Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
ellende 2
ellendig 1
ellendige 5
en 445
engelen 1
enig 2
enige 9
Frequency    [«  »]
-----
-----
-----
445 en
392 de
156 die
144 met

Het derde boek der Makkabeeën

IntraText - Concordances

en

    Chapter, Verse
1 1, 1 | krijgsvolk, beide te voet en te paard, ontboden;~ 2 1, 2 | 2 En nam zijn zuster Arsinoë 3 1, 2 | zuster Arsinoë met zich, en spoedde zich naar de plaatsen 4 1, 2 | gelegen, waar Antiochus en zijn krijgslieden hun leger 5 1, 3 | 3 En een zekere Theodotus, trachtende 6 1, 3 | tevoren betrouwd waren, en begaf zich des nachts tot 7 1, 3 | alleen hem zou ombrengen, en op die wijze een einde aan 8 1, 4 | daarna de wet verlaten had, en vervreemd was geworden van 9 1, 4 | inzettingen, had hem weggevoerd, en een onbeduidend mens in 10 1, 4 | in zijn plaats gesteld, en het gebeurde, dat deze zijn 11 1, 5 | 5 En als er een bloedige slag 12 1, 5 | bloedige slag geschiedde, en de zaken meer voorspoedig 13 1, 5 | ging Arsinoë naarstig toe, en bad het krijgsvolk met gekerm 14 1, 5 | het krijgsvolk met gekerm en geween, met loshangend haar, 15 1, 5 | loshangend haar, dat zij zichzelf en haar kinderen, en vrouwen 16 1, 5 | zichzelf en haar kinderen, en vrouwen kloek te hulp zouden 17 1, 5 | kloek te hulp zouden komen, en zij beloofde de overwinnaars 18 1, 6 | 6 En zo is het geschied, dat 19 1, 6 | hand aan hand vernield, en dat ook velen gevangen genomen 20 1, 7 | 7 En als Ptolomeüs de bedriegelijke 21 1, 7 | naastgelegene steden te gaan, en hen te vermanen. En als 22 1, 7 | gaan, en hen te vermanen. En als hij dit gedaan, en de 23 1, 7 | En als hij dit gedaan, en de tempelen met gaven beschonken 24 1, 8 | Joden enigen uit de raad en uit de oudsten tot hem hadden 25 1, 8 | afgezonden om hem te begroeten, en geschenken te brengen, en 26 1, 8 | en geschenken te brengen, en over hetgeen geschied was 27 1, 9 | 9 En als hij te Jeruzalem kwam, 28 1, 9 | als hij te Jeruzalem kwam, en de hoogste God had geofferd 29 1, 9 | hoogste God had geofferd en gedankt, en hetgeen voorts 30 1, 9 | had geofferd en gedankt, en hetgeen voorts op die plaats 31 1, 10| 10 En als hij ook tot de heilige 32 1, 10| de heilige plaats kwam, en zich over de kunst en sierlijkheid 33 1, 10| kwam, en zich over de kunst en sierlijkheid ontzette, ja 34 1, 10| verwonderde, zo nam hij voor en was van zins in het binnenste 35 1, 11| opperste van alle priesters, en dat maar eenmaal in het 36 1, 12| dat hij daar moest ingaan; en hoewel zij van de eer beroofd 37 1, 12| mij niet te geschieden; en hij vroeg, waarom niemand 38 1, 13| 13 En een antwoordde: Het is onvoorzichtig 39 1, 13| is onvoorzichtig gedaan en dat het iets kwaads beduidde. 40 1, 14| geheel gewaad nedervielen en de hoogste God baden, om 41 1, 14| aanstaande nood te willen helpen, en het geweld des konings, 42 1, 14| ook de tempel met geroep en geween vervulden, toen verschrikten 43 1, 14| verschrikten degenen die hier en daar in de stad overgebleven 44 1, 14| stad overgebleven waren en kwamen uitgelopen, denkende 45 1, 15| haar moeders uitgelopen, en bestrooiden het haar met 46 1, 15| bestrooiden het haar met stof, en lieten het hangen, en vervulden 47 1, 15| stof, en lieten het hangen, en vervulden de straten met 48 1, 15| vervulden de straten met klagen en zuchten.