Chapter, Verse
1 1, 4 | en een onbeduidend mens in de tent in zijn plaats gesteld,
2 1, 4 | onbeduidend mens in de tent in zijn plaats gesteld, en
3 1, 6 | geschied, dat de vijanden in het gevecht hand aan hand
4 1, 10| hij voor en was van zins in het binnenste van de tempel
5 1, 10| binnenste van de tempel in te gaan.~
6 1, 11| ook al de priesters daar in te gaan, dan alleen de hogepriester,
7 1, 11| priesters, en dat maar eenmaal in het jaar, zo liet hij zich
8 1, 12| geenszins op zichzelf daar in te dringen, zeggende, dat
9 1, 12| waren hem verhinderd had, in de gehele tempel in te gaan.~
10 1, 12| had, in de gehele tempel in te gaan.~
11 1, 14| hoogste God baden, om hen in die aanstaande nood te willen
12 1, 14| degenen die hier en daar in de stad overgebleven waren
13 1, 15| Ook zijn de dochters, die in haar kamers besloten waren,
14 1, 16| een onordentelijk geloop in de stad.~
15 1, 17| kindertjes hier en daar, sommigen in de huizen, sommigen op de
16 1, 17| zonder ophouden te hoop in het hoogste des tempels.~
17 1, 22| zich verstoutende, en alles in de wind slaande, trad toe,
18 1, 23| alle kracht heeft, dat hij in de tegenwoordige nood te
19 2, 2 | schepselen, gij Heilige in het heiligdom, gij enige
20 2, 2 | goddeloos mens, die zichzelf in stoutheid en sterkte verhovaardigt.~
21 2, 4 | 4 Gij hebt degenen die in vorige tijden onrechtvaardigheid
22 2, 6 | die uw heilig volk Israël in dienstbaarheid gebracht
23 2, 7 | der volken, deed zinken in de diepte der zee, maar
24 2, 9 | mogen aangrijpen, en wij in deze plaats kwamen, en aanbaden,
25 2, 10| waren, hen geholpen hebt in hun vernedering, en hen
26 2, 11| vijanden onderworpen, en worden in onze machteloosheid door
27 2, 12| 12 En in deze onze val poogt deze
28 2, 14| opdat de ongerechtigen in hun gemoed niet roemen,
29 2, 14| gemoed niet roemen, noch in hunner tongen hoogmoed vrolijk
30 2, 15| ons overkomen, en geef lof in de mond dergenen die nedergevallen
31 2, 16| en boven alles heilig is, in het heiligdom dit rechtvaardig
32 2, 19| 19 Toen hij nu in Egypte kwam, en zijn boosheid
33 2, 19| voortgegaan, dat hij lasteringen in alle plaatsen tegen het
34 2, 20| volk smaadheid aan te doen; in een toren bij het hof liet
35 2, 20| onder hen die niet offerde, in hun tempels zou ingaan,
36 2, 23| 23 Sommigen nu, die in de stad de trappen der godzalige
37 2, 24| leven onbeschroomd geld in de plaats biedende, poogden
38 3, 1 | maar ook de anderen, die in het gehele land waren, meer
39 3, 1 | dat men zou haasten, en in één plaats alle Joden vergaderen,
40 3, 2 | de Joden hen verhinderden in het onderhouden hunner wetten.~
41 3, 3 | omdat zij God dienden, en in zijn wet wandelden, zo hebben
42 3, 5 | 5 Maar de Grieken, die in de stad waren, wie gans
43 3, 9 | stadhouders en krijgslieden in Egypte, en de andere plaatsen
44 3, 10| Nadat wij onze krijgstocht in Azië gedaan hadden, die
45 3, 10| vriendelijkheid de volken, die in Celo-Syrië en Fenicië wonen,
46 3, 11| En als wij aan de tempels in de steden vele renten uitgedeeld
47 3, 12| toen wij voorgenomen hadden in het binnenste van hun tempel
48 3, 12| binnenste van hun tempel in te gaan, en die met zeer
49 3, 14| overwinning gekomen, en hebben in Egypte alle volken met vriendelijkheid
50 3, 15| toevertrouwd waren, hun staat in beter te veranderen, en
51 3, 15| en hen wilden aannemen, in de gemeenschap van het altijddurende
52 3, 18| met vrouwen en kinderen in ijzeren banden zal sluiten,
53 3, 19| zijn, zo achten wij, dat in toekomende tijden, voor
54 3, 19| voor ons de zaken des rijks in een goede stand en zeer
55 3, 21| ontvangen het goed desgenen, die in deze straf valt, en nog
56 4, 1 | blijkbaar openbaarde, welke in vorige tijden hun in het
57 4, 1 | welke in vorige tijden hun in het gemoed als vereeld was
58 4, 2 | 2 Maar de Joden waren in een gedurige droefheid,
59 4, 3 | landschap of stad, of om in het gemeen te spreken welke
60 4, 4 | gemoed door de stadhouders in de steden tegelijk weggezonden,
61 4, 6 | begeven hadden, ontvingen, in plaats van vermaak, droefheid,
62 4, 6 | en begonnen gezamenlijk in plaats van bruiloftsliederen,
63 4, 6 | zij openlijk tot binnen in het schip met geweld getrokken.~
64 4, 7 | 7 En haar mannen waren in hun bloeiende jeugd om de
65 4, 8 | verblind worden, en zij in de ganse scheepvaart het
66 4, 9 | 9 Als nu dezen in dat voormelde schip gebracht
67 4, 9 | voor de stad, zijnde groot in omvang, en bovenmate wel
68 4, 10| gelijk als de anderen, en in generlei wijze minder straffen
