Chapter, Verse
1 1, 2 | nam zijn zuster Arsinoë met zich, en spoedde zich naar
2 1, 5 | toe, en bad het krijgsvolk met gekerm en geween, met loshangend
3 1, 5 | krijgsvolk met gekerm en geween, met loshangend haar, dat zij
4 1, 7 | dit gedaan, en de tempelen met gaven beschonken had, zo
5 1, 14| 14 Maar als de priesters met hun geheel gewaad nedervielen
6 1, 14| bedwingen; als zij ook de tempel met geroep en geween vervulden,
7 1, 15| haar kamers besloten waren, met haar moeders uitgelopen,
8 1, 15| en bestrooiden het haar met stof, en lieten het hangen,
9 1, 15| en vervulden de straten met klagen en zuchten.~
10 1, 21| intussen, gelijk tevoren, bezig met bidden, maar de oudsten,
11 1, 23| hebben zij zich omgekeerd, om met de onzen hem aan te roepen,
12 2, 5 | boosheden zeer bekend waren, met vuur en zwavel verbrand,
13 2, 6 | dienstbaarheid gebracht had, met verscheidene en vele straffen
14 2, 7 | toen hij Israël najaagde met wagens en menigte der volken,
15 2, 8 | en hebt die verheerlijkt met een zeer heerlijke verschijning,
16 2, 14| het huis van het heiligdom met voeten getreden, gelijk
17 2, 16| hem gegeseld, die zichzelf met smaad en trotsheid grotelijks
18 2, 17| die hem had aangegrepen, met zeer grote vrees verslagen,
19 2, 18| berouw, maar hij trok weg met scherpe dreigementen.~
20 2, 19| boosheid vermeerderde, en met hulp van zijn medehelpers
21 2, 19| hij niet alleen zichzelf met ontelbare ontuchtigheden
22 2, 20| tegenspreken, dat men die met geweld zou aantasten, en
23 2, 21| werden, zou tekenen, en dat met vuur aan hun lichaam, namelijk
24 2, 21| aan hun lichaam, namelijk met een klimopblad, het wapen
25 2, 22| hen verkozen om te gaan met de priesters, dezen gelijk
26 2, 22| burgerrecht zouden hebben met de burgers van Alexandrië.~
27 2, 23| gemeenschap, die zij zouden hebben met de koning.~
28 3, 1 | Joden vergaderen, en hen met de snoodste dood van het
29 3, 3 | zij hun handel en wandel met de goede werken der gerechtigheid
30 3, 4 | zeggende, dat die mensen noch met de koning, noch met zijn
31 3, 4 | noch met de koning, noch met zijn machten verzoenbaar
32 3, 4 | bezwaarden zij hen rondom met geen gewone verachting.~
33 3, 7 | buren en vrienden, en die met hen handelden, heimelijk
34 3, 10| hebben wij gedacht, niet met geweld van wapen maar met
35 3, 10| met geweld van wapen maar met zachtheid en veel vriendelijkheid
36 3, 12| 12 Doch zij hebben wel met woorden onze tegenwoordigheid
37 3, 12| ontvangen, maar inderdaad met valse harten; want toen
38 3, 12| tempel in te gaan, en die met zeer betamelijke en zeer
39 3, 13| weerstaan, waardoor wij met alle mensen vriendschap
40 3, 14| uitzinnigheid ontweken, en zijn met overwinning gekomen, en
41 3, 14| hebben in Egypte alle volken met vriendelijkheid bejegend,
42 3, 15| priesterdom, en verwaardigden met het burgerschap der burgers
43 3, 16| hebben ook een afkeer, zowel met woorden, als met stilzwijgen,
44 3, 16| zowel met woorden, als met stilzwijgen, van die weinigen
45 3, 18| die daarin getekend zijn met vrouwen en kinderen in ijzeren
46 3, 18| ijzeren banden zal sluiten, en met smaadheid en plagen ons
47 3, 20| de zuigende toe, die zal met zijn ganse huisgezin met
48 3, 20| met zijn ganse huisgezin met de schandelijkste folteringen