~ 49 1, 16| 16 En die ook onlangs uitgelaten 50 1, 16| haar betamelijke schaamte, en zij maakten een onordentelijk 51 1, 17| daarenboven beide moeders en voedstervrouwen verlieten 52 1, 17| jonggeboren kindertjes hier en daar, sommigen in de huizen, 53 1, 17| sommigen op de straten, en zij liepen zonder ophouden 54 1, 18| 18 En daar was menigerlei gesmeek 55 1, 19| burgers verstoutten zich en wilden het niet toestaan; 56 1, 19| hij eindelijk aanhield, en zijn voornemen dacht te 57 1, 19| dat men de wapenen grijpen en mannelijk voor de vaderlijke 58 1, 19| vaderlijke wet sterven zou, en zij maakten aan die plaats 59 1, 20| 20 En als zij ternauwernood door 60 1, 20| ternauwernood door de raad en de oudsten gestild waren, 61 1, 22| hij, zich verstoutende, en alles in de wind slaande, 62 1, 22| wind slaande, trad toe, en meende een einde te maken 63 1, 23| nood te hulp wilde komen, en deze onwettige en hovaardige 64 1, 23| komen, en deze onwettige en hovaardige daad niet gedogen.~ 65 1, 24| 24 En uit het zeer sterk, en moeilijk 66 1, 24| 24 En uit het zeer sterk, en moeilijk tezamen gebracht 67 2, 1 | tempels de knieën buigende, en de handen uitstrekkende 68 2, 2 | Here, o Koning der hemelen en Heerser aller schepselen, 69 2, 2 | worden door een onheilig en goddeloos mens, die zichzelf 70 2, 2 | die zichzelf in stoutheid en sterkte verhovaardigt.~ 71 2, 3 | gij, die alles geschapen, en aller dingen macht hebt, 72 2, 3 | een rechtvaardig vorst, en die uit wrevel en hoogmoed 73 2, 3 | vorst, en die uit wrevel en hoogmoed iets doet, oordeelt 74 2, 4 | waren, die op hun sterkte en stoutheid vertrouwden) vernield, 75 2, 5 | allen hovaardigheid werkten, en door hun boosheden zeer 76 2, 5 | zeer bekend waren, met vuur en zwavel verbrand, hen stellende 77 2, 6 | gebracht had, met verscheidene en vele straffen beproefd, 78 2, 6 | vele straffen beproefd, en uw mogendheid zo bekend 79 2, 7 | grote kracht bekend maaktet, en hem, toen hij Israël najaagde 80 2, 7 | Israël najaagde met wagens en menigte der volken, deed 81 2, 8 | Koning, die de oneindige en onmetelijke aarde geschapen 82 2, 8 | deze stad uitverkoren, en deze plaats geheiligd u 83 2, 8 | hoewel gij geen ding behoeft; en hebt die verheerlijkt met 84 2, 8 | makende ter ere van uw grote en dierbare naam.~ 85 2, 9 | 9 En uit liefde tot het huis 86 2, 9 | wij ons van u afkeerden, en ons enige benauwdheid zou 87 2, 9 | benauwdheid zou mogen aangrijpen, en wij in deze plaats kwamen, 88 2, 9 | wij in deze plaats kwamen, en aanbaden, gij ons gebed 89 2, 10| voorwaar, gij zijt getrouw en waarachtig, nademaal gij 90 2, 10| hebt in hun vernedering, en hen verlost hebt uit grote 91 2, 11| grote zonden onderdrukt, en wij zijn onze vijanden onderworpen, 92 2, 11| onze vijanden onderworpen, en worden in onze machteloosheid 93 2, 12| 12 En in deze onze val poogt deze 94 2, 12| onze val poogt deze stoute en onreine koning deze heilige 95 2, 14| onreinheid van deze mensen, en straf ons niet door hun 96 2, 15| 15 Wis onze zonden uit, en verstrooi onze dwalingen, 97 2, 15| verstrooi onze dwalingen, en betoon uw barmhartigheid 98 2, 15| ontferming snel ons overkomen, en geef lof in de mond dergenen 99 2, 15| dergenen die nedergevallen en gebroken zijn van harte, 100 2, 16| heeft God, die alles ziet, en boven alles heilig is, in 101 2, 16| rechtvaardig gebed verhoord, en heeft hem gegeseld, die 102 2, 16| die zichzelf met smaad en trotsheid grotelijks verheven 103 2, 16| de vloer lag, machteloos, en ook lam aan zijn leden, 104 2, 17| werden beide zijn vrienden en lijfwachten, als zij de 105 2, 17| zeer grote vrees verslagen, en vrezende, dat hij ook het 106 2, 19| Toen hij nu in Egypte kwam, en zijn boosheid vermeerderde, 107 2, 19| zijn boosheid vermeerderde, en met hulp van zijn medehelpers 108 2, 19| hulp van zijn medehelpers en metgezellen, die tevoren 109 2, 19| tevoren aangewezen zijn, en van alle gerechtigheid afgezonderd 110 2, 19| plaatsen tegen het volk zaaide, en dat velen van de vrienden, 111 2, 20| 20 En hij nam voor openlijk dit 112 2, 20| hij een pilaar oprichten en dit schrift insnijden, dat 113 2, 20| weggevoerd zouden worden; en zo wie zou mogen tegenspreken, 114 2, 20| met geweld zou aantasten, en van het leven beroven.