Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
hermon 10
herroept 1
herwaarts 2
het 131
hetgeen 9
hetwelk 3
hetzelfde 2
Frequency    [«  »]
144 met
139 van
134 in
131 het
116 zij
99 een
95 dat

Het derde boek der Makkabeeën

IntraText - Concordances

het

    Chapter, Verse
1 1, 4 | zijn plaats gesteld, en het gebeurde, dat deze zijn 2 1, 5 | Arsinoë naarstig toe, en bad het krijgsvolk met gekerm en 3 1, 6 | 6 En zo is het geschied, dat de vijanden 4 1, 6 | geschied, dat de vijanden in het gevecht hand aan hand vernield, 5 1, 8 | geluk te wensen, gebeurde het dat hij temeer voornam ten 6 1, 10| voor en was van zins in het binnenste van de tempel 7 1, 11| zulks niet betaamde, omdat het niet geoorloofd was, noch 8 1, 11| en dat maar eenmaal in het jaar, zo liet hij zich nochtans 9 1, 12| beroofd zijn, zo behoort het nochtans mij niet te geschieden; 10 1, 13| 13 En een antwoordde: Het is onvoorzichtig gedaan 11 1, 13| onvoorzichtig gedaan en dat het iets kwaads beduidde. Indien 12 1, 14| nood te willen helpen, en het geweld des konings, die 13 1, 14| uitgelopen, denkende dat het iets verborgens was hetgeen 14 1, 15| uitgelopen, en bestrooiden het haar met stof, en lieten 15 1, 15| haar met stof, en lieten het hangen, en vervulden de 16 1, 17| zonder ophouden te hoop in het hoogste des tempels.~ 17 1, 19| verstoutten zich en wilden het niet toestaan; als hij eindelijk 18 1, 21| 21 Het gemene volk nu was intussen, 19 1, 24| 24 En uit het zeer sterk, en moeilijk 20 1, 25| 25 Want het scheen, dat niet alleen 21 2, 1 | hogepriester, tegenover het binnenste des tempels de 22 2, 2 | schepselen, gij Heilige in het heiligdom, gij enige Heerser, 23 2, 9 | 9 En uit liefde tot het huis Israëls hebt gij beloofd, 24 2, 13| niet komen, doch dewijl het uw welbehagen is geweest, 25 2, 13| dat uw heerlijkheid onder het volk Israël zij, zo hebt 26 2, 14| zijn, zeggende: Wij hebben het huis van het heiligdom met 27 2, 14| Wij hebben het huis van het heiligdom met voeten getreden, 28 2, 16| boven alles heilig is, in het heiligdom dit rechtvaardig 29 2, 16| zijden slingerende gelijk het riet van de wind, zodat 30 2, 16| spreken kon, overmits hij door het rechtvaardig oordeel Gods 31 2, 17| en vrezende, dat hij ook het leven zou verliezen, trokken 32 2, 19| lasteringen in alle plaatsen tegen het volk zaaide, en dat velen 33 2, 20| te doen; in een toren bij het hof liet hij een pilaar 34 2, 20| maar dat al de Joden, onder het volk beschreven, tot een 35 2, 20| geweld zou aantasten, en van het leven beroven.~ 36 2, 21| namelijk met een klimopblad, het wapen van Bacchus, die men 37 2, 24| de godzaligheid; en voor het leven onbeschroomd geld 38 2, 24| poogden zij zichzelf van het opschrijven te bevrijden, 39 3, 1 | maar ook de anderen, die in het gehele land waren, meer 40 3, 1 | met de snoodste dood van het leven beroven.~ 41 3, 2 | de boze lieden, die tot het kwaaddoen eensgezind waren, 42 3, 2 | Joden hen verhinderden in het onderhouden hunner wetten.~ 43 3, 4 | allen geroemd was, maar het verschil nopens de aanbidding 44 3, 4 | waren, en grote vijanden van het welvaren van het koninkrijk; 45 3, 4 | vijanden van het welvaren van het koninkrijk; zo bezwaarden 46 3, 5 | wel geen hulp doen (want het was een tirannieke handelwijze),~ 47 3, 6 | hebben hen getroost, en namen het zeer kwalijk, en meenden 48 3, 12| wij voorgenomen hadden in het binnenste van hun tempel 49 3, 14| bejegend, en gedaan gelijk het ons betaamde.~ 50 3, 15| hun landslieden, dat wij het ongelijk wilden vergeten, 51 3, 15| willens waren, zowel om het bondgenootschap, als ook 52 3, 15| aannemen, in de gemeenschap van het altijddurende priesterdom, 53 3, 15| priesterdom, en verwaardigden met het burgerschap der burgers 54 3, 16| 16 Maar zij het tegendeel hopende, en het 55 3, 16| het tegendeel hopende, en het goede door de aangeboren 56 3, 16| boosaardigheid verwerpende, en tot het kwaad alle tijd genegen 57 3, 21| die zal daarvoor ontvangen het goed desgenen, die in deze 58 3, 22| ten eeuwigen tijde voor het gehele menselijke geslacht. 59 4, 1 | in vorige tijden hun in het gemoed als vereeld was geweest.~ 60 4, 3 | landschap of stad, of om in het gemeen te spreken welke 61 4, 6 | van vermaak, droefheid, en het haar met welriekende zalf 62 4, 6 | zij openlijk tot binnen in het schip met geweld getrokken.