Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
dezen 8
dezer 5
dicht 1
die 156
dienaars 2
dienden 1
dienen 1
Frequency    [«  »]
-----
445 en
392 de
156 die
144 met
139 van
134 in

Het derde boek der Makkabeeën

IntraText - Concordances

die

    Chapter, Verse
1 1, 1 | Filopator verstond van degenen die wedergekeerd waren, dat 2 1, 1 | waren, dat de plaatsen, die hij bezet had, hem door 3 1, 3 | de wapenen van Ptolomeüs, die hem tevoren betrouwd waren, 4 1, 3 | hem zou ombrengen, en op die wijze een einde aan de krijg 5 1, 4 | geboorte een Jood, doch die daarna de wet verlaten had, 6 1, 9 | gedankt, en hetgeen voorts op die plaats placht te geschieden, 7 1, 11| geoorloofd was, noch aan die van hun volk waren, noch 8 1, 12| 12 Ja de wet, die hem voorgelezen werd, verachtende, 9 1, 12| vroeg, waarom niemand van die daar tegenwoordig waren 10 1, 14| hoogste God baden, om hen in die aanstaande nood te willen 11 1, 14| het geweld des konings, die boos indrong, te bedwingen; 12 1, 14| toen verschrikten degenen die hier en daar in de stad 13 1, 15| 15 Ook zijn de dochters, die in haar kamers besloten 14 1, 16| 16 En die ook onlangs uitgelaten waren, 15 1, 16| verlieten niet alleen degenen, die verordineerd waren om de 16 1, 18| menigerlei gesmeek van degenen, die daarin tezamen gekomen waren, 17 1, 19| zou, en zij maakten aan die plaats een grote verbittering.~ 18 1, 21| bidden, maar de oudsten, die om de koning stonden, beproefden 19 1, 23| 23 Waarom degenen, die om de koning stonden, als 20 1, 23| onzen hem aan te roepen, die alle kracht heeft, dat hij 21 1, 25| hadden dan de besmetting van die plaats.~ ~ 22 2, 2 | Almachtige zie ons aan, die verdrukt worden door een 23 2, 2 | onheilig en goddeloos mens, die zichzelf in stoutheid en 24 2, 3 | 3 Want gij, die alles geschapen, en aller 25 2, 3 | een rechtvaardig vorst, en die uit wrevel en hoogmoed iets 26 2, 4 | 4 Gij hebt degenen die in vorige tijden onrechtvaardigheid 27 2, 4 | welke ook de reuzen waren, die op hun sterkte en stoutheid 28 2, 6 | Gij hebt de trotse Faraö, die uw heilig volk Israël in 29 2, 7 | de diepte der zee, maar die op u, die aller schepselen 30 2, 7 | der zee, maar die op u, die aller schepselen Here zijt, 31 2, 8 | 8 Gij hebt, o Koning, die de oneindige en onmetelijke 32 2, 8 | geen ding behoeft; en hebt die verheerlijkt met een zeer 33 2, 8 | heerlijke verschijning, die beroemd makende ter ere 34 2, 12| koning deze heilige plaats, die op de aarde uw heerlijke 35 2, 15| lof in de mond dergenen die nedergevallen en gebroken 36 2, 16| 16 Hier heeft God, die alles ziet, en boven alles 37 2, 16| en heeft hem gegeseld, die zichzelf met smaad en trotsheid 38 2, 17| zij de snelle straf zagen, die hem had aangegrepen, met 39 2, 19| medehelpers en metgezellen, die tevoren aangewezen zijn, 40 2, 20| insnijden, dat niemand onder hen die niet offerde, in hun tempels 41 2, 20| mogen tegenspreken, dat men die met geweld zou aantasten, 42 2, 21| 21 Dat men ook, die opgeschreven werden, zou 43 2, 21| het wapen van Bacchus, die men ook zou afzonderen tot 44 2, 23| 23 Sommigen nu, die in de stad de trappen der 45 2, 23| worden, om de gemeenschap, die zij zouden hebben met de 46 2, 25| 25 En die van hen afweken waren hun 47 3, 1 | Alexandrië, maar ook de anderen, die in het gehele land waren, 48 3, 2 | zijnde de boze lieden, die tot het kwaaddoen eensgezind 49 3, 4 | wandel van ons geslacht, die onder allen geroemd was, 50 3, 4 | ruchtbaar, zeggende, dat die mensen noch met de koning, 51 3, 5 | 5 Maar de Grieken, die in de stad waren, wie gans 52 3, 