~ 115 2, 21| opgeschreven werden, zou tekenen, en dat met vuur aan hun lichaam, 116 2, 22| 22 En opdat hij niet zou schijnen 117 2, 24| meesten bleven standvastig, en weken niet af van de godzaligheid; 118 2, 24| af van de godzaligheid; en voor het leven onbeschroomd 119 2, 24| opschrijven te bevrijden, en zij hadden goede hoop, en 120 2, 24| en zij hadden goede hoop, en vertrouwen dat zij hulp 121 2, 25| 25 En die van hen afweken waren 122 2, 25| afweken waren hun een gruwel, en zij hielden hen als vijanden 123 2, 25| als vijanden van hun volk, en beroofden hen beiden van 124 2, 25| van hun gemeenzame omgang en voorrechten.~ ~ 125 3, 1 | 1 En als de goddeloze tiran dit 126 3, 1 | waren, meer tegenstond, en dat hij gelastte dat men 127 3, 1 | gelastte dat men zou haasten, en in één plaats alle Joden 128 3, 1 | plaats alle Joden vergaderen, en hen met de snoodste dood 129 3, 3 | onveranderlijke goedwilligheid en trouw, doch omdat zij God 130 3, 3 | doch omdat zij God dienden, en in zijn wet wandelden, zo 131 3, 3 | enige Joden afgezonderd, en van hun gemeenschap afgekeerd; 132 3, 3 | maar omdat zij hun handel en wandel met de goede werken 133 3, 4 | verschil nopens de aanbidding en andere gebruiken, dat maakten 134 3, 4 | dat zij gruwelijk waren, en grote vijanden van het welvaren 135 3, 5 | zagen tegen deze mensen, en dat er een onverwachte toeloop 136 3, 6 | zij hebben hen getroost, en namen het zeer kwalijk, 137 3, 6 | namen het zeer kwalijk, en meenden dat die dingen zouden 138 3, 7 | 7 Ja ook sommige buren en vrienden, en die met hen 139 3, 7 | sommige buren en vrienden, en die met hen handelden, heimelijk 140 3, 7 | enigen tot zich trekkende, en deden beloften, dat zij 141 3, 7 | mede wilden beschermen, en alles toebrengen tot hun 142 3, 9 | Filopator wenst alle stadhouders en krijgslieden in Egypte, 143 3, 9 | krijgslieden in Egypte, en de andere plaatsen geluk 144 3, 9 | de andere plaatsen geluk en voorspoed; ik zelf, en onze 145 3, 9 | geluk en voorspoed; ik zelf, en onze zaken varen wel.~ 146 3, 10| wapen maar met zachtheid en veel vriendelijkheid de 147 3, 10| volken, die in Celo-Syrië en Fenicië wonen, goedertieren 148 3, 10| goedertieren te behandelen, en hen gaarne goed te doen.~ 149 3, 11| 11 En als wij aan de tempels in 150 3, 11| ook te Jeruzalem gekomen, en opgegaan om de tempel van 151 3, 12| van hun tempel in te gaan, en die met zeer betamelijke 152 3, 12| die met zeer betamelijke en zeer schone geschenken te 153 3, 13| willen zij niet wat billijk en behoorlijk is verdragen, 154 3, 13| opheffen tegen de koningen, en hun eigen genadige heren.~ 155 3, 14| uitzinnigheid ontweken, en zijn met overwinning gekomen, 156 3, 14| met overwinning gekomen, en hebben in Egypte alle volken 157 3, 14| vriendelijkheid bejegend, en gedaan gelijk het ons betaamde.~ 158 3, 15| ongelijk wilden vergeten, en dat wij willens waren, zowel 159 3, 15| in beter te veranderen, en hen wilden aannemen, in 160 3, 15| altijddurende priesterdom, en verwaardigden met het burgerschap 161 3, 16| zij het tegendeel hopende, en het goede door de aangeboren 162 3, 16| boosaardigheid verwerpende, en tot het kwaad alle tijd 163 3, 16| oprecht welgezind zijn, en zij hopen altijd, dat wij 164 3, 17| ons kwalijk gezind zijn, en voorziende, dat mogelijk 165 3, 17| verraders zouden hebben, en tot barbaarse vijanden.