Chapter, Verse
1 1, 4 | zijn plaats gesteld, en het gebeurde, dat deze zijn
2 1, 5 | Arsinoë naarstig toe, en bad het krijgsvolk met gekerm en
3 1, 6 | 6 En zo is het geschied, dat de vijanden
4 1, 6 | geschied, dat de vijanden in het gevecht hand aan hand vernield,
5 1, 8 | geluk te wensen, gebeurde het dat hij temeer voornam ten
6 1, 10| voor en was van zins in het binnenste van de tempel
7 1, 11| zulks niet betaamde, omdat het niet geoorloofd was, noch
8 1, 11| en dat maar eenmaal in het jaar, zo liet hij zich nochtans
9 1, 12| beroofd zijn, zo behoort het nochtans mij niet te geschieden;
10 1, 13| 13 En een antwoordde: Het is onvoorzichtig gedaan
11 1, 13| onvoorzichtig gedaan en dat het iets kwaads beduidde. Indien
12 1, 14| nood te willen helpen, en het geweld des konings, die
13 1, 14| uitgelopen, denkende dat het iets verborgens was hetgeen
14 1, 15| uitgelopen, en bestrooiden het haar met stof, en lieten
15 1, 15| haar met stof, en lieten het hangen, en vervulden de
16 1, 17| zonder ophouden te hoop in het hoogste des tempels.~
17 1, 19| verstoutten zich en wilden het niet toestaan; als hij eindelijk
18 1, 21| 21 Het gemene volk nu was intussen,
19 1, 24| 24 En uit het zeer sterk, en moeilijk
20 1, 25| 25 Want het scheen, dat niet alleen
21 2, 1 | hogepriester, tegenover het binnenste des tempels de
22 2, 2 | schepselen, gij Heilige in het heiligdom, gij enige Heerser,
23 2, 9 | 9 En uit liefde tot het huis Israëls hebt gij beloofd,
24 2, 13| niet komen, doch dewijl het uw welbehagen is geweest,
25 2, 13| dat uw heerlijkheid onder het volk Israël zij, zo hebt
26 2, 14| zijn, zeggende: Wij hebben het huis van het heiligdom met
27 2, 14| Wij hebben het huis van het heiligdom met voeten getreden,
28 2, 16| boven alles heilig is, in het heiligdom dit rechtvaardig
29 2, 16| zijden slingerende gelijk het riet van de wind, zodat
30 2, 16| spreken kon, overmits hij door het rechtvaardig oordeel Gods
31 2, 17| en vrezende, dat hij ook het leven zou verliezen, trokken
32 2, 19| lasteringen in alle plaatsen tegen het volk zaaide, en dat velen
33 2, 20| te doen; in een toren bij het hof liet hij een pilaar
34 2, 20| maar dat al de Joden, onder het volk beschreven, tot een
35 2, 20| geweld zou aantasten, en van het leven beroven.~
36 2, 21| namelijk met een klimopblad, het wapen van Bacchus, die men
37 2, 24| de godzaligheid; en voor het leven onbeschroomd geld
38 2, 24| poogden zij zichzelf van het opschrijven te bevrijden,
39 3, 1 | maar ook de anderen, die in het gehele land waren, meer
40 3, 1 | met de snoodste dood van het leven beroven.~
41 3, 2 | de boze lieden, die tot het kwaaddoen eensgezind waren,
42 3, 2 | Joden hen verhinderden in het onderhouden hunner wetten.~
43 3, 4 | allen geroemd was, maar het verschil nopens de aanbidding
44 3, 4 | waren, en grote vijanden van het welvaren van het koninkrijk;
45 3, 4 | vijanden van het welvaren van het koninkrijk; zo bezwaarden
46 3, 5 | wel geen hulp doen (want het was een tirannieke handelwijze),~
47 3, 6 | hebben hen getroost, en namen het zeer kwalijk, en meenden
48 3, 12| wij voorgenomen hadden in het binnenste van hun tempel
49 3, 14| bejegend, en gedaan gelijk het ons betaamde.~
50 3, 15| hun landslieden, dat wij het ongelijk wilden vergeten,
51 3, 15| willens waren, zowel om het bondgenootschap, als ook
52 3, 15| aannemen, in de gemeenschap van het altijddurende priesterdom,
53 3, 15| priesterdom, en verwaardigden met het burgerschap der burgers
54 3, 16| 16 Maar zij het tegendeel hopende, en het
55 3, 16| het tegendeel hopende, en het goede door de aangeboren
56 3, 16| boosaardigheid verwerpende, en tot het kwaad alle tijd genegen
57 3, 21| die zal daarvoor ontvangen het goed desgenen, die in deze
58 3, 22| ten eeuwigen tijde voor het gehele menselijke geslacht.
