Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
ijzeren 2
ik 3
immers 1
in 134
inderdaad 1
indien 4
indrong 1
Frequency    [«  »]
156 die
144 met
139 van
134 in
131 het
116 zij
99 een

Het derde boek der Makkabeeën

IntraText - Concordances

in

    Chapter, Verse
1 1, 4 | en een onbeduidend mens in de tent in zijn plaats gesteld, 2 1, 4 | onbeduidend mens in de tent in zijn plaats gesteld, en 3 1, 6 | geschied, dat de vijanden in het gevecht hand aan hand 4 1, 10| hij voor en was van zins in het binnenste van de tempel 5 1, 10| binnenste van de tempel in te gaan.~ 6 1, 11| ook al de priesters daar in te gaan, dan alleen de hogepriester, 7 1, 11| priesters, en dat maar eenmaal in het jaar, zo liet hij zich 8 1, 12| geenszins op zichzelf daar in te dringen, zeggende, dat 9 1, 12| waren hem verhinderd had, in de gehele tempel in te gaan.~ 10 1, 12| had, in de gehele tempel in te gaan.~ 11 1, 14| hoogste God baden, om hen in die aanstaande nood te willen 12 1, 14| degenen die hier en daar in de stad overgebleven waren 13 1, 15| Ook zijn de dochters, die in haar kamers besloten waren, 14 1, 16| een onordentelijk geloop in de stad.~ 15 1, 17| kindertjes hier en daar, sommigen in de huizen, sommigen op de 16 1, 17| zonder ophouden te hoop in het hoogste des tempels.~ 17 1, 22| zich verstoutende, en alles in de wind slaande, trad toe, 18 1, 23| alle kracht heeft, dat hij in de tegenwoordige nood te 19 2, 2 | schepselen, gij Heilige in het heiligdom, gij enige 20 2, 2 | goddeloos mens, die zichzelf in stoutheid en sterkte verhovaardigt.~ 21 2, 4 | 4 Gij hebt degenen die in vorige tijden onrechtvaardigheid 22 2, 6 | die uw heilig volk Israël in dienstbaarheid gebracht 23 2, 7 | der volken, deed zinken in de diepte der zee, maar 24 2, 9 | mogen aangrijpen, en wij in deze plaats kwamen, en aanbaden, 25 2, 10| waren, hen geholpen hebt in hun vernedering, en hen 26 2, 11| vijanden onderworpen, en worden in onze machteloosheid door 27 2, 12| 12 En in deze onze val poogt deze 28 2, 14| opdat de ongerechtigen in hun gemoed niet roemen, 29 2, 14| gemoed niet roemen, noch in hunner tongen hoogmoed vrolijk 30 2, 15| ons overkomen, en geef lof in de mond dergenen die nedergevallen 31 2, 16| en boven alles heilig is, in het heiligdom dit rechtvaardig 32 2, 19| 19 Toen hij nu in Egypte kwam, en zijn boosheid 33 2, 19| voortgegaan, dat hij lasteringen in alle plaatsen tegen het 34 2, 20| volk smaadheid aan te doen; in een toren bij het hof liet 35 2, 20| onder hen die niet offerde, in hun tempels zou ingaan, 36 2, 23| 23 Sommigen nu, die in de stad de trappen der godzalige 37 2, 24| leven onbeschroomd geld in de plaats biedende, poogden 38 3, 1 | maar ook de anderen, die in het gehele land waren, meer 39 3, 1 | dat men zou haasten, en in één plaats alle Joden vergaderen, 40 3, 2 | de Joden hen verhinderden in het onderhouden hunner wetten.~ 41 3, 3 | omdat zij God dienden, en in zijn wet wandelden, zo hebben 42 3, 5 | 5 Maar de Grieken, die in de stad waren, wie gans 43 3, 9 | stadhouders en krijgslieden in Egypte, en de andere plaatsen 44 3, 10| Nadat wij onze krijgstocht in Azië gedaan hadden, die 45 3, 10| vriendelijkheid de volken, die in Celo-Syrië en Fenicië wonen, 46 3, 11| En als wij aan de tempels in de steden vele renten uitgedeeld 47 3, 12| toen wij voorgenomen hadden in het binnenste van hun tempel 48 3, 12| binnenste van hun tempel in te gaan, en die met zeer 49 3, 14| overwinning gekomen, en hebben in Egypte alle volken met vriendelijkheid 50 3, 15| toevertrouwd waren, hun staat in beter te veranderen, en 51 3, 15| en hen wilden aannemen, in de gemeenschap van het altijddurende 52 3, 18| met vrouwen en kinderen in ijzeren banden zal sluiten, 53 3, 19| zijn, zo achten wij, dat in toekomende tijden, voor 54 3, 19| voor ons de zaken des rijks in een goede stand en zeer 55 3, 21| ontvangen het goed desgenen, die in deze straf valt, en nog 56 4, 1 | blijkbaar openbaarde, welke in vorige tijden hun in het 57 4, 1 | welke in vorige tijden hun in het gemoed als vereeld was 58 4, 2 | 2 Maar de Joden waren in een gedurige droefheid, 59 4, 3 | landschap of stad, of om in het gemeen te spreken welke 60 4, 4 | gemoed door de stadhouders in de steden tegelijk weggezonden, 61 4, 6 | begeven hadden, ontvingen, in plaats van vermaak, droefheid, 62 4, 6 | en begonnen gezamenlijk in plaats van bruiloftsliederen, 63 4, 6 | zij openlijk tot binnen in het schip met geweld getrokken.