~ 166 3, 18| getekend zijn met vrouwen en kinderen in ijzeren banden 167 3, 18| ijzeren banden zal sluiten, en met smaadheid en plagen 168 3, 18| sluiten, en met smaadheid en plagen ons toezenden, tot 169 3, 18| tot een onafbiddelijke en schandelijke dood, die zulke 170 3, 19| rijks in een goede stand en zeer goede orde volmaakt 171 3, 20| 20 En zo wie iemand van de Joden 172 3, 21| 21 En wie zulks zal willen aanbrengen, 173 3, 21| die in deze straf valt, en nog uit des konings schatkamer 174 3, 22| wordt, die worde verwoest en verbrand, en geheel onnut 175 3, 22| worde verwoest en verbrand, en geheel onnut ten eeuwigen 176 3, 22| gehele menselijke geslacht. En zodanig was de inhoud en 177 3, 22| En zodanig was de inhoud en schrift van deze brief.~ ~ 178 4, 1 | 1 En overal waar dit bevel bekend 179 4, 1 | gemeenschappelijke maaltijd met juichen en blijdschap, overmits de 180 4, 2 | een gedurige droefheid, en hun gekrijt was jammerlijk, 181 4, 2 | was jammerlijk, met tranen en zuchten, hun hart brandde 182 4, 2 | hart brandde alleszins, en zuchtte over dat onverwacht 183 4, 3 | om hunnentwil met geklag en gekerm vervuld?~ 184 4, 4 | werden zij met een bitter en onbarmhartig gemoed door 185 4, 4 | algemene barmhartigheid, en bedachten de onzekere verandering 186 4, 5 | met grauwe haren bedekt, en zij misbruikten de benen, 187 4, 5 | benen, die van oudheid traag en krom waren en dreven die 188 4, 5 | oudheid traag en krom waren en dreven die met een geweldig 189 4, 6 | van vermaak, droefheid, en het haar met welriekende 190 4, 6 | gezalfd, was met as bestrooid, en zij werden ongedekt weggevoerd, 191 4, 6 | werden ongedekt weggevoerd, en begonnen gezamenlijk in 192 4, 6 | de vreemde volken gedrukt en gekweld werden; en gebonden 193 4, 6 | gedrukt en gekweld werden; en gebonden zijnde, werden 194 4, 7 | 7 En haar mannen waren in hun 195 4, 7 | gebonden, inplaats van kronen; en brachten de overgebleven 196 4, 7 | geschrei, inplaats van vreugde en jeugdige vrolijkheid, als 197 4, 8 | 8 En zij werden gedreven als 198 4, 8 | gedreven als beesten, getrokken en gedwongen met ijzeren banden; 199 4, 8 | der schepen gespijkerd, en sommigen met vaste boeien 200 4, 8 | aan de benen verzekerd; en daarenboven werd een dicht 201 4, 8 | zouden verblind worden, en zij in de ganse scheepvaart 202 4, 9 | voormelde schip gebracht waren, en het overvoeren voltrokken 203 4, 9 | zijnde groot in omvang, en bovenmate wel gelegen voor 204 4, 9 | voorbij naar de stad kwamen, en voor degenen onder hen, 205 4, 10| 10 Als dit geschied was, en de koning hoorde, dat der 206 4, 10| Joden landslieden heimelijk en dikwijls uit de stad uitgingen, 207 4, 10| werd hij zeer verstoord, en gelastte, dat men ook deze 208 4, 10| gelijk als de anderen, en in generlei wijze minder 209 4, 10| straffen dan de anderen; en dat men het ganse geslacht 210 4, 11| met de gedreigde straffen, en zo eindelijk op een bestemde 211 4, 12| beschrijving met veel naarstigheid, en gestadig zitten van de opgang 212 4, 12| tot derzelver ondergang, en in veertig dagen hadden 213 4, 13| was de koning grotelijks en gestadig vervuld met blijdschap, 214 4, 13| vervuld met blijdschap, en hield maaltijden voor alle 215 4, 13| de waarheid afgedwaald, en met zijn onheilige mond 216 4, 14| daar nog veel meer hier en daar in het land waren, 217 4, 15| 15 En als hij hen te harder dreigde, 218 4, 15| deden, als zij hem zeiden en bewezen, dat beide papier 219 4, 15| bewezen, dat beide papier en schrijfpennen, die zij zouden 220 5, 1 | koning, vol van grote toom, en door grimmigheid geheel 221 5, 1 | was, tot zich