Chapter, Verse
1 1, 1 | krijgsvolk, beide te voet en te paard, ontboden;~
2 1, 2 | 2 En nam zijn zuster Arsinoë
3 1, 2 | zuster Arsinoë met zich, en spoedde zich naar de plaatsen
4 1, 2 | gelegen, waar Antiochus en zijn krijgslieden hun leger
5 1, 3 | 3 En een zekere Theodotus, trachtende
6 1, 3 | tevoren betrouwd waren, en begaf zich des nachts tot
7 1, 3 | alleen hem zou ombrengen, en op die wijze een einde aan
8 1, 4 | daarna de wet verlaten had, en vervreemd was geworden van
9 1, 4 | inzettingen, had hem weggevoerd, en een onbeduidend mens in
10 1, 4 | in zijn plaats gesteld, en het gebeurde, dat deze zijn
11 1, 5 | 5 En als er een bloedige slag
12 1, 5 | bloedige slag geschiedde, en de zaken meer voorspoedig
13 1, 5 | ging Arsinoë naarstig toe, en bad het krijgsvolk met gekerm
14 1, 5 | het krijgsvolk met gekerm en geween, met loshangend haar,
15 1, 5 | loshangend haar, dat zij zichzelf en haar kinderen, en vrouwen
16 1, 5 | zichzelf en haar kinderen, en vrouwen kloek te hulp zouden
17 1, 5 | kloek te hulp zouden komen, en zij beloofde de overwinnaars
18 1, 6 | 6 En zo is het geschied, dat
19 1, 6 | hand aan hand vernield, en dat ook velen gevangen genomen
20 1, 7 | 7 En als Ptolomeüs de bedriegelijke
21 1, 7 | naastgelegene steden te gaan, en hen te vermanen. En als
22 1, 7 | gaan, en hen te vermanen. En als hij dit gedaan, en de
23 1, 7 | En als hij dit gedaan, en de tempelen met gaven beschonken
24 1, 8 | Joden enigen uit de raad en uit de oudsten tot hem hadden
25 1, 8 | afgezonden om hem te begroeten, en geschenken te brengen, en
26 1, 8 | en geschenken te brengen, en over hetgeen geschied was
27 1, 9 | 9 En als hij te Jeruzalem kwam,
28 1, 9 | als hij te Jeruzalem kwam, en de hoogste God had geofferd
29 1, 9 | hoogste God had geofferd en gedankt, en hetgeen voorts
30 1, 9 | had geofferd en gedankt, en hetgeen voorts op die plaats
31 1, 10| 10 En als hij ook tot de heilige
32 1, 10| de heilige plaats kwam, en zich over de kunst en sierlijkheid
33 1, 10| kwam, en zich over de kunst en sierlijkheid ontzette, ja
34 1, 10| verwonderde, zo nam hij voor en was van zins in het binnenste
35 1, 11| opperste van alle priesters, en dat maar eenmaal in het
36 1, 12| dat hij daar moest ingaan; en hoewel zij van de eer beroofd
37 1, 12| mij niet te geschieden; en hij vroeg, waarom niemand
38 1, 13| 13 En een antwoordde: Het is onvoorzichtig
39 1, 13| is onvoorzichtig gedaan en dat het iets kwaads beduidde.