49 3, 21| drachmen zilver, ja hij zal ook met vrijheid gekroond worden.~
50 4, 1 | gemeenschappelijke maaltijd met juichen en blijdschap, overmits
51 4, 1 | overmits de vijandschap nu met stoutheid zich blijkbaar
52 4, 2 | gekrijt was jammerlijk, met tranen en zuchten, hun hart
53 4, 3 | werden niet om hunnentwil met geklag en gekerm vervuld?~
54 4, 4 | 4 Want zo werden zij met een bitter en onbarmhartig
55 4, 5 | menigte van oude mannen met grauwe haren bedekt, en
56 4, 5 | krom waren en dreven die met een geweldig voortstuwen,
57 4, 6 | droefheid, en het haar met welriekende zalf te voren
58 4, 6 | zalf te voren gezalfd, was met as bestrooid, en zij werden
59 4, 6 | tot binnen in het schip met geweld getrokken.~
60 4, 7 | bloeiende jeugd om de halzen met stroppen gebonden, inplaats
61 4, 8 | getrokken en gedwongen met ijzeren banden; sommigen
62 4, 8 | banden; sommigen werden met de halzen aan de boorden
63 4, 8 | gespijkerd, en sommigen met vaste boeien aan de benen
64 4, 9 | te zien; opdat zij noch met zijn krijgsvolk gemeenschap
65 4, 10| ganse geslacht der Joden met hun namen zou beschrijven.~
66 4, 11| hen niet wilde belasten met de dienst een weinig tevoren
67 4, 11| bekend gemaakt, maar pijnigen met de gedreigde straffen, en
68 4, 12| geschiedde dan hun beschrijving met veel naarstigheid, en gestadig
69 4, 13| grotelijks en gestadig vervuld met blijdschap, en hield maaltijden
70 4, 13| waarheid afgedwaald, en met zijn onheilige mond prees
71 4, 15| harder dreigde, alsof zij met giften omgekocht waren om
72 5, 4 | te zijn, omdat zij alom met banden en benauwdheid omvangen
73 5, 4 | barmhartige God en Vader, met tranen, zonder ophouden
74 5, 4 | tranen, zonder ophouden met hun stemmen aangeroepen,
75 5, 4 | voor hun voeten bereid was, met een heerlijke verschijning
76 5, 5 | drinken had gegeven, en met het geven van veel wijn
77 5, 5 | van veel wijn vervuld, en met wierook verzadigd had, kwam
78 5, 7 | werking des Heren werd hij met een zeer zoete en diepe
79 5, 9 | voorbijging, terwijl hij met hem woorden hierover wisselde;
80 5, 11| tot zich; en hij vroeg hem met een bitter dreigement, waarom
81 5, 14| hem tegelijk, gaarne en met blijdschap, en keerden een
82 5, 15| schouwspel, en verwachtte met verlangen de morgenstond.~
83 5, 16| in hun gemoed bekommerd; met vele tranen, met gebeden,
84 5, 16| bekommerd; met vele tranen, met gebeden, en met weemoedige
85 5, 16| tranen, met gebeden, en met weemoedige gezangen strekten
86 5, 18| als die in alles door God met onwetendheid bevangen was)
87 5, 18| zaak was, waarom hij dit met zulk een haast verricht
88 5, 20| dezer woorden wil vervuld met grote grimmigheid, overmits
89 5, 20| ogen houdende, sprak hij met veel dreigen.~
90 5, 24| Hermon tot zich, en sprak met dreigen: O gij ellendige,
91 5, 28| 28 Met een zeer onreine eed vast
92 5, 28| verwijl wilde straffen, met de knieën en voeten dezer
93 5, 28| zeide hij in der haast met vuur verbranden, en te allen
94 5, 29| magen zeer blijde geworden, met vertrouwen vertrokken en
95 5, 30| olifanten heeft de beesten met zeer welriekende dranken,
96 5, 30| welriekende dranken, en wijn met wierook gemengd, bijna om