geroepen, en geboden dat hij de volgende 222 5, 1 | wierook zou te drinken geven en veel ongemengde wijn; en 223 5, 1 | en veel ongemengde wijn; en als zij door het overvloedig 224 5, 2 | 2 En als hij dit gelast had, 225 5, 2 | tot goede sier te maken, en vergaderde de voornaamsten 226 5, 2 | voornaamsten zijner vrienden en krijgsoversten, die tegen 227 5, 3 | de avond de dienaars uit, en bonden de handen der ellendige 228 5, 3 | handen der ellendige Joden, en bedachten voorts wat te 229 5, 3 | morgens een einde zou nemen en uitgeroeid worden.~ 230 5, 4 | omdat zij alom met banden en benauwdheid omvangen waren, 231 5, 4 | allen de almachtige Here, en de heerser over alle macht, 232 5, 4 | macht, hun barmhartige God en Vader, met tranen, zonder 233 5, 4 | hen genomen wilde afkeren, en hen uit de dood, die voor 234 5, 5 | 5 En hun gedurig gebed klom op 235 5, 5 | olifanten drinken had gegeven, en met het geven van veel wijn 236 5, 5 | geven van veel wijn vervuld, en met wierook verzadigd had, 237 5, 6 | wereld aan, hetwelk bij nacht en bij dag door hem bestierd 238 5, 7 | 7 En door de krachtige werking 239 5, 7 | werd hij met een zeer zoete en diepe slaap bevangen, en 240 5, 7 | en diepe slaap bevangen, en zijn onrechtvaardig voornemen 241 5, 7 | voornemen mislukte hem zeer, en in zijn onverzettelijk besluit 242 5, 8 | prezen zij hun heilige God; en zij baden hem weder, die 243 5, 9 | nu omtrent half tien was, en als degene die gesteld was 244 5, 9 | ging hij in tot de koning, en stiet hem aan, en hem nauwelijks 245 5, 9 | koning, en stiet hem aan, en hem nauwelijks opgewekt 246 5, 9 | keerde zich ter maaltijd, en deed degenen, die ter maaltijd 247 5, 10| 10 En dit gedaan zijnde, vermaande 248 5, 10| zichzelf goed te verlustigen, en de tegenwoordige maaltijd 249 5, 10| maaltijd zeer blij te houden, en in vrolijkheid door te brengen.~ 250 5, 11| Als nu het gesprek meer en meer voortging, zo riep 251 5, 11| koning Hermon tot zich; en hij vroeg hem met een bitter 252 5, 12| 12 En toen hij aanwees, dat hij 253 5, 12| het bevel had volbracht, en zijn vrienden zulks ook 254 5, 14| waren hem tegelijk, gaarne en met blijdschap, en keerden 255 5, 14| gaarne en met blijdschap, en keerden een ieder weder 256 5, 14| weder naar zijn eigen huis; en zij gebruikten de tijd van 257 5, 15| Hermon die grote beesten, en bewoog ze in die grote plaats; 258 5, 15| ze in die grote plaats; en het volk uit de ganse stad 259 5, 15| zeer ellendig schouwspel, en verwachtte met verlangen 260 5, 16| vele tranen, met gebeden, en met weemoedige gezangen 261 5, 16| handen uit tot de hemel, en baden de opperste God, dat 262 5, 17| verspreidden zich nog niet, en Hermon, als de koning de 263 5, 17| ontving, stond bij hem, en riep om uit te gaan, en 264 5, 17| en riep om uit te gaan, en wees aan, dat des konings 265 5, 18| Maar als hij dit vernam en in het goddeloos uitgaan 266 5, 19| 19 Hermon en al de vrienden toonden hem 267 5, 19| de vrienden toonden hem en zeiden: O koning, de grote 268 5, 19| koning, de grote beesten en het heer, zijn naar uw heftig 269 5, 20| voorzienigheid verstrooid waren, en op hem de ogen houdende, 270 5, 21| overvloedige spijs bereid hebben, en slaan inplaats van de onschuldige 271 5, 21| Joden, die hun gestadige en standvastige trouw aan mij, 272 5, 21| standvastige trouw aan mij, en mijn voorouders, uitnemend 273 5, 21| wij tezamen opgevoed zijn, en om uw dienst) gij Hermon 274 5, 22| Hermon zulk een onverwacht en vervaarlijk dreigement; 275 5, 22| vervaarlijk dreigement; en hij ontzette zich in zijn 276 5, 22| ontzette zich in zijn gelaat en aangezicht; en de een