~ 64 4, 7 | 7 En haar mannen waren in hun bloeiende jeugd om de 65 4, 8 | verblind worden, en zij in de ganse scheepvaart het 66 4, 9 | 9 Als nu dezen in dat voormelde schip gebracht 67 4, 9 | voor de stad, zijnde groot in omvang, en bovenmate wel 68 4, 10| gelijk als de anderen, en in generlei wijze minder straffen 69 4, 12| derzelver ondergang, en in veertig dagen hadden zij 70 4, 14| nog veel meer hier en daar in het land waren, sommigen 71 4, 14| bij huis, sommigen zijnde in andere plaatsen, zodat het 72 4, 14| het ook alle stadhouders in Egypte onmogelijk was te 73 5, 1 | olifanten, die vijfhonderd in getal waren, vele handen 74 5, 5 | hun gedurig gebed klom op in de hemel. Hermon nu, als 75 5, 7 | voornemen mislukte hem zeer, en in zijn onverzettelijk besluit 76 5, 9 | sterk aankwamen, ging hij in tot de koning, en stiet 77 5, 10| zeer blij te houden, en in vrolijkheid door te brengen.~ 78 5, 11| men de Joden die dag nog in het leven had gelaten.~ 79 5, 15| grote beesten, en bewoog ze in die grote plaats; en het 80 5, 16| Joden waren die ganse tijd in hun gemoed bekommerd; met 81 5, 18| Maar als hij dit vernam en in het goddeloos uitgaan terneder 82 5, 18| werd, zo vroeg hij (als die in alles door God met onwetendheid 83 5, 18| die over alles heerst, die in het verstand een vergetelheid 84 5, 21| om uw dienst) gij Hermon in hun plaats van uw leven 85 5, 22| dreigement; en hij ontzette zich in zijn gelaat en aangezicht; 86 5, 26| stad door het verwijlen in oproer is, en vol van samenscholing, 87 5, 26| samenscholing, zodat zij dikwijls in gevaar is geweest van geplunderd 88 5, 27| Zo heeft de koning, die in alles een tweede Falaris 89 5, 27| veranderingen van zijn gemoed, die in hem door God, tot verschoning 90 5, 28| mogen ingaan, zeide hij in der haast met vuur verbranden, 91 5, 28| verbranden, en te allen tijd in de as laten liggen.~ 92 5, 30| gemengd, bijna om zo te zeggen in een razende gestalte gebracht, 93 5, 31| grimmigheid vervallende, in allerijl met de beesten 94 5, 35| wilde ontfermen, die nu in de poorten des doods gesteld 95 6, 1 | priesters van het land, die nu in ouderdom tot zijn jaren 96 6, 1 | gekomen, en met alle deugd in dit leven versierd was, 97 6, 2 | die alle geschapen dingen in ontferming regeert, aanzie 98 6, 2 | uw geheiligd erfdeel, dat in een vreemd land een vreemdeling 99 6, 3 | die vele wagens had, en in vorige tijden heer was van 100 6, 3 | een grootsprekende tong) in de zee gestort met zijn 101 6, 5 | de drie metgezellen, die in Babylonië waren, en hun 102 6, 6 | nijdige beschuldigingen in de kuil de leeuwen voorgeworpen 103 6, 6 | dieren, onbeschadigd weder in het licht gebracht; en gij 104 6, 6 | hebt, o Vader, Jona, die in de buik van een walvis, 105 6, 6 | van een walvis, die zich in de diepte ophoudt, gestadig 106 6, 8 | leven met ongodsdienstigheid in onze vreemdelingschap bevangen 107 6, 14| dat gij hen, ook zijnde in het land hunner vijanden, 108 6, 17| heerlijke engelen, schrikkelijk in gedaante, afkwamen, die 109 6, 20| konings toorn werd veranderd in barmhartigheid en tranen, 110 6, 22| koning, en hebt de tirannen in wreedheid overtroffen, en 111 6, 24| die van den beginne aan in goedwilligheid tot ons in 112 6, 24| in goedwilligheid tot ons in alles alle volken te boven 113 6, 27| Daarna keerde de koning weder in de stad, en riep tot zich 114 6, 27| reiken; goedvindende dat zij in die plaats, in welke zij 115 6, 27| goedvindende dat zij in die plaats, in welke zij meenden het verderf 116 6, 28| meer daarin gegaan waren), in plaats van een bittere en 117 6, 28| en ten grave bereid was, in verscheidene gezelschappen.~ 118 6, 30| maaltijd, en loofde God in de hemel zonder ophouden 119 6, 31| nu, en waren met schaamte in zichzelf vervuld, omdat 120 6, 33| wet, en besloten dat men in al hun woningen van eeuw 121 6, 33| eeuw de voornoemde dagen, in vreugde zou houden, niet 122 6, 35| zevende toe, drie dagen lang; in welke ook de heerser aller 123 6, 37| brief, aan de stadhouders in elke stad, hebbende deze 124 7, 1 | Filopator wenst de stadhouders in Egypte, en allen die over 125 7, 2 | overreed, dat wij de Joden die in ons koninkrijk zijn, op 126 7, 6 | wederkeren, en dat niemand in enige plaats hun enigszins 127 7, 7 | aller mogendheid, alle tijd in alles onvermijdelijk tot 128 7, 10| Gods overtreden hadden, in alle plaatsen van zijn koninkrijk 129 7, 12| hadden, en die op de weg in hun handen vielen, en zij 130 7, 16| met vrede gekomen waren, in behoorlijke dankzegging, 131 7, 16| wilden vieren, zolang zij in vreemdelingschap leefden.~ 132 7, 17| ook tot een heilig gebruik in een gedachtenis pilaar gewijd 133 7, 17| pilaar gewijd hebben, die in de plaats van de maaltijd 134 7, 19| Verlosser Israëls zij te prijzen in der eeuwigheid. Amen.~


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License