Chapter, Verse
1 2, 6 | hebt de trotse Faraö, die uw heilig volk Israël in dienstbaarheid
2 2, 6 | vele straffen beproefd, en uw mogendheid zo bekend gemaakt.~
3 2, 7 | 7 Na welke straffen gij uw grote kracht bekend maaktet,
4 2, 8 | beroemd makende ter ere van uw grote en dierbare naam.~
5 2, 12| plaats, die op de aarde uw heerlijke naam toegeëigend
6 2, 13| 13 Want tot uw woning voorwaar, namelijk
7 2, 13| niet komen, doch dewijl het uw welbehagen is geweest, dat
8 2, 13| welbehagen is geweest, dat uw heerlijkheid onder het volk
9 2, 15| onze dwalingen, en betoon uw barmhartigheid te dezer
10 2, 15| barmhartigheid te dezer tijd. Laat uw ontferming snel ons overkomen,
11 5, 19| beesten en het heer, zijn naar uw heftig voornemen, bereid.~
12 5, 21| tezamen opgevoed zijn, en om uw dienst) gij Hermon in hun
13 5, 21| Hermon in hun plaats van uw leven nul behoort beroofd
14 6, 2 | geheiligde Jakob, het volk van uw geheiligd erfdeel, dat in
15 6, 3 | geslacht Israëls een licht van uw barmhartigheid betoond.~
16 6, 4 | had, en zich verhief tegen uw heilige stad, en uit opgeblazenheid,
17 6, 4 | gebroken en aan vele heidenen uw macht openlijk bewezen.~
18 6, 9 | ijdele afgoden, als gij uw geliefden verderft, en zeggen:
19 6, 13| ons zijt, Here, en dat gij uw aangezicht van ons niet
20 6, 21| leven beroofd heidenen over uw on~
21 6, 22| neemt voor ook mijzelf, die uw genadige heer ben, mijn
|