Chapter, Verse
1 2, 10| nademaal gij dikwijls, als onze vaders verdrukt waren, hen
2 2, 11| zie wij worden vanwege onze vele grote zonden onderdrukt,
3 2, 11| onderdrukt, en wij zijn onze vijanden onderworpen, en
4 2, 11| onderworpen, en worden in onze machteloosheid door u voorbijgegaan.~
5 2, 12| 12 En in deze onze val poogt deze stoute en
6 2, 15| 15 Wis onze zonden uit, en verstrooi
7 2, 15| zonden uit, en verstrooi onze dwalingen, en betoon uw
8 3, 9 | en voorspoed; ik zelf, en onze zaken varen wel.~
9 3, 10| 10 Nadat wij onze krijgstocht in Azië gedaan
10 3, 10| onverhinderlijke bijstand naar onze wil ten einde gebracht is,
11 3, 12| zij hebben wel met woorden onze tegenwoordigheid vriendelijk
12 3, 13| 13 Daar zij nochtans onze sterkte niet konden weerstaan,
13 3, 16| hun zeer oneerlijk leven onze goede wetten snel zullen
14 6, 8 | met ongodsdienstigheid in onze vreemdelingschap bevangen
15 6, 25| en levende God, die van onze voorouders af tot nu toe
16 6, 25| voorouders af tot nu toe onze zaken een voorspoedige en
17 7, 1 | geluk en voorspoed; wij en onze kinderen varen ook nog wel.~
18 7, 3 | 3 En zij gaven voor, dat onze zaken nimmer een goede stand
19 7, 5 | vriendschap, waarmede zij ons en onze voorouders een vaste goedwilligheid
20 7, 7 | alles onvermijdelijk tot onze wederpartij zullen hebben,
|