voor, 277 5, 22| zijn gelaat en aangezicht; en de een voor, de ander na 278 5, 22| werden droevig van gelaat, en schaamrood, en lieten degenen, 279 5, 22| van gelaat, en schaamrood, en lieten degenen, die daar 280 5, 23| 23 En de Joden, deze dingen van 281 5, 23| de heerlijke God, de Here en Koning der koningen, als 282 5, 24| begeven tot vrolijkheid, en hij riep Hermon tot zich, 283 5, 24| hij riep Hermon tot zich, en sprak met dreigen: O gij 284 5, 24| hoe dikwijls moet men een en hetzelfde gelasten? wapen 285 5, 25| gelast hen uit te roeien, en weder op de daad zo herroept 286 5, 26| verwijlen in oproer is, en vol van samenscholing, zodat 287 5, 27| vol onverstand zijnde, en niets achtende de veranderingen 288 5, 28| straffen, met de knieën en voeten dezer wrede beesten, 289 5, 28| voeten dezer wrede beesten, en zo ten grave zenden, maar 290 5, 28| Judea een heerleger voeren, en het land snel te vuur en 291 5, 28| en het land snel te vuur en te zwaard te gronde werpen, 292 5, 28| zwaard te gronde werpen, en hun heiligdom, waar zij 293 5, 28| haast met vuur verbranden, en te allen tijd in de as laten 294 5, 29| 29 Toen zijn de vrienden en magen zeer blijde geworden, 295 5, 29| met vertrouwen vertrokken en zij bestelden het krijgsvolk 296 5, 30| 30 En de overste der olifanten 297 5, 30| zeer welriekende dranken, en wijn met wierook gemengd, 298 5, 30| morgenstond, versierende en toebereidende; en toen nu 299 5, 30| versierende en toebereidende; en toen nu de stad langs de 300 5, 30| hij naar het hof gegaan, en heeft de koning tot de voorgenomen 301 5, 31| zelf met een wreed gemoed, en met zijn ogen wilde aanschouwen 302 5, 31| aanschouwen de moeilijke en jammerlijke ondergang dergenen, 303 5, 32| die de poort uitkwamen, en van het gewapende heerleger, 304 5, 32| gewapende heerleger, dat volgde, en van het gaan des volks zagen, 305 5, 32| het gaan des volks zagen, en een gruwelijk geluid en 306 5, 32| en een gruwelijk geluid en getuimel hoorden, zo meenden 307 5, 32| ogenblik van hun leven was, en het einde der ellendige 308 5, 33| 33 En zij keerden zich tot geklag 309 5, 33| keerden zich tot geklag en kusten en omhelsden elkander, 310 5, 33| zich tot geklag en kusten en omhelsden elkander, en vielen 311 5, 33| kusten en omhelsden elkander, en vielen de bloedverwanten, 312 5, 33| vaders, namelijk hun zonen, en de moeders haar dochters, 313 5, 34| 34 En anderen hadden de jonggeboren 314 5, 35| hun aangezichten gevallen, en deden de kinderen van de 315 5, 35| kinderen van de borsten, en riepen met zeer luide stem, 316 5, 35| riepen met zeer luide stem, en baden de Here aller schepselen, 317 6, 1 | 1 En een zekere Eleazar, een 318 6, 1 | tot zijn jaren gekomen, en met alle deugd in dit leven 319 6, 1 | God met hem aan te roepen, en bad aldus:~ 320 6, 2 | machtige Koning, gij opperste en almachtige God, die alle 321 6, 2 | aanzie het zaad van Abraham, en zie op de kinderen van de 322 6, 2 | land een vreemdeling is, en onrechtvaardig vernield 323 6, 3 | Farao, die vele wagens had, en in vorige tijden heer was 324 6, 3 | onbarmhartige stoutheid, en met een grootsprekende tong) 325 6, 3 | zijn hovaardige heerkracht en verdelgd, en het geslacht 326 6, 3 | heerkracht en verdelgd, en het geslacht Israëls een 327 6, 4 | talloze heerkrachten pochte en met de spies het ganse land 328 6, 4 | zijn gebied gekregen had, en zich verhief tegen uw heilige 329 6, 4 | verhief tegen uw heilige stad, en uit opgeblazenheid, en stoutheid 330 6, 4 | en uit opgeblazenheid, en stoutheid lasterlijke woorden 331 6, 4 | Here, hebt hem gebroken en aan vele heidenen uw macht 332 6, 5 | die