Chapter, Verse
1 1, 1 | 1 Als de koning Filopator verstond
2 1, 1 | wedergekeerd waren, dat de plaatsen, die hij bezet
3 1, 2 | zich, en spoedde zich naar de plaatsen langs Rafia gelegen,
4 1, 3 | zekere Theodotus, trachtende de aanslag te voltrekken, nam
5 1, 3 | voltrekken, nam tot zich de beste uit de wapenen van
6 1, 3 | nam tot zich de beste uit de wapenen van Ptolomeüs, die
7 1, 3 | begaf zich des nachts tot de tent van Ptolomeüs, opdat
8 1, 3 | die wijze een einde aan de krijg maken.~
9 1, 4 | Maar Dositheüs, genoemd de zoon van Drimylus, van geboorte
10 1, 4 | een Jood, doch die daarna de wet verlaten had, en vervreemd
11 1, 4 | vervreemd was geworden van de vaderlijke inzettingen,
12 1, 4 | een onbeduidend mens in de tent in zijn plaats gesteld,
13 1, 5 | bloedige slag geschiedde, en de zaken meer voorspoedig waren
14 1, 5 | meer voorspoedig waren aan de zijde van Antiochus, zo
15 1, 5 | zouden komen, en zij beloofde de overwinnaars ieder twee
16 1, 6 | zo is het geschied, dat de vijanden in het gevecht
17 1, 7 | 7 En als Ptolomeüs de bedriegelijke aanslag overwonnen
18 1, 7 | had, zo nam hij voor tot de naastgelegene steden te
19 1, 7 | En als hij dit gedaan, en de tempelen met gaven beschonken
20 1, 8 | 8 Als nu de Joden enigen uit de raad
21 1, 8 | Als nu de Joden enigen uit de raad en uit de oudsten tot
22 1, 8 | enigen uit de raad en uit de oudsten tot hem hadden afgezonden
23 1, 9 | hij te Jeruzalem kwam, en de hoogste God had geofferd
24 1, 10| 10 En als hij ook tot de heilige plaats kwam, en
25 1, 10| plaats kwam, en zich over de kunst en sierlijkheid ontzette,
26 1, 10| sierlijkheid ontzette, ja ook over de schone orde van de tempel
27 1, 10| over de schone orde van de tempel verwonderde, zo nam
28 1, 10| zins in het binnenste van de tempel in te gaan.~
29 1, 11| volk waren, noch ook al de priesters daar in te gaan,
30 1, 11| daar in te gaan, dan alleen de hogepriester, de opperste
31 1, 11| alleen de hogepriester, de opperste van alle priesters,
32 1, 12| 12 Ja de wet, die hem voorgelezen
33 1, 12| ingaan; en hoewel zij van de eer beroofd zijn, zo behoort
34 1, 12| waren hem verhinderd had, in de gehele tempel in te gaan.~
35 1, 13| Indien dat geschied is, zeide de koning, om welke oorzaak
36 1, 14| 14 Maar als de priesters met hun geheel
37 1, 14| geheel gewaad nedervielen en de hoogste God baden, om hen
38 1, 14| te bedwingen; als zij ook de tempel met geroep en geween
39 1, 14| degenen die hier en daar in de stad overgebleven waren
40 1, 15| 15 Ook zijn de dochters, die in haar kamers
41 1, 15| het hangen, en vervulden de straten met klagen en zuchten.~
42 1, 16| die verordineerd waren om de koning tegemoet te gaan,
43 1, 16| onordentelijk geloop in de stad.~
44 1, 17| voedstervrouwen verlieten de jonggeboren kindertjes hier
45 1, 17| hier en daar, sommigen in de huizen, sommigen op de straten,
46 1, 17| in de huizen, sommigen op de straten, en zij liepen zonder
47 1, 19| Daarbenevens sommigen van de burgers verstoutten zich
48 1, 19| volbrengen, riepen zij dat men de wapenen grijpen en mannelijk
49 1, 19| grijpen en mannelijk voor de vaderlijke wet sterven zou,
50 1, 20| als zij ternauwernood door de raad en de oudsten gestild