6 | kwalijk, en meenden dat die dingen zouden veranderen, 53 3, 6 | veranderen, want zeiden zij, die God, die alles bekend is, 54 3, 6 | want zeiden zij, die God, die alles bekend is, zal een 55 3, 7 | sommige buren en vrienden, en die met hen handelden, heimelijk 56 3, 10| krijgstocht in Azië gedaan hadden, die gijlieden ook zelf weet, 57 3, 10| gijlieden ook zelf weet, die door der goden onverhinderlijke 58 3, 10| vriendelijkheid de volken, die in Celo-Syrië en Fenicië 59 3, 11| opgegaan om de tempel van die booswichten, die nooit ophouden 60 3, 11| tempel van die booswichten, die nooit ophouden van hun onzinnigheid, 61 3, 12| hun tempel in te gaan, en die met zeer betamelijke en 62 3, 13| behoorlijk is verdragen, als die alleen onder de volken hun 63 3, 16| als met stilzwijgen, van die weinigen onder hen, die 64 3, 16| die weinigen onder hen, die ons oprecht welgezind zijn, 65 3, 18| op diezelfde ure, allen die daarin getekend zijn met 66 3, 18| onafbiddelijke en schandelijke dood, die zulke vijanden waardig zijn.~ 67 3, 20| ja tot de zuigende toe, die zal met zijn ganse huisgezin 68 3, 21| zulks zal willen aanbrengen, die zal daarvoor ontvangen het 69 3, 21| ontvangen het goed desgenen, die in deze straf valt, en nog 70 3, 22| een Jood verborgen wordt, die worde verwoest en verbrand, 71 4, 4 | sommigen van de vijanden, die om de ongewone straffen 72 4, 5 | zij misbruikten de benen, die van oudheid traag en krom 73 4, 5 | en krom waren en dreven die met een geweldig voortstuwen, 74 4, 6 | Daarna de jonge vrouwen, die zich onlangs tot de huwelijke 75 4, 6 | jammerlijk geschrei, als die door de vreemde volken gedrukt 76 4, 7 | jeugdige vrolijkheid, als die reeds de dood voor hun ogen 77 4, 9 | wel gelegen voor degenen, die daar voorbij naar de stad 78 4, 9 | voor degenen onder hen, die buiten naar het land reisden 79 4, 13| prees hij de stomme afgoden, die hem niet konden toespreken 80 4, 13| hoogste God sprak hij dingen die niet betamen.~ 81 4, 15| papier en schrijfpennen, die zij zouden gebruiken hun 82 4, 16| onoverwinnelijke voorzienigheid Gods, die uit de hemel de Joden hulp 83 5, 1 | volgende dag al de olifanten, die vijfhonderd in getal waren, 84 5, 1 | het overvloedig geven van die drank verwoed zouden zijn, 85 5, 2 | vrienden en krijgsoversten, die tegen de Joden vijandig 86 5, 4 | 4 Doch de Joden, die voor de heidenen van alle 87 5, 4 | afkeren, en hen uit de dood, die voor hun voeten bereid was, 88 5, 6 | hem bestierd wordt, als die het aan allen schenkt wie 89 5, 8 | 8 Als nu de Joden die tevoren betekende ure ontkomen 90 5, 8 | en zij baden hem weder, die zich lichtelijk laat verzoenen, 91 5, 9 | tien was, en als degene die gesteld was om gasten te 92 5, 9 | maaltijd, en deed degenen, die ter maaltijd gekomen waren, 93 5, 11| dreigement, waarom men de Joden die dag nog in het leven had 94 5, 12| ook getuigden, sprak hij, die meerder wreedheid had dan 95 5, 14| gezegd had, prezen allen die daar tegenwoordig waren 96 5, 14| zij gebruikten de tijd van die nacht niet zozeer om te 97 5, 15| kraaide, wapende Hermon die grote beesten, en bewoog 98 5, 15| beesten, en bewoog ze in die grote plaats; en het volk 99 5, 16| 16 Maar de Joden waren die ganse tijd in hun gemoed 100 5, 18| werd, zo vroeg hij (als die in alles door God met onwetendheid 101 5, 18| krachtige werking Gods, die over alles heerst, die in 102 5, 18| die over alles heerst, die in het verstand een vergetelheid 103 5, 21| er bij mij komen zullen, die zullen zichzelf voor de 104 5, 21| van de onschuldige Joden, die hun gestadige en standvastige 