in Babylonië waren, en hun lichamen gewillig aan 333 6, 5 | ijdele afgoden, verlost, en de zeer doorgloeide oven 334 6, 6 | weder in het licht gebracht; en gij hebt, o Vader, Jona, 335 6, 7 | hetwelk door deze gruwelijke en goddeloze heidenen smaadheid 336 6, 8 | 8 En indien ons leven met ongodsdienstigheid 337 6, 8 | de hand dezer vijanden, en gij zelf, Here, verderf 338 6, 9 | gij uw geliefden verderft, en zeggen: Ook hun God heeft 339 6, 13| menigte der, jonge kinderen, en hun ouders, en dat met tranen; 340 6, 13| kinderen, en hun ouders, en dat met tranen; laat het 341 6, 13| gij met ons zijt, Here, en dat gij uw aangezicht van 342 6, 15| de koning met de beesten, en het gruwelijk heerleger 343 6, 16| 16 En de Joden, dat aanschouwende, 344 6, 16| mede een weerklank gaven, en het ganse heer tot een onbedwingelijk 345 6, 17| zeer heerlijke, almachtige, en waarachtige God zijn heilig 346 6, 17| heilig aanschijn vertoond, en de poorten van de hemel 347 6, 18| 18 En zij deden weerstand, en 348 6, 18| En zij deden weerstand, en zij vervulden het heerleger 349 6, 18| vijanden met ontroering en verschrikking, en verstrikten 350 6, 18| ontroering en verschrikking, en verstrikten hen met onbewegelijke 351 6, 18| met onbewegelijke boeien, en ook des konings lichaam 352 6, 18| werd geheel sidderende, en hij vergat zijn toornige 353 6, 18| hij vergat zijn toornige en grote stoutmoedigheid.~ 354 6, 19| 19 En de beesten keerden zich 355 6, 19| volgende gewapende heerlegers, en vertrapten en vernielden 356 6, 19| heerlegers, en vertrapten en vernielden hen.~ 357 6, 20| 20 En des konings toorn werd veranderd 358 6, 20| veranderd in barmhartigheid en tranen, vanwege de dingen, 359 6, 21| hij het geschreeuw hoorde en aanmerkte dat zij allen 360 6, 21| voorover vielen, zo weende hij en dreigde met gramschap zijn 361 6, 21| zeggende: alle sterkheid en alle onredelijk ongelijk 362 6, 22| Gij misbruikt de koning, en hebt de tirannen in wreedheid 363 6, 22| in wreedheid overtroffen, en gij neemt voor ook mijzelf, 364 6, 22| genadige heer ben, mijn rijk en leven te benemen, heimelijk 365 6, 23| van zijn huis afgevoerd en herwaarts verzameld?~ 366 6, 24| alle volken te boven gaan, en dikwijls de ergste gevaren 367 6, 25| vrede naar hun plaatsen, en bidt af hetgeen door u jegens 368 6, 25| die almachtige, hemelse en levende God, die van onze 369 6, 25| onze zaken een voorspoedige en heerlijke welstand verleent.~ 370 6, 26| 26 En dit sprak de koning; en 371 6, 26| En dit sprak de koning; en zij werden van stonden aan 372 6, 26| van stonden aan ontbonden, en loofden de heilige God, 373 6, 27| koning weder in de stad, en riep tot zich de ontvanger 374 6, 27| ontvanger van zijn inkomsten en gelastte aan hen, zeven 375 6, 27| zeven dagen lang, wijn en wat voorts om feest te houdig 376 6, 28| tevoren versmaadheid leden, en nabij het graf, ja veel 377 6, 28| in plaats van een bittere en zeer beklagelijke dood te 378 6, 28| een maaltijd des behouds, en vervuld met blijdschap, 379 6, 28| plaats af, die hun ten val en ten grave bereid was, in 380 6, 29| 29 En zij hielden op van het droevig 381 6, 29| van het droevig klaaglied, en hieven weder aan de lofzangen 382 6, 29| vaderen, God de behouder en wonderwerker prijzende; 383 6, 29| wonderwerker prijzende; en zij weerden van zich al 384 6, 29| van zich al het treuren en zuchten, en stelden vrolijke 385 6, 29| het treuren en zuchten, en stelden vrolijke reien aan 386 6, 30| wil een grote maaltijd, en loofde God in de hemel zonder 387 6, 30| de hemel zonder ophouden en zeer heerlijk, over die 388 6, 31| 31 En degenen, die tevoren hen 389 6, 31| tevoren hen ten verderve, en om te zijn een aas der vogelen 390 6, 31| aas der vogelen gesteld en met blijdschap opgeschreven 391 6, 31| hadden, die zuchtten nu, en waren met schaamte in zichzelf 392 6, 32| voorzegde reien met vreugde, en brachten de tijd door met 393 6, 32| met vrolijke dankzeggingen en psalmen.