Chapter, Verse
1 1, 19| maakten aan die plaats een grote verbittering.~
2 2, 7 | Na welke straffen gij uw grote kracht bekend maaktet, en
3 2, 8 | beroemd makende ter ere van uw grote en dierbare naam.~
4 2, 10| en hen verlost hebt uit grote ellende.~
5 2, 11| worden vanwege onze vele grote zonden onderdrukt, en wij
6 2, 17| had aangegrepen, met zeer grote vrees verslagen, en vrezende,
7 2, 19| maar hij is ook tot zo grote vermetelheid voortgegaan,
8 2, 23| licht over, alsof zij enige grote eer zouden deelachtig worden,
9 3, 4 | zij gruwelijk waren, en grote vijanden van het welvaren
10 3, 8 | acht op de kracht van de grote God, maar meende dat hij
11 5, 1 | heeft de koning, vol van grote toom, en door grimmigheid
12 5, 15| kraaide, wapende Hermon die grote beesten, en bewoog ze in
13 5, 15| beesten, en bewoog ze in die grote plaats; en het volk uit
14 5, 19| en zeiden: O koning, de grote beesten en het heer, zijn
15 5, 20| woorden wil vervuld met grote grimmigheid, overmits al
16 5, 31| zijn goddeloos hart met grote grimmigheid vervallende,
17 6, 18| vergat zijn toornige en grote stoutmoedigheid.~
18 6, 30| koning om dezer zaken wil een grote maaltijd, en loofde God
19 7, 2 | 2 Als de grote God voor ons de zaken gelukkig
20 7, 18| hadden, het aan hen met zeer grote vrees wedergaven, overmits
21 7, 18| overmits de opperste God grote daden tot hun behoud gedaan
|