt in de schriften gevonden, dat de profeet Jeremia degenen, die
weggevoerd werden, geboden heeft van het vuur te nemen, gelijk verklaard is, en
gelijk de profeet degenen, die weggevoerd zouden worden, bevolen had;
2
Hun gevende de wet, dat zij niet zouden vergeten de geboden des Heren, en dat
zij niet zouden dwalen in hun verstand, ziende de gouden en zilveren beelden,
en hun versiering.
3
En andere dergelijke dingen hun aanzeggende, vermaande hij hen, dat zij met hun
harten niet zouden afwijken van de wet,
4
En in hetzelfde schrift was ook, dat de profeet geboden heeft, dat de
tabernakel en de ark, gelijk hij door Goddelijke aanspraak was onderricht, hem
zou volgen; en hoe hij uitging naar de berg, op welke Mozes geklommen was, en
het erfdeel van God zag.
5
En dat Jeremia daar komende, een woning in de spelonk gevonden heeft, en dat
hij de tabernakel, en de ark, en het reukaltaar daar ingebracht en de deur
toegesloten heeft.
6
En dat enigen, die hem gevolgd en heengegaan waren, om de weg te tekenen, deze
niet hebben kunnen vinden.
7
En hoe Jeremia, dit verstaande, hen bestraffende gezegd heeft, dat die plaats
onbekend zou zijn, en dat hij zou verzoend wezen.
8
En dat de Here dan deze dingen zou tonen, en de heerlijkheid des Heren, en de
wolk gezien zou worden, gelijk die ook aan Mozes is geopenbaard, en gelijk
Salomo gebeden heeft dat deze plaats grotelijks zou worden geheiligd.
9
Want het is openbaar, hoe dat hij, met wijsheid begaafd zijnde, een offerande
geofferd heeft tot inwijding en heiliging van de tempel.
10
Hoe ook Mozes tot de Here een gebed heeft gedaan, en dat het vuur van de hemel
viel, en de offerande verslond; en dat zo ook Salomo gebeden heeft, en dat het
vuur nederkomende de brandoffers heeft verteerd.
11
En hoe Mozes zeide: Opdat de offerandel voor de zonde niet zou gegeten worden,
daarom is zij verteerd.
12
Desgelijks heeft ook Salomo die acht dagen gevierd.
13
En deze zelfde dingen worden verhaald in die schriften en in de aantekeningen
van Nehemia; en hoe hij een bibliotheek aanleggende, bijeen heeft vergaderd de
schriften van de koningen en profeten, en de schriftenl van David, en de
brieven der koningen aangaande de heilige geschenken.
14
Desgelijks heeft ook Judas al de dingen, die door de oorlog, welke ons
aangedaan was, vervallen waren, bijeenvergaderd; en die zijn bij ons.
15
Indien gij ze nodig hebt, zendt lieden aan ons, die ze u mogen brengen.
16
Dewijl wij dan zullen houden het feest der reiniging, zo hebben wij u dat
geschreven, en gij zult dan wel doen, dat gij deze dagen viert.
17
En God, die al zijn volk heeft behouden, en allen heeft gegeven het erfdeel, en
het koninkrijk, en het priesterschap en de heiliging;
18
Gelijk hij beloofd heeft door de wet, zo hopen wij op hem, dat hij zich over
ons zal ontfermen, en dat hij ons van alle landen, die onder de hemel zijn,
weder zal bijeenbrengen in deze heilige plaats.
19
Want hij heeft ons uit grote ellenden verlost en heeft deze plaats gereinigd.
20
Voorts, wat aangaat de zaken van Judas Makkabeüs, en zijn broeders, en de
reiniging van de grote tempel, en de inwijding des altaars;
21
En aangaande de oorlogen, die wij gehad hebben tegen Antiochus Epifanes, en
zijn zoon Eupator,
22
En de verschijningen, die van de hemel geschied zijn aan degenen, die voor het
Jodendom met eergierigheid zich mannelijk gekweten hebben, zodat zij weinigen
zijnde het ganse land afgelopen hebben, en menigte der barbaren hebben
vervolgd;
23
En dat de tempel, die door de gehele bewoonde wereld vermaard is, weder door
hen gebouwd is, en de stad in vrijheid gesteld; en dat de wetten, die haast
zouden zijn teniet gegaan, weder opgericht zijn; dewijl de Here met alle
goedertierenheid hun genadig was geworden;
24
Deze dingen, zijnde door Jason van Cyrene verklaard in vijf boeken, zullen wij
ondernemen in een boek kort te vervatten.
25
Want wij, ziende de verwarring in de getallen, en de zwarigheid, die er is voor
degenen, die de historische verhalen te enen male willen doorlezen, om de
menigte van de stof,
26
Hebben getracht om degenen, die lezen willen, enig vermaak te geven, en degenen
die begerig zijn om wel te onthouden, enige hulp, en allen, wie dit boek zal
voorkomen, enig nut toe te brengen.
27
Het is voor ons, die de moeite hebben genomen om dit kort begrip te maken, niet
licht geweest, maar een zaak vol zweten en waken.
28
Gelijkerwijs het iemand, die een grote maaltijd toebereidt, en die een ieder
wel zoekt te dienen, niet licht is, om van velen goede dank te behalen, zo
zullen wij nochtans gaarne deze moeite nemen.
29
Latende dan de schrijver de bredere verhandeling van iedere zaak, zullen wij
slechts voortgaan met dit kort begrip in het kort af te malen.
30
Gelijkerwijs een, die een nieuw huis wil bouwen, bekommerd moet zijn over het
ganse gebouw, en een, die met inbranden voorneemt iets te schilderen, naarstig
moet onderzoeken wat tot sieraad nodig is, zo acht ik dat wij ook moeten doen.
31
Maar wijdlopig alles te verhandelen, vele redenen te gebruiken, en bezig te
zijn in het verhaal van alle bijzondere stukken, dit behoort tot het werk van
de schrijver der geschiedenis.
32
Doch een kort begrip van hetgeen te zeggen is te vervolgen, en een bredere
verklaring der zaken te vermijden, dat behoort men toe te laten degene, die een
kort begrip van enig schrift maakt.
33
Laat ons dan van hier ons verhaal beginnen, zo veel tot onze voorrede nog
bijvoegende. Want het zou een dwaze zaak zijn, dat iemand, die een kort begrip
van een geschiedenis schrijft, meer overvloedig in woorden zou zijn dan de
geschiedenis zelf.
|