51 1, 20| ternauwernood door de raad en de oudsten gestild waren, zo
52 1, 21| bezig met bidden, maar de oudsten, die om de koning
53 1, 21| maar de oudsten, die om de koning stonden, beproefden
54 1, 21| zijn hovaardig gemoed van de voorgenomen opzet af te
55 1, 22| verstoutende, en alles in de wind slaande, trad toe,
56 1, 23| 23 Waarom degenen, die om de koning stonden, als zij
57 1, 23| zij zich omgekeerd, om met de onzen hem aan te roepen,
58 1, 23| kracht heeft, dat hij in de tegenwoordige nood te hulp
59 1, 25| scheen, dat niet alleen de mensen, maar ook de muren,
60 1, 25| alleen de mensen, maar ook de muren, ja de gehele vloer
61 1, 25| mensen, maar ook de muren, ja de gehele vloer een weerklank
62 1, 25| weerklank gaven, alsof zij allen de dood liever hadden dan de
63 1, 25| de dood liever hadden dan de besmetting van die plaats.~ ~
64 2, 1 | 1 Simon dan, de hogepriester, tegenover
65 2, 1 | het binnenste des tempels de knieën buigende, en de handen
66 2, 1 | tempels de knieën buigende, en de handen uitstrekkende tot
67 2, 1 | handen uitstrekkende tot de hemel, deed een zodanig
68 2, 4 | bedreven, (onder welke ook de reuzen waren, die op hun
69 2, 4 | een onmetelijk water van de zondvloed.~
70 2, 5 | 5 Gij hebt de Sodomieten, toen zij allen
71 2, 5 | stellende tot een voorbeeld aan de komende eeuwen.~
72 2, 6 | 6 Gij hebt de trotse Faraö, die uw heilig
73 2, 7 | der volken, deed zinken in de diepte der zee, maar die
74 2, 7 | daardoor gevoerd; welke de werken uwer handen erkennende,
75 2, 7 | uwer handen erkennende, u de Almachtige geprezen hebben.~
76 2, 8 | Gij hebt, o Koning, die de oneindige en onmetelijke
77 2, 12| deze heilige plaats, die op de aarde uw heerlijke naam
78 2, 13| woning voorwaar, namelijk de hemel der hemelen, kunnen
79 2, 13| hemel der hemelen, kunnen de mensen niet komen, doch
80 2, 14| 14 Wreek ons niet door de onreinheid van deze mensen,
81 2, 14| hun onheiligheid, opdat de ongerechtigen in hun gemoed
82 2, 14| voeten getreden, gelijk de huizen der gruwelen vertreden
83 2, 15| overkomen, en geef lof in de mond dergenen die nedergevallen
84 2, 16| slingerende gelijk het riet van de wind, zodat hij nu op de
85 2, 16| de wind, zodat hij nu op de vloer lag, machteloos, en
86 2, 17| en lijfwachten, als zij de snelle straf zagen, die
87 2, 17| trokken zij hem terstond uit de tempel.~
88 2, 19| zaaide, en dat velen van de vrienden, lettende op des
89 2, 20| zou ingaan, maar dat al de Joden, onder het volk beschreven,
90 2, 21| men ook zou afzonderen tot de vrijheid, hun tevoren bestemd.~
91 2, 22| verkozen om te gaan met de priesters, dezen gelijk
92 2, 22| burgerrecht zouden hebben met de burgers van Alexandrië.~
93 2, 23| 23 Sommigen nu, die in de stad de trappen der godzalige
94 2, 23| Sommigen nu, die in de stad de trappen der godzalige stad
95 2, 23| zouden deelachtig worden, om de gemeenschap, die zij zouden
96 2, 23| die zij zouden hebben met de koning.~
97 2, 24| 24 Doch de meesten bleven standvastig,
98 2, 24| standvastig, en weken niet af van de godzaligheid; en voor het
99 2, 24| leven onbeschroomd geld in de plaats biedende, poogden