105 5, 22| schaamrood, en lieten degenen, die daar vergaderd waren, heengaan, 106 5, 23| Koning der koningen, als die ook deze hulp van God verkregen 107 5, 25| 25 Maar de bloedvrienden, die daar mede aanzaten, over 108 5, 27| 27 Zo heeft de koning, die in alles een tweede Falaris 109 5, 27| veranderingen van zijn gemoed, die in hem door God, tot verschoning 110 5, 31| beesten uitgelopen, als die zelf met een wreed gemoed, 111 5, 32| het stof van de olifanten, die de poort uitkwamen, en van 112 5, 35| gedachten de verlossingen, die hun uit de hemel tevoren 113 5, 35| verschijning wilde ontfermen, die nu in de poorten des doods 114 6, 1 | priesters van het land, die nu in ouderdom tot zijn 115 6, 2 | opperste en almachtige God, die alle geschapen dingen in 116 6, 3 | 3 Gij hebt Farao, die vele wagens had, en in vorige 117 6, 4 | koning van Assyrië, Sanherib, die op zijn talloze heerkrachten 118 6, 5 | hebt de drie metgezellen, die in Babylonië waren, en hun 119 6, 6 | 6 Gij hebt Daniël, die door nijdige beschuldigingen 120 6, 6 | gij hebt, o Vader, Jona, die in de buik van een walvis, 121 6, 6 | de buik van een walvis, die zich in de diepte ophoudt, 122 6, 7 | verschijn haastig degenen, die van het geslacht Israëls 123 6, 9 | 9 Laat hen, die maar ijdelheid bedenken, 124 6, 10| Maar gij eeuwige Here, gij die macht hebt, zie ons nu aan.~ 125 6, 11| 11 Ontferm u onzer, wij die door het goddelozen, alsof 126 6, 12| verschrikken zich verwonderen, gij die macht hebt over het behouden 127 6, 17| schrikkelijk in gedaante, afkwamen, die van allen gezien werden, 128 6, 20| tranen, vanwege de dingen, die hij tevoren tegen hen bedacht 129 6, 22| neemt voor ook mijzelf, die uw genadige heer ben, mijn 130 6, 23| 23 Wie heeft dezen, die de sterkten van ons land 131 6, 24| 24 Wie heeft dezen, die van den beginne aan in goedwilligheid 132 6, 25| Laat los de kinderen van die almachtige, hemelse en levende 133 6, 25| hemelse en levende God, die van onze voorouders af tot 134 6, 27| goedvindende dat zij in die plaats, in welke zij meenden 135 6, 28| 28 Toen hielden zij (die tevoren versmaadheid leden, 136 6, 28| deelden zij de plaats af, die hun ten val en ten grave 137 6, 30| ophouden en zeer heerlijk, over die onverwachte verlossing, 138 6, 30| onverwachte verlossing, die hem geschied was.~ 139 6, 31| 31 En degenen, die tevoren hen ten verderve, 140 6, 31| blijdschap opgeschreven hadden, die zuchtten nu, en waren met 141 6, 33| maar om de verlossing, die hun van God geschied was.~ 142 7, 1 | stadhouders in Egypte, en allen die over des lands zaken gesteld 143 7, 2 | overreed, dat wij de Joden die in ons koninkrijk zijn, 144 7, 5 | naar de goedertierenheid, die wij hebben jegens alle mensen, 145 7, 5 | beschuldiging, hoedanig die ook zij.~ 146 7, 8 | de koning, dat degenen, die uit het geslacht der Joden 147 7, 9 | En zij wendden voor, dat, die om des buiks wil de Goddelijke 148 7, 10| zodanigen dat zij degenen, die de wet Gods overtreden hadden, 149 7, 12| straften zij hun medeburgers, die zich verontreinigd hadden, 150 7, 12| verontreinigd hadden, en die op de weg in hun handen 151 7, 13| 13 En op die dag sloegen zij over de 152 7, 14| 14 Maar zij, die tot de dood toe zich aan 153 7, 16| wijze daar met vrolijkheid die dagen wilden vieren, zolang 154 7, 17| gedachtenis pilaar gewijd hebben, die in de plaats van de maaltijd 155 7, 17| vrij en zeer vrolijk, als die door des konings gebod behouden 156 7, 18| aantekening weder, zodat die iets van het hunne hadden,


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License