59 4, 1 | in vorige tijden hun in het gemoed als vereeld was geweest.~
60 4, 3 | landschap of stad, of om in het gemeen te spreken welke
61 4, 6 | van vermaak, droefheid, en het haar met welriekende zalf
62 4, 6 | zij openlijk tot binnen in het schip met geweld getrokken.~
63 4, 8 | werd een dicht luik boven het hoofd gelegd, opdat hun
64 4, 8 | in de ganse scheepvaart het geleide van deze moordenaars
65 4, 9 | schip gebracht waren, en het overvoeren voltrokken was,
66 4, 9 | voltrokken was, gelijkerwijs het door de koning was geboden,
67 4, 9 | zij hen zouden legeren op het rijveld voor de stad, zijnde
68 4, 9 | onder hen, die buiten naar het land reisden om dit voorbeeld
69 4, 10| dan de anderen; en dat men het ganse geslacht der Joden
70 4, 14| veel meer hier en daar in het land waren, sommigen nog
71 4, 14| in andere plaatsen, zodat het ook alle stadhouders in
72 4, 15| ontvluchten, zo gebeurde het dat zij hem klaar bericht
73 5, 1 | ongemengde wijn; en als zij door het overvloedig geven van die
74 5, 5 | drinken had gegeven, en met het geven van veel wijn vervuld,
75 5, 6 | de goede beschikking van het begin der wereld aan, hetwelk
76 5, 6 | bestierd wordt, als die het aan allen schenkt wie hij
77 5, 9 | 9 Als het nu omtrent half tien was,
78 5, 11| 11 Als nu het gesprek meer en meer voortging,
79 5, 11| de Joden die dag nog in het leven had gelaten.~
80 5, 12| dat hij diezelfde nacht het bevel had volbracht, en
81 5, 13| volgende dag de olifanten tot het verderf der gruwelijke Joden.~
82 5, 15| in die grote plaats; en het volk uit de ganse stad vergaderde
83 5, 18| als hij dit vernam en in het goddeloos uitgaan terneder
84 5, 18| over alles heerst, die in het verstand een vergetelheid
85 5, 19| koning, de grote beesten en het heer, zijn naar uw heftig
86 5, 21| hebben; hoewel (indien ik het niet liet om de liefde van
87 5, 24| morgen de olifanten tot het verderf der Joden.~
88 5, 26| 26 Waarom de stad door het verwijlen in oproer is,
89 5, 28| een heerleger voeren, en het land snel te vuur en te
90 5, 29| vertrokken en zij bestelden het krijgsvolk op al de geschiktste
91 5, 30| vervuld was, is hij naar het hof gegaan, en heeft de
92 5, 32| 32 Als nu de Joden het stof van de olifanten, die
93 5, 32| poort uitkwamen, en van het gewapende heerleger, dat
94 5, 32| heerleger, dat volgde, en van het gaan des volks zagen, en
95 5, 32| meenden zij, dat dit voor hen het laatste ogenblik van hun
96 5, 32| ogenblik van hun leven was, en het einde der ellendige verwachting.~
97 6, 1 | een uit de priesters van het land, die nu in ouderdom
98 6, 2 | ontferming regeert, aanzie het zaad van Abraham, en zie
99 6, 2 | van de geheiligde Jakob, het volk van uw geheiligd erfdeel,
100 6, 3 | heerkracht en verdelgd, en het geslacht Israëls een licht
101 6, 4 | heerkrachten pochte en met de spies het ganse land onder zijn gebied
102 6, 5 | hun lichamen gewillig aan het vuur overgaven, om niet
103 6, 6 | dieren, onbeschadigd weder in het licht gebracht; en gij hebt,
104 6, 7 | haastig degenen, die van het geslacht Israëls zijn, hetwelk
105 6, 8 | verderf ons met de dood, zoals het u believen zal.~
106 6, 11| Ontferm u onzer, wij die door het goddelozen, alsof wij verraders
107 6, 12| gij die macht hebt over het behouden van het geslacht
108 6, 12| hebt over het behouden van het geslacht van Jakob.~
109 6, 13| en dat met tranen; laat het alle volken blijken, dat
110 6, 14| dat gij hen, ook zijnde in het land hunner vijanden, niet
111 6, 14| veracht hebt, zo volbreng het, o Here.~
112 6, 15| 15 Toen nu Eleazar van het gebed ophield, kwam de koning
113 6, 15| koning met de beesten, en het gruwelijk heerleger aan
114 6, 15| gruwelijk heerleger aan het renperk.~
115 6, 16| een weerklank gaven, en het ganse heer tot een onbedwingelijk
116 6, 18| weerstand, en zij vervulden het heerleger der vijanden met
117 6, 21| 21 Want als hij het geschreeuw hoorde en aanmerkte
118 6, 22| heimelijk aanrichtende hetgeen het rijk niet bevorderlijk is.~
119 6, 27| plaats, in welke zij meenden het verderf te gevoelen nu met
120 6, 28| versmaadheid leden, en nabij het graf, ja veel meer daarin
121 6, 29| 29 En zij hielden op van het droevig klaaglied, en hieven
122 6, 29| zij weerden van zich al het treuren en zuchten, en stelden
123 7, 5 | alle mensen, hun nauwelijks het leven konden schenken, en
124 7, 6 | gelasten dat zij tot al het hunne mogen wederkeren,
125 7, 7 | Want gij zult weten, is het dat wij tegen hen iets kwaads
126 7, 8 | koning, dat degenen, die uit het geslacht der Joden willens
127 7, 11| hebben zij de koning (gelijk het betaamde) gedankt; en hun
128 7, 17| maaltijd oprichtende, en met het gebed zegenende. En zo vertrokken
129 7, 18| maar zij allen kregen allen het hunne uit de aantekening
130 7, 18| weder, zodat die iets van het hunne hadden, het aan hen
131 7, 18| iets van het hunne hadden, het aan hen met zeer grote vrees
|