100 3, 1 | 1 En als de goddeloze tiran dit vernam,
101 3, 1 | tegen Alexandrië, maar ook de anderen, die in het gehele
102 3, 1 | Joden vergaderen, en hen met de snoodste dood van het leven
103 3, 2 | volk uitgestrooid, zijnde de boze lieden, die tot het
104 3, 2 | nemen oorzaak gegeven, alsof de Joden hen verhinderden in
105 3, 3 | 3 Maar de Joden onderhielden wel tot
106 3, 3 | Joden onderhielden wel tot de koningen een onveranderlijke
107 3, 3 | hun handel en wandel met de goede werken der gerechtigheid
108 3, 4 | vreemden dan verhaalden niet de goede wandel van ons geslacht,
109 3, 4 | maar het verschil nopens de aanbidding en andere gebruiken,
110 3, 4 | dat die mensen noch met de koning, noch met zijn machten
111 3, 5 | 5 Maar de Grieken, die in de stad
112 3, 5 | Maar de Grieken, die in de stad waren, wie gans geen
113 3, 8 | 8 Verder de koning, door de tegenwoordige
114 3, 8 | 8 Verder de koning, door de tegenwoordige voorspoed
115 3, 8 | verhovaardigende, gaf geen acht op de kracht van de grote God,
116 3, 8 | geen acht op de kracht van de grote God, maar meende dat
117 3, 9 | 9 De koning Ptolomeüs Filopator
118 3, 9 | krijgslieden in Egypte, en de andere plaatsen geluk en
119 3, 10| en veel vriendelijkheid de volken, die in Celo-Syrië
120 3, 11| 11 En als wij aan de tempels in de steden vele
121 3, 11| als wij aan de tempels in de steden vele renten uitgedeeld
122 3, 11| gekomen, en opgegaan om de tempel van die booswichten,
123 3, 13| verdragen, als die alleen onder de volken hun hals opheffen
124 3, 13| hun hals opheffen tegen de koningen, en hun eigen genadige
125 3, 15| hen wilden aannemen, in de gemeenschap van het altijddurende
126 3, 16| hopende, en het goede door de aangeboren boosaardigheid
127 3, 19| toekomende tijden, voor ons de zaken des rijks in een goede
128 3, 20| 20 En zo wie iemand van de Joden beschermen zal, van
129 3, 20| Joden beschermen zal, van de oudste tot de jongste, ja
130 3, 20| beschermen zal, van de oudste tot de jongste, ja tot de zuigende
131 3, 20| oudste tot de jongste, ja tot de zuigende toe, die zal met
132 3, 20| zijn ganse huisgezin met de schandelijkste folteringen
133 3, 22| geslacht. En zodanig was de inhoud en schrift van deze
134 4, 1 | bekend werd gemaakt, hielden de heidenen een gemeenschappelijke
135 4, 1 | en blijdschap, overmits de vijandschap nu met stoutheid
136 4, 2 | 2 Maar de Joden waren in een gedurige
137 4, 4 | onbarmhartig gemoed door de stadhouders in de steden
138 4, 4 | gemoed door de stadhouders in de steden tegelijk weggezonden,
139 4, 4 | weggezonden, dat ook sommigen van de vijanden, die om de ongewone
140 4, 4 | van de vijanden, die om de ongewone straffen voor ogen
141 4, 4 | straffen voor ogen namen de algemene barmhartigheid,
142 4, 4 | barmhartigheid, en bedachten de onzekere verandering van
143 4, 5 | bedekt, en zij misbruikten de benen, die van oudheid traag
144 4, 5 | enige schaamte, om snel op de weg voort te gaan.~
145 4, 6 | 6 Daarna de jonge vrouwen, die zich
146 4, 6 | vrouwen, die zich onlangs tot de huwelijke staat begeven
147 4, 6 | jammerlijk geschrei, als die door de vreemde volken gedrukt en
148 4, 7 | in hun bloeiende jeugd om de halzen met stroppen gebonden,
