Chapter, Verse
1 1, 1 | koning Filopator verstond van degenen die wedergekeerd
2 1, 3 | de beste uit de wapenen van Ptolomeüs, die hem tevoren
3 1, 3 | zich des nachts tot de tent van Ptolomeüs, opdat hij alleen
4 1, 4 | Dositheüs, genoemd de zoon van Drimylus, van geboorte een
5 1, 4 | genoemd de zoon van Drimylus, van geboorte een Jood, doch
6 1, 4 | en vervreemd was geworden van de vaderlijke inzettingen,
7 1, 5 | voorspoedig waren aan de zijde van Antiochus, zo ging Arsinoë
8 1, 10| ook over de schone orde van de tempel verwonderde, zo
9 1, 10| zo nam hij voor en was van zins in het binnenste van
10 1, 10| van zins in het binnenste van de tempel in te gaan.~
11 1, 11| geoorloofd was, noch aan die van hun volk waren, noch ook
12 1, 11| hogepriester, de opperste van alle priesters, en dat maar
13 1, 12| moest ingaan; en hoewel zij van de eer beroofd zijn, zo
14 1, 12| hij vroeg, waarom niemand van die daar tegenwoordig waren
15 1, 18| daar was menigerlei gesmeek van degenen, die daarin tezamen
16 1, 19| 19 Daarbenevens sommigen van de burgers verstoutten zich
17 1, 21| alleszins zijn hovaardig gemoed van de voorgenomen opzet af
18 1, 25| hadden dan de besmetting van die plaats.~ ~
19 2, 4 | brengende een onmetelijk water van de zondvloed.~
20 2, 8 | beroemd makende ter ere van uw grote en dierbare naam.~
21 2, 9 | beloofd, indien wij ons van u afkeerden, en ons enige
22 2, 14| niet door de onreinheid van deze mensen, en straf ons
23 2, 14| zeggende: Wij hebben het huis van het heiligdom met voeten
24 2, 15| nedergevallen en gebroken zijn van harte, ons namelijk vrede
25 2, 16| slingerende gelijk het riet van de wind, zodat hij nu op
26 2, 19| vermeerderde, en met hulp van zijn medehelpers en metgezellen,
27 2, 19| tevoren aangewezen zijn, en van alle gerechtigheid afgezonderd
28 2, 19| volk zaaide, en dat velen van de vrienden, lettende op
29 2, 20| geweld zou aantasten, en van het leven beroven.~
30 2, 21| een klimopblad, het wapen van Bacchus, die men ook zou
31 2, 22| zouden hebben met de burgers van Alexandrië.~
32 2, 24| standvastig, en weken niet af van de godzaligheid; en voor
33 2, 24| biedende, poogden zij zichzelf van het opschrijven te bevrijden,
34 2, 25| 25 En die van hen afweken waren hun een
35 2, 25| hielden hen als vijanden van hun volk, en beroofden hen
36 2, 25| en beroofden hen beiden van hun gemeenzame omgang en
37 3, 1 | hen met de snoodste dood van het leven beroven.~
38 3, 3 | enige Joden afgezonderd, en van hun gemeenschap afgekeerd;
39 3, 4 | verhaalden niet de goede wandel van ons geslacht, die onder
40 3, 4 | waren, en grote vijanden van het welvaren van het koninkrijk;
41 3, 4 | vijanden van het welvaren van het koninkrijk; zo bezwaarden
42 3, 8 | gaf geen acht op de kracht van de grote God, maar meende
43 3, 10| gedacht, niet met geweld van wapen maar met zachtheid
44 3, 11| en opgegaan om de tempel van die booswichten, die nooit
45 3, 11| booswichten, die nooit ophouden van hun onzinnigheid, te vereren;~
46 3, 12| hadden in het binnenste van hun tempel in te gaan, en
47 3, 15| bondgenootschap, als ook omdat hun van overoude tijden talloos
48 3, 15| aannemen, in de gemeenschap van het altijddurende priesterdom,
49 3, 15| burgerschap der burgers van Alexandrië.~
50 3, 16| dit onwaardeerbaar recht van burgerschap verstoten, maar
51 3, 16| woorden, als met stilzwijgen, van die weinigen onder hen,
52 3, 17| wij deze goddeloze mensen van achteren tot verraders zouden
53 3, 20| 20 En zo wie iemand van de Joden beschermen zal,
54 3, 20| de Joden beschermen zal, van de oudste tot de jongste,
55 3, 22| was de inhoud en schrift van deze brief.~ ~
56 4, 4 | weggezonden, dat ook sommigen van de vijanden, die om de ongewone
57 4, 4 | de onzekere verandering van dit leven, hun zeer ellendige
58 4, 5 | ging vooraan een menigte van oude mannen met grauwe haren
59 4, 5 | misbruikten de benen, die van oudheid traag en krom waren
60 4, 6 | hadden, ontvingen, in plaats van vermaak, droefheid, en het
61 4, 6 | begonnen gezamenlijk in plaats van bruiloftsliederen, een jammerlijk
62 4, 7 | stroppen gebonden, inplaats van kronen; en brachten de overgebleven
63 4, 7 | jammerlijk geschrei, inplaats van vreugde en jeugdige vrolijkheid,
64 4, 8 | scheepvaart het geleide van deze moordenaars zouden
65 4, 12| naarstigheid, en gestadig zitten van de opgang der zon tot derzelver
66 4, 13| afgoden; zijn hart was verre van de waarheid afgedwaald,
67 4, 16| dit was een krachtig werk van de onoverwinnelijke voorzienigheid
68 5, 1 | Toen heeft de koning, vol van grote toom, en door grimmigheid
69 5, 1 | door het overvloedig geven van die drank verwoed zouden
70 5, 4 | Joden, die voor de heidenen van alle hulp schenen ontbloot