40 1, 14| geheel gewaad nedervielen en de hoogste God baden, om
41 1, 14| aanstaande nood te willen helpen, en het geweld des konings,
42 1, 14| ook de tempel met geroep en geween vervulden, toen verschrikten
43 1, 14| verschrikten degenen die hier en daar in de stad overgebleven
44 1, 14| stad overgebleven waren en kwamen uitgelopen, denkende
45 1, 15| haar moeders uitgelopen, en bestrooiden het haar met
46 1, 15| bestrooiden het haar met stof, en lieten het hangen, en vervulden
47 1, 15| stof, en lieten het hangen, en vervulden de straten met
48 1, 15| vervulden de straten met klagen en zuchten.~
49 1, 16| 16 En die ook onlangs uitgelaten
50 1, 16| haar betamelijke schaamte, en zij maakten een onordentelijk
51 1, 17| daarenboven beide moeders en voedstervrouwen verlieten
52 1, 17| jonggeboren kindertjes hier en daar, sommigen in de huizen,
53 1, 17| sommigen op de straten, en zij liepen zonder ophouden
54 1, 18| 18 En daar was menigerlei gesmeek
55 1, 19| burgers verstoutten zich en wilden het niet toestaan;
56 1, 19| hij eindelijk aanhield, en zijn voornemen dacht te
57 1, 19| dat men de wapenen grijpen en mannelijk voor de vaderlijke
58 1, 19| vaderlijke wet sterven zou, en zij maakten aan die plaats
59 1, 20| 20 En als zij ternauwernood door
60 1, 20| ternauwernood door de raad en de oudsten gestild waren,
61 1, 22| hij, zich verstoutende, en alles in de wind slaande,
62 1, 22| wind slaande, trad toe, en meende een einde te maken
63 1, 23| nood te hulp wilde komen, en deze onwettige en hovaardige
64 1, 23| komen, en deze onwettige en hovaardige daad niet gedogen.~
65 1, 24| 24 En uit het zeer sterk, en moeilijk
66 1, 24| 24 En uit het zeer sterk, en moeilijk tezamen gebracht
67 2, 1 | tempels de knieën buigende, en de handen uitstrekkende
68 2, 2 | Here, o Koning der hemelen en Heerser aller schepselen,
69 2, 2 | worden door een onheilig en goddeloos mens, die zichzelf
70 2, 2 | die zichzelf in stoutheid en sterkte verhovaardigt.~
71 2, 3 | gij, die alles geschapen, en aller dingen macht hebt,
72 2, 3 | een rechtvaardig vorst, en die uit wrevel en hoogmoed
73 2, 3 | vorst, en die uit wrevel en hoogmoed iets doet, oordeelt
74 2, 4 | waren, die op hun sterkte en stoutheid vertrouwden) vernield,
75 2, 5 | allen hovaardigheid werkten, en door hun boosheden zeer
76 2, 5 | zeer bekend waren, met vuur en zwavel verbrand, hen stellende
77 2, 6 | gebracht had, met verscheidene en vele straffen beproefd,
78 2, 6 | vele straffen beproefd, en uw mogendheid zo bekend
79 2, 7 | grote kracht bekend maaktet, en hem, toen hij Israël najaagde
80 2, 7 | Israël najaagde met wagens en menigte der volken, deed
81 2, 8 | Koning, die de oneindige en onmetelijke aarde geschapen
82 2, 8 | deze stad uitverkoren, en deze plaats geheiligd u
83 2, 8 | hoewel gij geen ding behoeft; en hebt die verheerlijkt met
84 2, 8 | makende ter ere van uw grote en dierbare naam.~
85 2, 9 | 9 En uit liefde tot het huis
86 2, 9 | wij ons van u afkeerden, en ons enige benauwdheid zou
87 2, 9 | benauwdheid zou mogen aangrijpen, en wij in deze plaats kwamen,
88 2, 9 | wij in deze plaats kwamen, en aanbaden, gij ons gebed
89 2, 10| voorwaar, gij zijt getrouw en waarachtig, nademaal gij
90 2, 10| hebt in hun vernedering, en hen verlost hebt uit grote
91 2, 11| grote zonden onderdrukt, en wij zijn onze vijanden onderworpen,
92 2, 11| onze vijanden onderworpen, en worden in onze machteloosheid
93 2, 12| 12 En in deze onze val poogt deze
94 2, 12| onze val poogt deze stoute en onreine koning deze heilige
95 2, 14| onreinheid van deze mensen, en straf ons niet door hun
96 2, 15| 15 Wis onze zonden uit, en verstrooi onze dwalingen,
97 2, 15| verstrooi onze dwalingen, en betoon uw barmhartigheid