149 4, 7 | van kronen; en brachten de overgebleven dagen der bruiloft
150 4, 7 | vrolijkheid, als die reeds de dood voor hun ogen gesteld
151 4, 8 | banden; sommigen werden met de halzen aan de boorden der
152 4, 8 | werden met de halzen aan de boorden der schepen gespijkerd,
153 4, 8 | sommigen met vaste boeien aan de benen verzekerd; en daarenboven
154 4, 8 | verblind worden, en zij in de ganse scheepvaart het geleide
155 4, 9 | was, gelijkerwijs het door de koning was geboden, zo heeft
156 4, 9 | legeren op het rijveld voor de stad, zijnde groot in omvang,
157 4, 9 | degenen, die daar voorbij naar de stad kwamen, en voor degenen
158 4, 10| Als dit geschied was, en de koning hoorde, dat der Joden
159 4, 10| heimelijk en dikwijls uit de stad uitgingen, om te bewenen
160 4, 10| uitgingen, om te bewenen de schandelijke ellende hunner
161 4, 10| zou behandelen, gelijk als de anderen, en in generlei
162 4, 10| wijze minder straffen dan de anderen; en dat men het
163 4, 11| niet wilde belasten met de dienst een weinig tevoren
164 4, 11| gemaakt, maar pijnigen met de gedreigde straffen, en zo
165 4, 12| en gestadig zitten van de opgang der zon tot derzelver
166 4, 13| 13 Intussen was de koning grotelijks en gestadig
167 4, 13| zijn hart was verre van de waarheid afgedwaald, en
168 4, 13| onheilige mond prees hij de stomme afgoden, die hem
169 4, 13| toespreken of helpen; maar tegen de hoogste God sprak hij dingen
170 4, 14| 14 Na de voormelde tijd boodschapten
171 4, 14| voormelde tijd boodschapten de schrijvers de koning, dat
172 4, 14| boodschapten de schrijvers de koning, dat zij de beschrijving
173 4, 14| schrijvers de koning, dat zij de beschrijving der Joden niet
174 4, 15| giften omgekocht waren om de Joden te doen ontvluchten,
175 4, 16| was een krachtig werk van de onoverwinnelijke voorzienigheid
176 4, 16| voorzienigheid Gods, die uit de hemel de Joden hulp bood.~ ~
177 4, 16| voorzienigheid Gods, die uit de hemel de Joden hulp bood.~ ~
178 5, 1 | 1 Toen heeft de koning, vol van grote toom,
179 5, 1 | onverzettelijk, Hermon, wie de zorg der olifanten bevolen
180 5, 1 | geroepen, en geboden dat hij de volgende dag al de olifanten,
181 5, 1 | dat hij de volgende dag al de olifanten, die vijfhonderd
182 5, 1 | zouden zijn, dat men hen de Joden tegemoet zou voeren
183 5, 2 | te maken, en vergaderde de voornaamsten zijner vrienden
184 5, 2 | krijgsoversten, die tegen de Joden vijandig gezind waren;
185 5, 2 | Joden vijandig gezind waren; de overste nu der olifanten,
186 5, 3 | Daarenboven gingen tegen de avond de dienaars uit, en
187 5, 3 | Daarenboven gingen tegen de avond de dienaars uit, en bonden
188 5, 3 | dienaars uit, en bonden de handen der ellendige Joden,
189 5, 4 | 4 Doch de Joden, die voor de heidenen
190 5, 4 | Doch de Joden, die voor de heidenen van alle hulp schenen
191 5, 4 | omvangen waren, hebben allen de almachtige Here, en de heerser
192 5, 4 | allen de almachtige Here, en de heerser over alle macht,
193 5, 4 | aangeroepen, biddende dat hij de goddeloze raad tegen hen
194 5, 4 | wilde afkeren, en hen uit de dood, die voor hun voeten
195 5, 5 | gedurig gebed klom op in de hemel. Hermon nu, als hij