71 5, 5 | gegeven, en met het geven van veel wijn vervuld, en met
72 5, 6 | slaap (de goede beschikking van het begin der wereld aan,
73 5, 8 | verzoenen, dat hij de sterkte van zijn machtige hand aan de
74 5, 9 | hem, dat de bestemde tijd van de maaltijd voorbijging,
75 5, 14| en zij gebruikten de tijd van die nacht niet zozeer om
76 5, 17| 17 De stralen van de zon verspreidden zich
77 5, 18| vergetelheid gelegd had van hetgeen tevoren bij hem
78 5, 21| hebben, en slaan inplaats van de onschuldige Joden, die
79 5, 21| het niet liet om de liefde van dat wij tezamen opgevoed
80 5, 21| gij Hermon in hun plaats van uw leven nul behoort beroofd
81 5, 22| de een voor, de ander na van de vrienden werden droevig
82 5, 22| vrienden werden droevig van gelaat, en schaamrood, en
83 5, 23| En de Joden, deze dingen van de koning verstaan hebbende,
84 5, 23| koningen, als die ook deze hulp van God verkregen hadden.~
85 5, 24| koning naar deze zijn wijze van doen weder een maaltijd
86 5, 26| verwijlen in oproer is, en vol van samenscholing, zodat zij
87 5, 26| dikwijls in gevaar is geweest van geplunderd te worden.~
88 5, 27| achtende de veranderingen van zijn gemoed, die in hem
89 5, 30| rijplaatsen met talloze menigten van mensen vervuld was, is hij
90 5, 32| Als nu de Joden het stof van de olifanten, die de poort
91 5, 32| die de poort uitkwamen, en van het gewapende heerleger,
92 5, 32| heerleger, dat volgde, en van het gaan des volks zagen,
93 5, 32| hen het laatste ogenblik van hun leven was, en het einde
94 5, 35| gevallen, en deden de kinderen van de borsten, en riepen met
95 6, 1 | man, een uit de priesters van het land, die nu in ouderdom
96 6, 2 | regeert, aanzie het zaad van Abraham, en zie op de kinderen
97 6, 2 | Abraham, en zie op de kinderen van de geheiligde Jakob, het
98 6, 2 | geheiligde Jakob, het volk van uw geheiligd erfdeel, dat
99 6, 3 | in vorige tijden heer was van dit Egypte (als hij zich
100 6, 3 | geslacht Israëls een licht van uw barmhartigheid betoond.~
101 6, 4 | hebt de machtige koning van Assyrië, Sanherib, die op
102 6, 6 | Vader, Jona, die in de buik van een walvis, die zich in
103 6, 7 | Nu dan, o God, gij vijand van overlast, gij barmhartige,
104 6, 7 | verschijn haastig degenen, die van het geslacht Israëls zijn,
105 6, 8 | bevangen is, verlos ons toch van de hand dezer vijanden,
106 6, 12| macht hebt over het behouden van het geslacht van Jakob.~
107 6, 12| behouden van het geslacht van Jakob.~
108 6, 13| en dat gij uw aangezicht van ons niet hebt afgewend;~
109 6, 15| 15 Toen nu Eleazar van het gebed ophield, kwam
110 6, 17| vertoond, en de poorten van de hemel geopend; uit welke
111 6, 17| gedaante, afkwamen, die van allen gezien werden, nevens
112 6, 21| onredelijk ongelijk der van ons leven beroofd heidenen
113 6, 23| heeft dezen, die de sterkten van ons land getrouw bewaarden,
114 6, 23| zo onredelijk een ieder van zijn huis afgevoerd en herwaarts
115 6, 24| 24 Wie heeft dezen, die van den beginne aan in goedwilligheid
116 6, 25| is. Laat los de kinderen van die almachtige, hemelse
117 6, 25| hemelse en levende God, die van onze voorouders af tot nu
118 6, 26| de koning; en zij werden van stonden aan ontbonden, en
119 6, 27| riep tot zich de ontvanger van zijn inkomsten en gelastte
120 6, 27| vrolijkheid de feestdagen van hun behoud zouden houden.~
121 6, 28| gegaan waren), in plaats van een bittere en zeer beklagelijke
122 6, 29| 29 En zij hielden op van het droevig klaaglied, en
123 6, 29| prijzende; en zij weerden van zich al het treuren en zuchten,
124 6, 33| dat men in al hun woningen van eeuw tot eeuw de voornoemde
125 6, 33| om de verlossing, die hun van God geschied was.~
126 6, 35| 35 De dienaars nu van de koning hadden hen beschreven
127 6, 35| koning hadden hen beschreven van de vijfentwintigste dag
128 6, 35| de vijfentwintigste dag van de maand Pachon tot de vierde
129 6, 35| maand Pachon tot de vierde van de maand Epif toe, veertig
130 6, 35| besloten, hen om te brengen van de vijfde van de maand Epif
131 6, 35| te brengen van de vijfde van de maand Epif tot de zevende
132 7, 5 | vrijgesproken en spreken hen vrij van alle beschuldiging, hoedanig
133 7, 7 | zullen hebben, tot wraak van zulk een doen. Vaartwel.~
134 7, 8 | de heilige God en de wet van God verlaten hadden, door
135 7, 10| hadden, in alle plaatsen van zijn koninkrijk vrij zonder
136 7, 15| daar een vreugdemaaltijd van hun behoud, want de korting
137 7, 17| hebben, die in de plaats van de maaltijd oprichtende,
138 7, 18| werden door niemand enigszins van hun goederen verstoten,
139 7, 18| aantekening weder, zodat die iets van het hunne hadden, het aan
|