98 2, 15| ontferming snel ons overkomen, en geef lof in de mond dergenen
99 2, 15| dergenen die nedergevallen en gebroken zijn van harte,
100 2, 16| heeft God, die alles ziet, en boven alles heilig is, in
101 2, 16| rechtvaardig gebed verhoord, en heeft hem gegeseld, die
102 2, 16| die zichzelf met smaad en trotsheid grotelijks verheven
103 2, 16| de vloer lag, machteloos, en ook lam aan zijn leden,
104 2, 17| werden beide zijn vrienden en lijfwachten, als zij de
105 2, 17| zeer grote vrees verslagen, en vrezende, dat hij ook het
106 2, 19| Toen hij nu in Egypte kwam, en zijn boosheid vermeerderde,
107 2, 19| zijn boosheid vermeerderde, en met hulp van zijn medehelpers
108 2, 19| hulp van zijn medehelpers en metgezellen, die tevoren
109 2, 19| tevoren aangewezen zijn, en van alle gerechtigheid afgezonderd
110 2, 19| plaatsen tegen het volk zaaide, en dat velen van de vrienden,
111 2, 20| 20 En hij nam voor openlijk dit
112 2, 20| hij een pilaar oprichten en dit schrift insnijden, dat
113 2, 20| weggevoerd zouden worden; en zo wie zou mogen tegenspreken,
114 2, 20| met geweld zou aantasten, en van het leven beroven.~
115 2, 21| opgeschreven werden, zou tekenen, en dat met vuur aan hun lichaam,
116 2, 22| 22 En opdat hij niet zou schijnen
117 2, 24| meesten bleven standvastig, en weken niet af van de godzaligheid;
118 2, 24| af van de godzaligheid; en voor het leven onbeschroomd
119 2, 24| opschrijven te bevrijden, en zij hadden goede hoop, en
120 2, 24| en zij hadden goede hoop, en vertrouwen dat zij hulp
121 2, 25| 25 En die van hen afweken waren
122 2, 25| afweken waren hun een gruwel, en zij hielden hen als vijanden
123 2, 25| als vijanden van hun volk, en beroofden hen beiden van
124 2, 25| van hun gemeenzame omgang en voorrechten.~ ~
125 3, 1 | 1 En als de goddeloze tiran dit
126 3, 1 | waren, meer tegenstond, en dat hij gelastte dat men
127 3, 1 | gelastte dat men zou haasten, en in één plaats alle Joden
128 3, 1 | plaats alle Joden vergaderen, en hen met de snoodste dood
129 3, 3 | onveranderlijke goedwilligheid en trouw, doch omdat zij God
130 3, 3 | doch omdat zij God dienden, en in zijn wet wandelden, zo
131 3, 3 | enige Joden afgezonderd, en van hun gemeenschap afgekeerd;
132 3, 3 | maar omdat zij hun handel en wandel met de goede werken
133 3, 4 | verschil nopens de aanbidding en andere gebruiken, dat maakten
134 3, 4 | dat zij gruwelijk waren, en grote vijanden van het welvaren
135 3, 5 | zagen tegen deze mensen, en dat er een onverwachte toeloop
136 3, 6 | zij hebben hen getroost, en namen het zeer kwalijk,
137 3, 6 | namen het zeer kwalijk, en meenden dat die dingen zouden
138 3, 7 | 7 Ja ook sommige buren en vrienden, en die met hen
139 3, 7 | sommige buren en vrienden, en die met hen handelden, heimelijk
140 3, 7 | enigen tot zich trekkende, en deden beloften, dat zij
141 3, 7 | mede wilden beschermen, en alles toebrengen tot hun
142 3, 9 | Filopator wenst alle stadhouders en krijgslieden in Egypte,
143 3, 9 | krijgslieden in Egypte, en de andere plaatsen geluk
144 3, 9 | de andere plaatsen geluk en voorspoed; ik zelf, en onze
145 3, 9 | geluk en voorspoed; ik zelf, en onze zaken varen wel.~
146 3, 10| wapen maar met zachtheid en veel vriendelijkheid de
147 3, 10| volken, die in Celo-Syrië en Fenicië wonen, goedertieren
148 3, 10| goedertieren te behandelen, en hen gaarne goed te doen.~
149 3, 11| 11 En als wij aan de tempels in
150 3, 11| ook te Jeruzalem gekomen, en opgegaan om de tempel van
151 3, 12| van hun tempel in te gaan, en die met zeer betamelijke
152 3, 12| die met zeer betamelijke en zeer schone geschenken te
153 3, 13| willen zij niet wat billijk en behoorlijk is verdragen,
154 3, 13| opheffen tegen de koningen, en hun eigen genadige heren.~
155 3, 14| uitzinnigheid ontweken, en zijn met overwinning gekomen,
