Chapter, Verse
1 1, 14| degenen die hier en daar in de stad overgebleven waren en kwamen
2 1, 16| onordentelijk geloop in de stad.~
3 2, 8 | aarde geschapen hebt, deze stad uitverkoren, en deze plaats
4 2, 23| 23 Sommigen nu, die in de stad de trappen der godzalige
5 2, 23| de trappen der godzalige stad haatten, gaven zich licht
6 3, 5 | Maar de Grieken, die in de stad waren, wie gans geen leed
7 4, 3 | 3 Wat landschap of stad, of om in het gemeen te
8 4, 9 | legeren op het rijveld voor de stad, zijnde groot in omvang,
9 4, 9 | die daar voorbij naar de stad kwamen, en voor degenen
10 4, 10| heimelijk en dikwijls uit de stad uitgingen, om te bewenen
11 5, 15| en het volk uit de ganse stad vergaderde tot dit zeer
12 5, 26| 26 Waarom de stad door het verwijlen in oproer
13 5, 29| geschiktste plaatsen der stad tot bewaring.~
14 5, 30| toebereidende; en toen nu de stad langs de rijplaatsen met
15 6, 4 | verhief tegen uw heilige stad, en uit opgeblazenheid,
16 6, 27| keerde de koning weder in de stad, en riep tot zich de ontvanger
17 6, 37| aan de stadhouders in elke stad, hebbende deze inhoud:~ ~
18 7, 14| vertrokken gelijk uit de stad met allerlei zeer welriekende
19 7, 15| nu gekomen waren tot de stad Ptolomaïs, om de eigenschap
|