~ 394 6, 33| 33 En zij maakten daarvan een 395 6, 33| daarvan een algemene wet, en besloten dat men in al hun 396 6, 33| niet om enige drinkerij en brasserij, maar om de verlossing, 397 6, 34| gingen zij tot de koning en verzochten verlof om naar 398 6, 35| toe, veertig dagen lang; en zij hadden besloten, hen 399 6, 35| barmhartigheid zeer heerlijk bewezen, en hen allen tezamen ongedeerd 400 6, 36| dan de maaltijd gehouden, en alles is hun door de koning 401 6, 37| hebben over hun vertrek; en de koning hen prijzende, 402 7, 1 | de stadhouders in Egypte, en allen die over des lands 403 7, 1 | zaken gesteld zijn, geluk en voorspoed; wij en onze kinderen 404 7, 1 | geluk en voorspoed; wij en onze kinderen varen ook 405 7, 2 | dikwijls bij ons aangehouden, en ons ook overreed, dat wij 406 7, 2 | zouden doen bijeenkomen en hen met vreemde straffen, 407 7, 3 | 3 En zij gaven voor, dat onze 408 7, 4 | Dewelke hen ook gebonden, en met veel overlast herwaarts 409 7, 4 | veel meer gelijk verraders, en gepoogd, zonder enige ondervraging 410 7, 4 | zonder enige ondervraging en onderzoeking, te doden zijnde 411 7, 5 | 5 En wij, hoewel hen over deze 412 7, 5 | het leven konden schenken, en erkenden, dat de hemelse 413 7, 5 | zeker de Joden beschermde, en te allen tijde voor hen, 414 7, 5 | vriendschap, waarmede zij ons en onze voorouders een vaste 415 7, 5 | met recht vrijgesproken en spreken hen vrij van alle 416 7, 6 | 6 En wij hebben een ieder gelast, 417 7, 6 | hebben een ieder gelast, en gelasten dat zij tot al 418 7, 6 | hunne mogen wederkeren, en dat niemand in enige plaats 419 7, 6 | hetgeen hun buiten recht en reden wedervaren is.~ 420 7, 8 | geslacht der Joden willens en wetens de heilige God en 421 7, 8 | en wetens de heilige God en de wet van God verlaten 422 7, 9 | 9 En zij wendden voor, dat, die 423 7, 10| 10 En hij begreep, dat zij de 424 7, 10| zij de waarheid zeiden, en prees hen ook, en gaf hun 425 7, 10| zeiden, en prees hen ook, en gaf hun macht over alle 426 7, 11| gelijk het betaamde) gedankt; en hun priesters, en de gehele 427 7, 11| gedankt; en hun priesters, en de gehele menigte riepen: 428 7, 11| menigte riepen: Hallelujah, en zij vertrokken met blijdschap.~ 429 7, 12| 12 En zo straften zij hun medeburgers, 430 7, 12| zich verontreinigd hadden, en die op de weg in hun handen 431 7, 12| weg in hun handen vielen, en zij sloegen hen dood na 432 7, 13| 13 En op die dag sloegen zij over 433 7, 13| driehonderd mannen dood, en maakten vreugde, met blijdschap 434 7, 14| bekroond, met blijdschap en gejuich; en zij dankten 435 7, 14| met blijdschap en gejuich; en zij dankten met lofliederen 436 7, 14| dankten met lofliederen en zoete lofzangen de God hunner 437 7, 16| 16 En toen zij te Ptolomaïs met 438 7, 17| de maaltijd oprichtende, en met het gebed zegenende. 439 7, 17| met het gebed zegenende. En zo vertrokken zij te land 440 7, 17| zo vertrokken zij te land en ter zee, en over de rivieren, 441 7, 17| zij te land en ter zee, en over de rivieren, een ieder 442 7, 17| zijn huis ongedeerd, vrij en zeer vrolijk, als die door 443 7, 17| konings gebod behouden waren en zij hadden meer macht tegen 444 7, 17| tevoren, met heerlijkheid en vrees.~ 445 7, 18| 18 En zij werden door niemand


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License