156 3, 14| met overwinning gekomen, en hebben in Egypte alle volken
157 3, 14| vriendelijkheid bejegend, en gedaan gelijk het ons betaamde.~
158 3, 15| ongelijk wilden vergeten, en dat wij willens waren, zowel
159 3, 15| in beter te veranderen, en hen wilden aannemen, in
160 3, 15| altijddurende priesterdom, en verwaardigden met het burgerschap
161 3, 16| zij het tegendeel hopende, en het goede door de aangeboren
162 3, 16| boosaardigheid verwerpende, en tot het kwaad alle tijd
163 3, 16| oprecht welgezind zijn, en zij hopen altijd, dat wij
164 3, 17| ons kwalijk gezind zijn, en voorziende, dat mogelijk
165 3, 17| verraders zouden hebben, en tot barbaarse vijanden.~
166 3, 18| getekend zijn met vrouwen en kinderen in ijzeren banden
167 3, 18| ijzeren banden zal sluiten, en met smaadheid en plagen
168 3, 18| sluiten, en met smaadheid en plagen ons toezenden, tot
169 3, 18| tot een onafbiddelijke en schandelijke dood, die zulke
170 3, 19| rijks in een goede stand en zeer goede orde volmaakt
171 3, 20| 20 En zo wie iemand van de Joden
172 3, 21| 21 En wie zulks zal willen aanbrengen,
173 3, 21| die in deze straf valt, en nog uit des konings schatkamer
174 3, 22| wordt, die worde verwoest en verbrand, en geheel onnut
175 3, 22| worde verwoest en verbrand, en geheel onnut ten eeuwigen
176 3, 22| gehele menselijke geslacht. En zodanig was de inhoud en
177 3, 22| En zodanig was de inhoud en schrift van deze brief.~ ~
178 4, 1 | 1 En overal waar dit bevel bekend
179 4, 1 | gemeenschappelijke maaltijd met juichen en blijdschap, overmits de
180 4, 2 | een gedurige droefheid, en hun gekrijt was jammerlijk,
181 4, 2 | was jammerlijk, met tranen en zuchten, hun hart brandde
182 4, 2 | hart brandde alleszins, en zuchtte over dat onverwacht
183 4, 3 | om hunnentwil met geklag en gekerm vervuld?~
184 4, 4 | werden zij met een bitter en onbarmhartig gemoed door
185 4, 4 | algemene barmhartigheid, en bedachten de onzekere verandering
186 4, 5 | met grauwe haren bedekt, en zij misbruikten de benen,
187 4, 5 | benen, die van oudheid traag en krom waren en dreven die
188 4, 5 | oudheid traag en krom waren en dreven die met een geweldig
189 4, 6 | van vermaak, droefheid, en het haar met welriekende
190 4, 6 | gezalfd, was met as bestrooid, en zij werden ongedekt weggevoerd,
191 4, 6 | werden ongedekt weggevoerd, en begonnen gezamenlijk in
192 4, 6 | de vreemde volken gedrukt en gekweld werden; en gebonden
193 4, 6 | gedrukt en gekweld werden; en gebonden zijnde, werden
194 4, 7 | 7 En haar mannen waren in hun
195 4, 7 | gebonden, inplaats van kronen; en brachten de overgebleven
196 4, 7 | geschrei, inplaats van vreugde en jeugdige vrolijkheid, als
197 4, 8 | 8 En zij werden gedreven als
198 4, 8 | gedreven als beesten, getrokken en gedwongen met ijzeren banden;
199 4, 8 | der schepen gespijkerd, en sommigen met vaste boeien
200 4, 8 | aan de benen verzekerd; en daarenboven werd een dicht
201 4, 8 | zouden verblind worden, en zij in de ganse scheepvaart
202 4, 9 | voormelde schip gebracht waren, en het overvoeren voltrokken
203 4, 9 | zijnde groot in omvang, en bovenmate wel gelegen voor
204 4, 9 | voorbij naar de stad kwamen, en voor degenen onder hen,
205 4, 10| 10 Als dit geschied was, en de koning hoorde, dat der
206 4, 10| Joden landslieden heimelijk en dikwijls uit de stad uitgingen,
207 4, 10| werd hij zeer verstoord, en gelastte, dat men ook deze
208 4, 10| gelijk als de anderen, en in generlei wijze minder
209 4, 10| straffen dan de anderen; en dat men het ganse geslacht
210 4, 11| met de gedreigde straffen, en zo eindelijk op een bestemde
211 4, 12| beschrijving met veel naarstigheid, en gestadig zitten van de opgang
212 4, 12| tot derzelver ondergang, en in veertig dagen hadden