196 5, 5 | hemel. Hermon nu, als hij de wrede olifanten drinken
197 5, 5 | tot des konings hof, om de koning deze zaken te kennen
198 5, 6 | Maar God heeft een slaap (de goede beschikking van het
199 5, 6 | wie hij wil) gezonden tot de koning.~
200 5, 7 | 7 En door de krachtige werking des Heren
201 5, 8 | 8 Als nu de Joden die tevoren betekende
202 5, 8 | laat verzoenen, dat hij de sterkte van zijn machtige
203 5, 8 | van zijn machtige hand aan de hoogmoedige heidenen wilde
204 5, 9 | gasten te noden, zag dat de genoden sterk aankwamen,
205 5, 9 | aankwamen, ging hij in tot de koning, en stiet hem aan,
206 5, 9 | vertoonde hij hem, dat de bestemde tijd van de maaltijd
207 5, 9 | dat de bestemde tijd van de maaltijd voorbijging, terwijl
208 5, 9 | hierover wisselde; welke rede, de koning bedenkende, keerde
209 5, 10| goed te verlustigen, en de tegenwoordige maaltijd zeer
210 5, 11| meer voortging, zo riep de koning Hermon tot zich;
211 5, 11| bitter dreigement, waarom men de Joden die dag nog in het
212 5, 12| Falaris, dat zij dit aan de huidige slaap mochten toeschrijven.~
213 5, 13| oponthoud op gelijke wijze tegen de volgende dag de olifanten
214 5, 13| wijze tegen de volgende dag de olifanten tot het verderf
215 5, 14| 14 Toen nu de koning dit gezegd had, prezen
216 5, 14| huis; en zij gebruikten de tijd van die nacht niet
217 5, 15| 15 Zodra nu de haan des morgens vroeg kraaide,
218 5, 15| plaats; en het volk uit de ganse stad vergaderde tot
219 5, 15| verwachtte met verlangen de morgenstond.~
220 5, 16| 16 Maar de Joden waren die ganse tijd
221 5, 16| weemoedige gezangen strekten zij de handen uit tot de hemel,
222 5, 16| strekten zij de handen uit tot de hemel, en baden de opperste
223 5, 16| uit tot de hemel, en baden de opperste God, dat hij hen
224 5, 17| 17 De stralen van de zon verspreidden
225 5, 17| 17 De stralen van de zon verspreidden zich nog
226 5, 17| nog niet, en Hermon, als de koning de vrienden ontving,
227 5, 17| en Hermon, als de koning de vrienden ontving, stond
228 5, 18| verricht had; doch dit was de krachtige werking Gods,
229 5, 19| 19 Hermon en al de vrienden toonden hem en
230 5, 19| hem en zeiden: O koning, de grote beesten en het heer,
231 5, 20| verstrooid waren, en op hem de ogen houdende, sprak hij
232 5, 21| die zullen zichzelf voor de wrede beesten tot een overvloedige
233 5, 21| hebben, en slaan inplaats van de onschuldige Joden, die hun
234 5, 21| indien ik het niet liet om de liefde van dat wij tezamen
235 5, 22| gelaat en aangezicht; en de een voor, de ander na van
236 5, 22| aangezicht; en de een voor, de ander na van de vrienden
237 5, 22| een voor, de ander na van de vrienden werden droevig
238 5, 23| 23 En de Joden, deze dingen van de
239 5, 23| de Joden, deze dingen van de koning verstaan hebbende,
240 5, 23| verstaan hebbende, prezen de heerlijke God, de Here en
241 5, 23| prezen de heerlijke God, de Here en Koning der koningen,
242 5, 24| 24 Als nu de koning naar deze zijn wijze
243 5, 24| nu eenmaal tegen morgen de olifanten tot het verderf
244 5, 25| 25 Maar de bloedvrienden, die daar
245 5, 25| uit te roeien, en weder op de daad zo herroept gij, uit