69 4, 12| derzelver ondergang, en in veertig dagen hadden zij
70 4, 14| nog veel meer hier en daar in het land waren, sommigen
71 4, 14| bij huis, sommigen zijnde in andere plaatsen, zodat het
72 4, 14| het ook alle stadhouders in Egypte onmogelijk was te
73 5, 1 | olifanten, die vijfhonderd in getal waren, vele handen
74 5, 5 | hun gedurig gebed klom op in de hemel. Hermon nu, als
75 5, 7 | voornemen mislukte hem zeer, en in zijn onverzettelijk besluit
76 5, 9 | sterk aankwamen, ging hij in tot de koning, en stiet
77 5, 10| zeer blij te houden, en in vrolijkheid door te brengen.~
78 5, 11| men de Joden die dag nog in het leven had gelaten.~
79 5, 15| grote beesten, en bewoog ze in die grote plaats; en het
80 5, 16| Joden waren die ganse tijd in hun gemoed bekommerd; met
81 5, 18| Maar als hij dit vernam en in het goddeloos uitgaan terneder
82 5, 18| werd, zo vroeg hij (als die in alles door God met onwetendheid
83 5, 18| die over alles heerst, die in het verstand een vergetelheid
84 5, 21| om uw dienst) gij Hermon in hun plaats van uw leven
85 5, 22| dreigement; en hij ontzette zich in zijn gelaat en aangezicht;
86 5, 26| stad door het verwijlen in oproer is, en vol van samenscholing,
87 5, 26| samenscholing, zodat zij dikwijls in gevaar is geweest van geplunderd
88 5, 27| Zo heeft de koning, die in alles een tweede Falaris
89 5, 27| veranderingen van zijn gemoed, die in hem door God, tot verschoning
90 5, 28| mogen ingaan, zeide hij in der haast met vuur verbranden,
91 5, 28| verbranden, en te allen tijd in de as laten liggen.~
92 5, 30| gemengd, bijna om zo te zeggen in een razende gestalte gebracht,
93 5, 31| grimmigheid vervallende, in allerijl met de beesten
94 5, 35| wilde ontfermen, die nu in de poorten des doods gesteld
95 6, 1 | priesters van het land, die nu in ouderdom tot zijn jaren
96 6, 1 | gekomen, en met alle deugd in dit leven versierd was,
97 6, 2 | die alle geschapen dingen in ontferming regeert, aanzie
98 6, 2 | uw geheiligd erfdeel, dat in een vreemd land een vreemdeling
99 6, 3 | die vele wagens had, en in vorige tijden heer was van
100 6, 3 | een grootsprekende tong) in de zee gestort met zijn
101 6, 5 | de drie metgezellen, die in Babylonië waren, en hun
102 6, 6 | nijdige beschuldigingen in de kuil de leeuwen voorgeworpen
103 6, 6 | dieren, onbeschadigd weder in het licht gebracht; en gij
104 6, 6 | hebt, o Vader, Jona, die in de buik van een walvis,
105 6, 6 | van een walvis, die zich in de diepte ophoudt, gestadig
106 6, 8 | leven met ongodsdienstigheid in onze vreemdelingschap bevangen
107 6, 14| dat gij hen, ook zijnde in het land hunner vijanden,
108 6, 17| heerlijke engelen, schrikkelijk in gedaante, afkwamen, die
109 6, 20| konings toorn werd veranderd in barmhartigheid en tranen,
110 6, 22| koning, en hebt de tirannen in wreedheid overtroffen, en
111 6, 24| die van den beginne aan in goedwilligheid tot ons in
112 6, 24| in goedwilligheid tot ons in alles alle volken te boven
113 6, 27| Daarna keerde de koning weder in de stad, en riep tot zich
114 6, 27| reiken; goedvindende dat zij in die plaats, in welke zij
115 6, 27| goedvindende dat zij in die plaats, in welke zij meenden het verderf
116 6, 28| meer daarin gegaan waren), in plaats van een bittere en
117 6, 28| en ten grave bereid was, in verscheidene gezelschappen.~
118 6, 30| maaltijd, en loofde God in de hemel zonder ophouden
119 6, 31| nu, en waren met schaamte in zichzelf vervuld, omdat
120 6, 33| wet, en besloten dat men in al hun woningen van eeuw
121 6, 33| eeuw de voornoemde dagen, in vreugde zou houden, niet
122 6, 35| zevende toe, drie dagen lang; in welke ook de heerser aller
123 6, 37| brief, aan de stadhouders in elke stad, hebbende deze
124 7, 1 | Filopator wenst de stadhouders in Egypte, en allen die over
125 7, 2 | overreed, dat wij de Joden die in ons koninkrijk zijn, op
126 7, 6 | wederkeren, en dat niemand in enige plaats hun enigszins
127 7, 7 | aller mogendheid, alle tijd in alles onvermijdelijk tot
128 7, 10| Gods overtreden hadden, in alle plaatsen van zijn koninkrijk
129 7, 12| hadden, en die op de weg in hun handen vielen, en zij
130 7, 16| met vrede gekomen waren, in behoorlijke dankzegging,
131 7, 16| wilden vieren, zolang zij in vreemdelingschap leefden.~
132 7, 17| ook tot een heilig gebruik in een gedachtenis pilaar gewijd
133 7, 17| pilaar gewijd hebben, die in de plaats van de maaltijd
134 7, 19| Verlosser Israëls zij te prijzen in der eeuwigheid. Amen.~
|