213 4, 13| was de koning grotelijks en gestadig vervuld met blijdschap,
214 4, 13| vervuld met blijdschap, en hield maaltijden voor alle
215 4, 13| de waarheid afgedwaald, en met zijn onheilige mond
216 4, 14| daar nog veel meer hier en daar in het land waren,
217 4, 15| 15 En als hij hen te harder dreigde,
218 4, 15| deden, als zij hem zeiden en bewezen, dat beide papier
219 4, 15| bewezen, dat beide papier en schrijfpennen, die zij zouden
220 5, 1 | koning, vol van grote toom, en door grimmigheid geheel
221 5, 1 | was, tot zich geroepen, en geboden dat hij de volgende
222 5, 1 | wierook zou te drinken geven en veel ongemengde wijn; en
223 5, 1 | en veel ongemengde wijn; en als zij door het overvloedig
224 5, 2 | 2 En als hij dit gelast had,
225 5, 2 | tot goede sier te maken, en vergaderde de voornaamsten
226 5, 2 | voornaamsten zijner vrienden en krijgsoversten, die tegen
227 5, 3 | de avond de dienaars uit, en bonden de handen der ellendige
228 5, 3 | handen der ellendige Joden, en bedachten voorts wat te
229 5, 3 | morgens een einde zou nemen en uitgeroeid worden.~
230 5, 4 | omdat zij alom met banden en benauwdheid omvangen waren,
231 5, 4 | allen de almachtige Here, en de heerser over alle macht,
232 5, 4 | macht, hun barmhartige God en Vader, met tranen, zonder
233 5, 4 | hen genomen wilde afkeren, en hen uit de dood, die voor
234 5, 5 | 5 En hun gedurig gebed klom op
235 5, 5 | olifanten drinken had gegeven, en met het geven van veel wijn
236 5, 5 | geven van veel wijn vervuld, en met wierook verzadigd had,
237 5, 6 | wereld aan, hetwelk bij nacht en bij dag door hem bestierd
238 5, 7 | 7 En door de krachtige werking
239 5, 7 | werd hij met een zeer zoete en diepe slaap bevangen, en
240 5, 7 | en diepe slaap bevangen, en zijn onrechtvaardig voornemen
241 5, 7 | voornemen mislukte hem zeer, en in zijn onverzettelijk besluit
242 5, 8 | prezen zij hun heilige God; en zij baden hem weder, die
243 5, 9 | nu omtrent half tien was, en als degene die gesteld was
244 5, 9 | ging hij in tot de koning, en stiet hem aan, en hem nauwelijks
245 5, 9 | koning, en stiet hem aan, en hem nauwelijks opgewekt
246 5, 9 | keerde zich ter maaltijd, en deed degenen, die ter maaltijd
247 5, 10| 10 En dit gedaan zijnde, vermaande
248 5, 10| zichzelf goed te verlustigen, en de tegenwoordige maaltijd
249 5, 10| maaltijd zeer blij te houden, en in vrolijkheid door te brengen.~
250 5, 11| Als nu het gesprek meer en meer voortging, zo riep
251 5, 11| koning Hermon tot zich; en hij vroeg hem met een bitter
252 5, 12| 12 En toen hij aanwees, dat hij
253 5, 12| het bevel had volbracht, en zijn vrienden zulks ook
254 5, 14| waren hem tegelijk, gaarne en met blijdschap, en keerden
255 5, 14| gaarne en met blijdschap, en keerden een ieder weder
256 5, 14| weder naar zijn eigen huis; en zij gebruikten de tijd van
257 5, 15| Hermon die grote beesten, en bewoog ze in die grote plaats;
258 5, 15| ze in die grote plaats; en het volk uit de ganse stad
259 5, 15| zeer ellendig schouwspel, en verwachtte met verlangen
260 5, 16| vele tranen, met gebeden, en met weemoedige gezangen
261 5, 16| handen uit tot de hemel, en baden de opperste God, dat
262 5, 17| verspreidden zich nog niet, en Hermon, als de koning de
263 5, 17| ontving, stond bij hem, en riep om uit te gaan, en
264 5, 17| en riep om uit te gaan, en wees aan, dat des konings
265 5, 18| Maar als hij dit vernam en in het goddeloos uitgaan
266 5, 19| 19 Hermon en al de vrienden toonden hem
267 5, 19| de vrienden toonden hem en zeiden: O koning, de grote
268 5, 19| koning, de grote beesten en het heer, zijn naar uw heftig
269 5, 20| voorzienigheid verstrooid waren, en op hem de ogen houdende,
270 5, 21| overvloedige spijs bereid hebben, en slaan inplaats van de onschuldige