246 5, 26| 26 Waarom de stad door het verwijlen
247 5, 27| 27 Zo heeft de koning, die in alles een
248 5, 27| zijnde, en niets achtende de veranderingen van zijn gemoed,
249 5, 28| verwijl wilde straffen, met de knieën en voeten dezer wrede
250 5, 28| hun heiligdom, waar zij de offeranden offerden daar
251 5, 28| verbranden, en te allen tijd in de as laten liggen.~
252 5, 29| 29 Toen zijn de vrienden en magen zeer blijde
253 5, 29| bestelden het krijgsvolk op al de geschiktste plaatsen der
254 5, 30| 30 En de overste der olifanten heeft
255 5, 30| overste der olifanten heeft de beesten met zeer welriekende
256 5, 30| ze schrikkelijk, omtrent de morgenstond, versierende
257 5, 30| toebereidende; en toen nu de stad langs de rijplaatsen
258 5, 30| en toen nu de stad langs de rijplaatsen met talloze
259 5, 30| het hof gegaan, en heeft de koning tot de voorgenomen
260 5, 30| en heeft de koning tot de voorgenomen zaak aangepord.~
261 5, 31| vervallende, in allerijl met de beesten uitgelopen, als
262 5, 31| zijn ogen wilde aanschouwen de moeilijke en jammerlijke
263 5, 32| 32 Als nu de Joden het stof van de olifanten,
264 5, 32| nu de Joden het stof van de olifanten, die de poort
265 5, 32| stof van de olifanten, die de poort uitkwamen, en van
266 5, 33| omhelsden elkander, en vielen de bloedverwanten, de vaders,
267 5, 33| vielen de bloedverwanten, de vaders, namelijk hun zonen,
268 5, 33| namelijk hun zonen, en de moeders haar dochters, om
269 5, 33| moeders haar dochters, om de hals;~
270 5, 34| 34 En anderen hadden de jonggeboren kinderen aan
271 5, 34| jonggeboren kinderen aan de borsten, om de laatste melk
272 5, 34| kinderen aan de borsten, om de laatste melk te zuigen.~
273 5, 35| wederom, als zij gedachten de verlossingen, die hun uit
274 5, 35| verlossingen, die hun uit de hemel tevoren geschied waren,
275 5, 35| aangezichten gevallen, en deden de kinderen van de borsten,
276 5, 35| en deden de kinderen van de borsten, en riepen met zeer
277 5, 35| zeer luide stem, en baden de Here aller schepselen, dat
278 5, 35| wilde ontfermen, die nu in de poorten des doods gesteld
279 6, 1 | voortreffelijk man, een uit de priesters van het land,
280 6, 1 | leven versierd was, stelde de ouden rondom zich, om de
281 6, 1 | de ouden rondom zich, om de heilige God met hem aan
282 6, 2 | zaad van Abraham, en zie op de kinderen van de geheiligde
283 6, 2 | en zie op de kinderen van de geheiligde Jakob, het volk
284 6, 3 | grootsprekende tong) in de zee gestort met zijn hovaardige
285 6, 4 | 4 Gij hebt de machtige koning van Assyrië,
286 6, 4 | heerkrachten pochte en met de spies het ganse land onder
287 6, 5 | 5 Gij hebt de drie metgezellen, die in
288 6, 5 | overgaven, om niet te dienen de ijdele afgoden, verlost,
289 6, 5 | ijdele afgoden, verlost, en de zeer doorgloeide oven als
290 6, 5 | gekrenkt is, maar gij zondt de vlam tot al hun tegenpartijders.~
291 6, 6 | nijdige beschuldigingen in de kuil de leeuwen voorgeworpen
292 6, 6 | beschuldigingen in de kuil de leeuwen voorgeworpen was,
293 6, 6 | hebt, o Vader, Jona, die in de buik van een walvis, die
294 6, 6 | een walvis, die zich in de diepte ophoudt, gestadig
