Chapter, Verse
1 1, 6 | 6 En zo is het geschied, dat de vijanden
2 1, 13| 13 En een antwoordde: Het is onvoorzichtig gedaan en
3 1, 13| beduidde. Indien dat geschied is, zeide de koning, om welke
4 1, 22| aan hetgeen tevoren gezegd is.~
5 2, 12| heerlijke naam toegeëigend is, smaadheid aan te doen.~
6 2, 13| dewijl het uw welbehagen is geweest, dat uw heerlijkheid
7 2, 16| ziet, en boven alles heilig is, in het heiligdom dit rechtvaardig
8 2, 19| ontuchtigheden verzadigd, maar hij is ook tot zo grote vermetelheid
9 3, 6 | die God, die alles bekend is, zal een zodanig besluit
10 3, 10| onze wil ten einde gebracht is, zo hebben wij gedacht,
11 3, 13| wat billijk en behoorlijk is verdragen, als die alleen
12 5, 26| het verwijlen in oproer is, en vol van samenscholing,
13 5, 26| zodat zij dikwijls in gevaar is geweest van geplunderd te
14 5, 30| van mensen vervuld was, is hij naar het hof gegaan,
15 5, 31| 31 Toen is hij, zijn goddeloos hart
16 5, 31| waarvan tevoren gesproken is.~
17 6, 2 | vreemd land een vreemdeling is, en onrechtvaardig vernield
18 6, 5 | een haar aan hen gekrenkt is, maar gij zondt de vlam
19 6, 8 | vreemdelingschap bevangen is, verlos ons toch van de
20 6, 22| het rijk niet bevorderlijk is.~
21 6, 25| jegens hen tevoren gedaan is. Laat los de kinderen van
22 6, 36| maaltijd gehouden, en alles is hun door de koning toegereikt,
23 7, 6 | recht en reden wedervaren is.~
24 7, 7 | 7 Want gij zult weten, is het dat wij tegen hen iets
|