|
9
1
Omtrent deze tijd gebeurde het dat Antiochus met schande wederkwam uit de
plaatsen van omtrent Perzië.
2
Want als hij was ingegaan in de stad genaamd Persepolis en gewaagde het heilige
te beroven, en de stad te bezetten, zo is het volk te wapen gelopen en brachten
hen op de vlucht; en het gebeurde, als Antiochus door de inwoners op de vlucht
gedreven was, dat hij op een schandelijke wijze vertrok.
3
En als hij te Ecbatana was, werd hem tijding gebracht van hetgeen Nicanor en
Timotheüs wedervaren was.
4
Waarom hij, in zijn gemoed verbolgen wordende, dacht dat bij het kwaad, dat hem
aangedaan hadden degenen die hem verjaagd hadden, op de Joden zou verhalen; en
daarom gelastte hij zijn voerman, dat hij zonder ophouden zou voortgaan, en de
reis volbrengen; het oordeel uit de hemel hem reeds persende. Want hij sprak in
hovaardigheid: Ik zal Jeruzalem maken tot een begraafplaats der Joden, als ik
daar zal gekomen zijn.
5
Doch de almachtige Here, de God van Israël, sloeg hem met een ongeneeslijke en
onzienlijke plaag; want toen hij deze woorden geëindigd had, heeft hem een
ongeneeslijke pijn der ingewanden en bittere inwendige pijnigingen bevangen;
6
Zeer rechtvaardig, als die met vele en vreemde ellendigheden de ingewanden van
anderen gepijnigd had.
7
Doch hij liet daarom niet af van zijn hoogspreken, maar hij was nog met
hoogmoed vervuld, vuur blazende in zijn gramschap tegen de Joden, en gebood dat
men de reis zou verhaasten; en het gebeurde dat hij ook van de wagen viel, die
zeer snel voortreed, en dat hij een zware val doende, al de leden van zijn
lichaam verdraaid werden.
8
Hij, die kort tevoren de baren der zee scheen te willen gebieden, met een
vermetelheid, die de menselijke gedachten te boven ging, en die meende dat hij
de hoogste bergen met een schaal zou wegen, als hij op de aarde was, werd in
een rosbaar gedragen, de openbare macht Gods in zich voor allen betonende,
9
Zodat ook uit het lichaam van deze goddeloze levende wormen voortkwamen, en dat
zijn vlees, terwijl bij nog in smarten en pijnen leefde, van hem afviel; en dat
van zijn reuk het ganse leger bezwaard werd, vanwege de verrotting.
10
Zodat hem, die een weinig tevoren de sterren des hemels scheen te raken,
niemand kon dragen, om de onverdraaglijke stank.
11
Hier begon hij dan, zo verwond zijnde, van de grootheid zijns hoogmoeds terug
te komen, en door deze Goddelijke geseling tot kennis te komen, alle
ogenblikken zwaarder met pijnen aangetast wordende.
12
En zijn eigen stank ook niet kunnende verdragen, zeide hij deze woorden: Het is
recht dat men zich God onderwerpe, en dat iemand, een sterfelijk mens zijnde,
niet denke God gelijk te zijn.
13
En deze booswicht bad de Here, die hem nu geen barmhartigheid meer bewees,
aldus zeggende,
14
Dat hij de heilige stad, tot welke bij haastte te komen, om ze ten gronde uit
te roeien, en tot een grafplaats te maken, vrij zou stellen;
15
En dat hij de Joden, die hij voorgenomen had zelfs niet met een begrafenis te
verwaardigen, maar de vogels tot een aas, en de wilde beesten, met de kleine
kinderen, voor te werpen, allen tezamen die van Athene gelijk zou maken;
16
En dat hij de heilige tempel, die hij tevoren beroofd had, met zeer schone
geschenken zou versieren, en dat hij al de heilige vaten veelvoudig zou
weergeven, en dat hij uit zijn eigen inkomsten de onkosten, die tot de
offeranden behoorden, zou bestellen;
17
En dat hij daarenboven ook een Jood zou zijn, en dat hij zou gaan door alle
bewoonde plaatsen, om de kracht Gods te verkondigen.
18
Maar als de pijnen geenszins ophielden, (want het rechtvaardig oordeel Gods was
over hem gekomen) aan zichzelf wanhopende, schreef hij aan de Joden deze
ondergeschreven brief, hebbende een wijze van afbidding, van deze inhoud:
19
De koning en veldoverste Antiochus, de Joden, aan zijn burgers, voorspoed,
gezondheid en welvaren.
20
Indien gij welvarende zijt, en uw kinderen, en uw eigen zaken naar uw zin gaan,
dat is ons aangenaam.
21
In de hemel mijn hoop hebbende, gedenk ik goedertieren aan uw eer en aan uw
goedgunstigheid.
22
Wederkomende uit de plaatsen van Perzië, en gevallen zijnde in een krankheid,
die haar zwarigheid heeft, heb ik nodig geacht zorg te dragen voor de algemene
verzekerdheid van allen; niet wanhopende aan mijzelf, maar grote hoop hebbende
dat ik deze krankheid zal ontvlieden.
23
Doch aanmerkende, dat mijn vader, in die tijden, als hij ook in die
bovenplaatsen een leger voerde, verklaarde wie in zijn plaats zou komen;
24
Opdat zo daar iets, buiten verwachting zou mogen gebeuren, of ook enige
zwarigheid mocht geboodschapt worden, de inwoners van het land mochten weten,
wie de zaken van het rijk gelaten zijn, en zij niet ontroerd worden.
25
Daarenboven ook overdenkende, dat de prinsen die hierbij gelegen en naburen van
het rijk zijn, op de gelegen tijden letten en verwachten hetgeen gebeuren zal,
zo heb ik tot koning verklaard mijn zoon Antiochus, die ik, dikwijls in de
bovenprovinciën reizende, bij het merendeel van u vertrouwd en bevolen heb, en
ik heb aan hem geschreven hetgeen hieronder is geschreven.
26
Zo vermaan ik u dan, en verzoek, dat gij gedachtig zijnde der weldadigheden aan
u in het algemeen en bijzonder gedaan, een ieder van u behoude de
goedgunstigheid, die gij hebt tot mij, en tot mijn zoon.
27
Want ik ben verzekerd, dat hij, mijn voornemen navolgende, u alleszins billijk
en vriendelijk zal gelieven.
28
Zo heeft dan deze mensenmoorder en godslasteraar, als hij het allerkwaadste
geleden had, gelijk hij anderen ook had aangedaan, in een vreemd land, in het
gebergte, door een zeer ellendige dood, het leven afgelegd.
29
En Filippus, die met hem opgevoed was, heeft het lichaam met zich genomen;
welke ook, vrezende de zoon van Antiochus, getrokken is naar Egypte, tot
Ptolomeüs Filometor.
|