295 6, 8 | is, verlos ons toch van de hand dezer vijanden, en
296 6, 8 | zelf, Here, verderf ons met de dood, zoals het u believen
297 6, 9 | ijdelheid bedenken, niet zegenen de ijdele afgoden, als gij
298 6, 12| heerlijke God, laat toch de verwinnelijke macht met
299 6, 13| 13 U bidt de ganse menigte der, jonge
300 6, 15| het gebed ophield, kwam de koning met de beesten, en
301 6, 15| ophield, kwam de koning met de beesten, en het gruwelijk
302 6, 16| 16 En de Joden, dat aanschouwende,
303 6, 16| een groot geroep op naar de hemel, zodat de bijliggende
304 6, 16| op naar de hemel, zodat de bijliggende valleien mede
305 6, 17| 17 Toen heeft de zeer heerlijke, almachtige,
306 6, 17| heilig aanschijn vertoond, en de poorten van de hemel geopend;
307 6, 17| vertoond, en de poorten van de hemel geopend; uit welke
308 6, 17| allen gezien werden, nevens de Joden.~
309 6, 19| 19 En de beesten keerden zich om
310 6, 19| beesten keerden zich om naar de volgende gewapende heerlegers,
311 6, 20| barmhartigheid en tranen, vanwege de dingen, die hij tevoren
312 6, 22| 22 Gij misbruikt de koning, en hebt de tirannen
313 6, 22| misbruikt de koning, en hebt de tirannen in wreedheid overtroffen,
314 6, 23| 23 Wie heeft dezen, die de sterkten van ons land getrouw
315 6, 24| boven gaan, en dikwijls de ergste gevaren der mensen
316 6, 25| 25 Ontbindt, ontbindt de onrechtvaardige handen,
317 6, 25| tevoren gedaan is. Laat los de kinderen van die almachtige,
318 6, 26| 26 En dit sprak de koning; en zij werden van
319 6, 26| aan ontbonden, en loofden de heilige God, hun behouder,
320 6, 26| God, hun behouder, als zij de dood ontkomen waren.~
321 6, 27| 27 Daarna keerde de koning weder in de stad,
322 6, 27| keerde de koning weder in de stad, en riep tot zich de
323 6, 27| de stad, en riep tot zich de ontvanger van zijn inkomsten
324 6, 27| nu met alle vrolijkheid de feestdagen van hun behoud
325 6, 28| blijdschap, deelden zij de plaats af, die hun ten val
326 6, 29| klaaglied, en hieven weder aan de lofzangen hunner vaderen,
327 6, 29| lofzangen hunner vaderen, God de behouder en wonderwerker
328 6, 30| 30 Desgelijks hield ook de koning om dezer zaken wil
329 6, 30| maaltijd, en loofde God in de hemel zonder ophouden en
330 6, 32| 32 Maar de Joden gelijkerwijs wij tevoren
331 6, 32| tevoren gezegd hebben, hielden de voorzegde reien met vreugde,
332 6, 32| met vreugde, en brachten de tijd door met vrolijke dankzeggingen
333 6, 33| woningen van eeuw tot eeuw de voornoemde dagen, in vreugde
334 6, 33| drinkerij en brasserij, maar om de verlossing, die hun van
335 6, 34| 34 Daarna gingen zij tot de koning en verzochten verlof
336 6, 35| 35 De dienaars nu van de koning
337 6, 35| 35 De dienaars nu van de koning hadden hen beschreven
338 6, 35| hadden hen beschreven van de vijfentwintigste dag van
339 6, 35| vijfentwintigste dag van de maand Pachon tot de vierde
340 6, 35| van de maand Pachon tot de vierde van de maand Epif
341 6, 35| Pachon tot de vierde van de maand Epif toe, veertig
342 6, 35| besloten, hen om te brengen van de vijfde van de maand Epif
343 6, 35| brengen van de vijfde van de maand Epif tot de zevende
344 6, 35| vijfde van de maand Epif tot de zevende toe, drie dagen