97 5, 30| stad langs de rijplaatsen met talloze menigten van mensen
98 5, 31| hij, zijn goddeloos hart met grote grimmigheid vervallende,
99 5, 31| vervallende, in allerijl met de beesten uitgelopen, als
100 5, 31| uitgelopen, als die zelf met een wreed gemoed, en met
101 5, 31| met een wreed gemoed, en met zijn ogen wilde aanschouwen
102 5, 35| van de borsten, en riepen met zeer luide stem, en baden
103 5, 35| schepselen, dat hij zich over hen met een heerlijke verschijning
104 6, 1 | tot zijn jaren gekomen, en met alle deugd in dit leven
105 6, 1 | zich, om de heilige God met hem aan te roepen, en bad
106 6, 3 | Egypte (als hij zich verhief met een onbarmhartige stoutheid,
107 6, 3 | onbarmhartige stoutheid, en met een grootsprekende tong)
108 6, 3 | tong) in de zee gestort met zijn hovaardige heerkracht
109 6, 4 | talloze heerkrachten pochte en met de spies het ganse land
110 6, 5 | zeer doorgloeide oven als met een dauw begoten, dat niet
111 6, 8 | 8 En indien ons leven met ongodsdienstigheid in onze
112 6, 8 | zelf, Here, verderf ons met de dood, zoals het u believen
113 6, 12| toch de verwinnelijke macht met verschrikken zich verwonderen,
114 6, 13| kinderen, en hun ouders, en dat met tranen; laat het alle volken
115 6, 13| volken blijken, dat gij met ons zijt, Here, en dat gij
116 6, 15| ophield, kwam de koning met de beesten, en het gruwelijk
117 6, 18| het heerleger der vijanden met ontroering en verschrikking,
118 6, 18| verschrikking, en verstrikten hen met onbewegelijke boeien, en
119 6, 21| zo weende hij en dreigde met gramschap zijn vrienden,
120 6, 24| mensen uitgestaan hebben, met zulke ongeoorloofde straffen
121 6, 25| handen, zendt hen terug met vrede naar hun plaatsen,
122 6, 27| het verderf te gevoelen nu met alle vrolijkheid de feestdagen
123 6, 28| des behouds, en vervuld met blijdschap, deelden zij
124 6, 31| aas der vogelen gesteld en met blijdschap opgeschreven
125 6, 31| die zuchtten nu, en waren met schaamte in zichzelf vervuld,
126 6, 31| hun snorkende stoutheid met oneer uitgeblust was.~
127 6, 32| hielden de voorzegde reien met vreugde, en brachten de
128 6, 32| en brachten de tijd door met vrolijke dankzeggingen en
129 6, 37| 37 Op welke zij ook met hem gesproken hebben over
130 6, 37| koning hen prijzende, schreef met grootmoedigheid voor hen
131 7, 2 | doen bijeenkomen en hen met vreemde straffen, gelijk
132 7, 4 | Dewelke hen ook gebonden, en met veel overlast herwaarts
133 7, 4 | te doden zijnde verstrikt met onstuimige wreedheid, als
134 7, 5 | bewijzen, zo hebben wij hen met recht vrijgesproken en spreken
135 7, 11| Hallelujah, en zij vertrokken met blijdschap.~
136 7, 13| dood, en maakten vreugde, met blijdschap de onheiligen
137 7, 14| vertrokken gelijk uit de stad met allerlei zeer welriekende
138 7, 14| welriekende bloemen bekroond, met blijdschap en gejuich; en
139 7, 14| gejuich; en zij dankten met lofliederen en zoete lofzangen
140 7, 16| En toen zij te Ptolomaïs met vrede gekomen waren, in
141 7, 16| zij op gelijke wijze daar met vrolijkheid die dagen wilden
142 7, 17| maaltijd oprichtende, en met het gebed zegenende. En
143 7, 17| hun vijanden, dan tevoren, met heerlijkheid en vrees.~
144 7, 18| hunne hadden, het aan hen met zeer grote vrees wedergaven,
|