271 5, 21| Joden, die hun gestadige en standvastige trouw aan mij,
272 5, 21| standvastige trouw aan mij, en mijn voorouders, uitnemend
273 5, 21| wij tezamen opgevoed zijn, en om uw dienst) gij Hermon
274 5, 22| Hermon zulk een onverwacht en vervaarlijk dreigement;
275 5, 22| vervaarlijk dreigement; en hij ontzette zich in zijn
276 5, 22| ontzette zich in zijn gelaat en aangezicht; en de een voor,
277 5, 22| zijn gelaat en aangezicht; en de een voor, de ander na
278 5, 22| werden droevig van gelaat, en schaamrood, en lieten degenen,
279 5, 22| van gelaat, en schaamrood, en lieten degenen, die daar
280 5, 23| 23 En de Joden, deze dingen van
281 5, 23| de heerlijke God, de Here en Koning der koningen, als
282 5, 24| begeven tot vrolijkheid, en hij riep Hermon tot zich,
283 5, 24| hij riep Hermon tot zich, en sprak met dreigen: O gij
284 5, 24| hoe dikwijls moet men een en hetzelfde gelasten? wapen
285 5, 25| gelast hen uit te roeien, en weder op de daad zo herroept
286 5, 26| verwijlen in oproer is, en vol van samenscholing, zodat
287 5, 27| vol onverstand zijnde, en niets achtende de veranderingen
288 5, 28| straffen, met de knieën en voeten dezer wrede beesten,
289 5, 28| voeten dezer wrede beesten, en zo ten grave zenden, maar
290 5, 28| Judea een heerleger voeren, en het land snel te vuur en
291 5, 28| en het land snel te vuur en te zwaard te gronde werpen,
292 5, 28| zwaard te gronde werpen, en hun heiligdom, waar zij
293 5, 28| haast met vuur verbranden, en te allen tijd in de as laten
294 5, 29| 29 Toen zijn de vrienden en magen zeer blijde geworden,
295 5, 29| met vertrouwen vertrokken en zij bestelden het krijgsvolk
296 5, 30| 30 En de overste der olifanten
297 5, 30| zeer welriekende dranken, en wijn met wierook gemengd,
298 5, 30| morgenstond, versierende en toebereidende; en toen nu
299 5, 30| versierende en toebereidende; en toen nu de stad langs de
300 5, 30| hij naar het hof gegaan, en heeft de koning tot de voorgenomen
301 5, 31| zelf met een wreed gemoed, en met zijn ogen wilde aanschouwen
302 5, 31| aanschouwen de moeilijke en jammerlijke ondergang dergenen,
303 5, 32| die de poort uitkwamen, en van het gewapende heerleger,
304 5, 32| gewapende heerleger, dat volgde, en van het gaan des volks zagen,
305 5, 32| het gaan des volks zagen, en een gruwelijk geluid en
306 5, 32| en een gruwelijk geluid en getuimel hoorden, zo meenden
307 5, 32| ogenblik van hun leven was, en het einde der ellendige
308 5, 33| 33 En zij keerden zich tot geklag
309 5, 33| keerden zich tot geklag en kusten en omhelsden elkander,
310 5, 33| zich tot geklag en kusten en omhelsden elkander, en vielen
311 5, 33| kusten en omhelsden elkander, en vielen de bloedverwanten,
312 5, 33| vaders, namelijk hun zonen, en de moeders haar dochters,
313 5, 34| 34 En anderen hadden de jonggeboren
314 5, 35| hun aangezichten gevallen, en deden de kinderen van de
315 5, 35| kinderen van de borsten, en riepen met zeer luide stem,
316 5, 35| riepen met zeer luide stem, en baden de Here aller schepselen,
317 6, 1 | 1 En een zekere Eleazar, een
318 6, 1 | tot zijn jaren gekomen, en met alle deugd in dit leven
319 6, 1 | God met hem aan te roepen, en bad aldus:~
320 6, 2 | machtige Koning, gij opperste en almachtige God, die alle
321 6, 2 | aanzie het zaad van Abraham, en zie op de kinderen van de
322 6, 2 | land een vreemdeling is, en onrechtvaardig vernield
323 6, 3 | Farao, die vele wagens had, en in vorige tijden heer was
324 6, 3 | onbarmhartige stoutheid, en met een grootsprekende tong)
325 6, 3 | zijn hovaardige heerkracht en verdelgd, en het geslacht
326 6, 3 | heerkracht en verdelgd, en het geslacht Israëls een
327 6, 4 | talloze heerkrachten pochte en met de spies het ganse land