345 6, 35| dagen lang; in welke ook de heerser aller schepselen
346 6, 36| 36 Zij hebben dan de maaltijd gehouden, en alles
347 6, 36| gehouden, en alles is hun door de koning toegereikt, tot de
348 6, 36| de koning toegereikt, tot de veertiende dag toe;~
349 6, 37| hebben over hun vertrek; en de koning hen prijzende, schreef
350 6, 37| grootmoedigheid voor hen de volgende brief, aan de stadhouders
351 6, 37| hen de volgende brief, aan de stadhouders in elke stad,
352 7, 1 | 1 De koning Ptolomeüs Filopator
353 7, 1 | Ptolomeüs Filopator wenst de stadhouders in Egypte, en
354 7, 2 | 2 Als de grote God voor ons de zaken
355 7, 2 | Als de grote God voor ons de zaken gelukkig bestierde
356 7, 2 | ons ook overreed, dat wij de Joden die in ons koninkrijk
357 7, 3 | stand zouden hebben, om de vijandschap, welke dezen
358 7, 4 | onstuimige wreedheid, als de Scyten plegen te gebruiken.~
359 7, 5 | dreigende, als wij naar de goedertierenheid, die wij
360 7, 5 | schenken, en erkenden, dat de hemelse God zeker de Joden
361 7, 5 | dat de hemelse God zeker de Joden beschermde, en te
362 7, 5 | streed; ook overleggende de vriendschap, waarmede zij
363 7, 7 | wij niet een mens, maar de hoogste God, de heerser
364 7, 7 | mens, maar de hoogste God, de heerser aller mogendheid,
365 7, 8 | 8 Als de Joden deze brief ontvangen
366 7, 8 | vertrekken, maar zij baden de koning, dat degenen, die
367 7, 8 | Joden willens en wetens de heilige God en de wet van
368 7, 8 | wetens de heilige God en de wet van God verlaten hadden,
369 7, 9 | dat, die om des buiks wil de Goddelijke geboden overtreden
370 7, 9 | welgezind zouden zijn tot de geboden des konings.~
371 7, 10| En hij begreep, dat zij de waarheid zeiden, en prees
372 7, 10| zodanigen dat zij degenen, die de wet Gods overtreden hadden,
373 7, 11| 11 Toen hebben zij de koning (gelijk het betaamde)
374 7, 11| gedankt; en hun priesters, en de gehele menigte riepen: Hallelujah,
375 7, 12| verontreinigd hadden, en die op de weg in hun handen vielen,
376 7, 13| die dag sloegen zij over de driehonderd mannen dood,
377 7, 13| vreugde, met blijdschap de onheiligen dodende.~
378 7, 14| 14 Maar zij, die tot de dood toe zich aan God hadden
379 7, 14| hadden gehouden, als zij nu de volkomen genieting hunner
380 7, 14| hadden vertrokken gelijk uit de stad met allerlei zeer welriekende
381 7, 14| lofliederen en zoete lofzangen de God hunner vaderen, de heilige
382 7, 14| lofzangen de God hunner vaderen, de heilige verlosser Israëls.~
383 7, 15| zij nu gekomen waren tot de stad Ptolomaïs, om de eigenschap
384 7, 15| tot de stad Ptolomaïs, om de eigenschap der plaats genaamd
385 7, 15| vreugdemaaltijd van hun behoud, want de korting beschikte goedwillig
386 7, 15| ieder alle nooddruft tot de reis, totdat zij thuis kwamen.~
387 7, 17| pilaar gewijd hebben, die in de plaats van de maaltijd oprichtende,
388 7, 17| hebben, die in de plaats van de maaltijd oprichtende, en
389 7, 17| land en ter zee, en over de rivieren, een ieder naar
390 7, 18| kregen allen het hunne uit de aantekening weder, zodat
391 7, 18| vrees wedergaven, overmits de opperste God grote daden
392 7, 19| 19 De Verlosser Israëls zij te
|