328 6, 4 | zijn gebied gekregen had, en zich verhief tegen uw heilige
329 6, 4 | verhief tegen uw heilige stad, en uit opgeblazenheid, en stoutheid
330 6, 4 | en uit opgeblazenheid, en stoutheid lasterlijke woorden
331 6, 4 | Here, hebt hem gebroken en aan vele heidenen uw macht
332 6, 5 | die in Babylonië waren, en hun lichamen gewillig aan
333 6, 5 | ijdele afgoden, verlost, en de zeer doorgloeide oven
334 6, 6 | weder in het licht gebracht; en gij hebt, o Vader, Jona,
335 6, 7 | hetwelk door deze gruwelijke en goddeloze heidenen smaadheid
336 6, 8 | 8 En indien ons leven met ongodsdienstigheid
337 6, 8 | de hand dezer vijanden, en gij zelf, Here, verderf
338 6, 9 | gij uw geliefden verderft, en zeggen: Ook hun God heeft
339 6, 13| menigte der, jonge kinderen, en hun ouders, en dat met tranen;
340 6, 13| kinderen, en hun ouders, en dat met tranen; laat het
341 6, 13| gij met ons zijt, Here, en dat gij uw aangezicht van
342 6, 15| de koning met de beesten, en het gruwelijk heerleger
343 6, 16| 16 En de Joden, dat aanschouwende,
344 6, 16| mede een weerklank gaven, en het ganse heer tot een onbedwingelijk
345 6, 17| zeer heerlijke, almachtige, en waarachtige God zijn heilig
346 6, 17| heilig aanschijn vertoond, en de poorten van de hemel
347 6, 18| 18 En zij deden weerstand, en
348 6, 18| En zij deden weerstand, en zij vervulden het heerleger
349 6, 18| vijanden met ontroering en verschrikking, en verstrikten
350 6, 18| ontroering en verschrikking, en verstrikten hen met onbewegelijke
351 6, 18| met onbewegelijke boeien, en ook des konings lichaam
352 6, 18| werd geheel sidderende, en hij vergat zijn toornige
353 6, 18| hij vergat zijn toornige en grote stoutmoedigheid.~
354 6, 19| 19 En de beesten keerden zich
355 6, 19| volgende gewapende heerlegers, en vertrapten en vernielden
356 6, 19| heerlegers, en vertrapten en vernielden hen.~
357 6, 20| 20 En des konings toorn werd veranderd
358 6, 20| veranderd in barmhartigheid en tranen, vanwege de dingen,
359 6, 21| hij het geschreeuw hoorde en aanmerkte dat zij allen
360 6, 21| voorover vielen, zo weende hij en dreigde met gramschap zijn
361 6, 21| zeggende: alle sterkheid en alle onredelijk ongelijk
362 6, 22| Gij misbruikt de koning, en hebt de tirannen in wreedheid
363 6, 22| in wreedheid overtroffen, en gij neemt voor ook mijzelf,
364 6, 22| genadige heer ben, mijn rijk en leven te benemen, heimelijk
365 6, 23| van zijn huis afgevoerd en herwaarts verzameld?~
366 6, 24| alle volken te boven gaan, en dikwijls de ergste gevaren
367 6, 25| vrede naar hun plaatsen, en bidt af hetgeen door u jegens
368 6, 25| die almachtige, hemelse en levende God, die van onze
369 6, 25| onze zaken een voorspoedige en heerlijke welstand verleent.~
370 6, 26| 26 En dit sprak de koning; en
371 6, 26| En dit sprak de koning; en zij werden van stonden aan
372 6, 26| van stonden aan ontbonden, en loofden de heilige God,
373 6, 27| koning weder in de stad, en riep tot zich de ontvanger
374 6, 27| ontvanger van zijn inkomsten en gelastte aan hen, zeven
375 6, 27| zeven dagen lang, wijn en wat voorts om feest te houdig
376 6, 28| tevoren versmaadheid leden, en nabij het graf, ja veel
377 6, 28| in plaats van een bittere en zeer beklagelijke dood te
378 6, 28| een maaltijd des behouds, en vervuld met blijdschap,
379 6, 28| plaats af, die hun ten val en ten grave bereid was, in
380 6, 29| 29 En zij hielden op van het droevig
381 6, 29| van het droevig klaaglied, en hieven weder aan de lofzangen
382 6, 29| vaderen, God de behouder en wonderwerker prijzende;
383 6, 29| wonderwerker prijzende; en zij weerden van zich al
384 6, 29| van zich al het treuren en zuchten, en stelden vrolijke
385 6, 29| het treuren en zuchten, en stelden vrolijke reien aan
386 6, 30| wil een grote maaltijd, en loofde God in de hemel zonder
387 6, 30| de hemel zonder ophouden en zeer heerlijk, over die
388 6, 31| 31 En degenen, die tevoren hen
389 6, 31| tevoren hen ten verderve, en om te zijn een aas der vogelen
390 6, 31| aas der vogelen gesteld en met blijdschap opgeschreven
391 6, 31| hadden, die zuchtten nu, en waren met schaamte in zichzelf
392 6, 32| voorzegde reien met vreugde, en brachten de tijd door met
393 6, 32| met vrolijke dankzeggingen en psalmen.~
394 6, 33| 33 En zij maakten daarvan een
395 6, 33| daarvan een algemene wet, en besloten dat men in al hun
396 6, 33| niet om enige drinkerij en brasserij, maar om de verlossing,
397 6, 34| gingen zij tot de koning en verzochten verlof om naar
398 6, 35| toe, veertig dagen lang; en zij hadden besloten, hen
399 6, 35| barmhartigheid zeer heerlijk bewezen, en hen allen tezamen ongedeerd
400 6, 36| dan de maaltijd gehouden, en alles is hun door de koning
401 6, 37| hebben over hun vertrek; en de koning hen prijzende,
402 7, 1 | de stadhouders in Egypte, en allen die over des lands
403 7, 1 | zaken gesteld zijn, geluk en voorspoed; wij en onze kinderen
404 7, 1 | geluk en voorspoed; wij en onze kinderen varen ook
405 7, 2 | dikwijls bij ons aangehouden, en ons ook overreed, dat wij
406 7, 2 | zouden doen bijeenkomen en hen met vreemde straffen,
407 7, 3 | 3 En zij gaven voor, dat onze
408 7, 4 | Dewelke hen ook gebonden, en met veel overlast herwaarts
409 7, 4 | veel meer gelijk verraders, en gepoogd, zonder enige ondervraging
410 7, 4 | zonder enige ondervraging en onderzoeking, te doden zijnde
411 7, 5 | 5 En wij, hoewel hen over deze
412 7, 5 | het leven konden schenken, en erkenden, dat de hemelse
413 7, 5 | zeker de Joden beschermde, en te allen tijde voor hen,
414 7, 5 | vriendschap, waarmede zij ons en onze voorouders een vaste
415 7, 5 | met recht vrijgesproken en spreken hen vrij van alle
416 7, 6 | 6 En wij hebben een ieder gelast,
417 7, 6 | hebben een ieder gelast, en gelasten dat zij tot al
418 7, 6 | hunne mogen wederkeren, en dat niemand in enige plaats
419 7, 6 | hetgeen hun buiten recht en reden wedervaren is.~
420 7, 8 | geslacht der Joden willens en wetens de heilige God en
421 7, 8 | en wetens de heilige God en de wet van God verlaten
422 7, 9 | 9 En zij wendden voor, dat, die
423 7, 10| 10 En hij begreep, dat zij de
424 7, 10| zij de waarheid zeiden, en prees hen ook, en gaf hun
425 7, 10| zeiden, en prees hen ook, en gaf hun macht over alle
426 7, 11| gelijk het betaamde) gedankt; en hun priesters, en de gehele
427 7, 11| gedankt; en hun priesters, en de gehele menigte riepen:
428 7, 11| menigte riepen: Hallelujah, en zij vertrokken met blijdschap.~
429 7, 12| 12 En zo straften zij hun medeburgers,
430 7, 12| zich verontreinigd hadden, en die op de weg in hun handen
431 7, 12| weg in hun handen vielen, en zij sloegen hen dood na
432 7, 13| 13 En op die dag sloegen zij over
433 7, 13| driehonderd mannen dood, en maakten vreugde, met blijdschap
434 7, 14| bekroond, met blijdschap en gejuich; en zij dankten
435 7, 14| met blijdschap en gejuich; en zij dankten met lofliederen
436 7, 14| dankten met lofliederen en zoete lofzangen de God hunner
437 7, 16| 16 En toen zij te Ptolomaïs met
438 7, 17| de maaltijd oprichtende, en met het gebed zegenende.
439 7, 17| met het gebed zegenende. En zo vertrokken zij te land
440 7, 17| zo vertrokken zij te land en ter zee, en over de rivieren,
441 7, 17| zij te land en ter zee, en over de rivieren, een ieder
442 7, 17| zijn huis ongedeerd, vrij en zeer vrolijk, als die door
443 7, 17| konings gebod behouden waren en zij hadden meer macht tegen
444 7, 17| tevoren, met heerlijkheid en vrees.~
445 7, 18| 18 En zij werden door niemand
|