~ 63 4, 8 | werd een dicht luik boven het hoofd gelegd, opdat hun 64 4, 8 | in de ganse scheepvaart het geleide van deze moordenaars 65 4, 9 | schip gebracht waren, en het overvoeren voltrokken was, 66 4, 9 | voltrokken was, gelijkerwijs het door de koning was geboden, 67 4, 9 | zij hen zouden legeren op het rijveld voor de stad, zijnde 68 4, 9 | onder hen, die buiten naar het land reisden om dit voorbeeld 69 4, 10| dan de anderen; en dat men het ganse geslacht der Joden 70 4, 14| veel meer hier en daar in het land waren, sommigen nog 71 4, 14| in andere plaatsen, zodat het ook alle stadhouders in 72 4, 15| ontvluchten, zo gebeurde het dat zij hem klaar bericht 73 5, 1 | ongemengde wijn; en als zij door het overvloedig geven van die 74 5, 5 | drinken had gegeven, en met het geven van veel wijn vervuld, 75 5, 6 | de goede beschikking van het begin der wereld aan, hetwelk 76 5, 6 | bestierd wordt, als die het aan allen schenkt wie hij 77 5, 9 | 9 Als het nu omtrent half tien was, 78 5, 11| 11 Als nu het gesprek meer en meer voortging, 79 5, 11| de Joden die dag nog in het leven had gelaten.~ 80 5, 12| dat hij diezelfde nacht het bevel had volbracht, en 81 5, 13| volgende dag de olifanten tot het verderf der gruwelijke Joden.~ 82 5, 15| in die grote plaats; en het volk uit de ganse stad vergaderde 83 5, 18| als hij dit vernam en in het goddeloos uitgaan terneder 84 5, 18| over alles heerst, die in het verstand een vergetelheid 85 5, 19| koning, de grote beesten en het heer, zijn naar uw heftig 86 5, 21| hebben; hoewel (indien ik het niet liet om de liefde van 87 5, 24| morgen de olifanten tot het verderf der Joden.~ 88 5, 26| 26 Waarom de stad door het verwijlen in oproer is, 89 5, 28| een heerleger voeren, en het land snel te vuur en te 90 5, 29| vertrokken en zij bestelden het krijgsvolk op al de geschiktste 91 5, 30| vervuld was, is hij naar het hof gegaan, en heeft de 92 5, 32| 32 Als nu de Joden het stof van de olifanten, die 93 5, 32| poort uitkwamen, en van het gewapende heerleger, dat 94 5, 32| heerleger, dat volgde, en van het gaan des volks zagen, en 95 5, 32| meenden zij, dat dit voor hen het laatste ogenblik van hun 96 5, 32| ogenblik van hun leven was, en het einde der ellendige verwachting.~ 97 6, 1 | een uit de priesters van het land, die nu in ouderdom 98 6, 2 | ontferming regeert, aanzie het zaad van Abraham, en zie 99 6, 2 | van de geheiligde Jakob, het volk van uw geheiligd erfdeel, 100 6, 3 | heerkracht en verdelgd, en het geslacht Israëls een licht 101 6, 4 | heerkrachten pochte en met de spies het ganse land onder zijn gebied 102 6, 5 | hun lichamen gewillig aan het vuur overgaven, om niet 103 6, 6 | dieren, onbeschadigd weder in het licht gebracht; en gij hebt, 104 6, 7 | haastig degenen, die van het geslacht Israëls zijn, hetwelk 105 6, 8 | verderf ons met de dood, zoals het u believen zal.~ 106 6, 11| Ontferm u onzer, wij die door het goddelozen, alsof wij verraders 107 6, 12| gij die macht hebt over het behouden van het geslacht 108 6, 12| hebt over het behouden van het geslacht van Jakob.~ 109 6, 13| en dat met tranen; laat het alle volken blijken, dat 110 6, 14| dat gij hen, ook zijnde in het land hunner vijanden, niet 111 6, 14| veracht hebt, zo volbreng het, o Here.~ 112 6, 15| 15 Toen nu Eleazar van het gebed ophield, kwam de koning 113 6, 15| koning met de beesten, en het gruwelijk heerleger aan 114 6, 15| gruwelijk heerleger aan het renperk.~ 115 6, 16| een weerklank gaven, en het ganse heer tot een onbedwingelijk 116 6, 18| weerstand, en zij vervulden het heerleger der vijanden met 117 6, 21| 21 Want als hij het geschreeuw hoorde en aanmerkte 118 6, 22| heimelijk aanrichtende hetgeen het rijk niet bevorderlijk is.~ 119 6, 27| plaats, in welke zij meenden het verderf te gevoelen nu met 120 6, 28| versmaadheid leden, en nabij het graf, ja veel meer daarin 121 6, 29| 29 En zij hielden op van het droevig klaaglied, en hieven 122 6, 29| zij weerden van zich al het treuren en zuchten, en stelden 123 7, 5 | alle mensen, hun nauwelijks het leven konden schenken, en 124 7, 6 | gelasten dat zij tot al het hunne mogen wederkeren, 125 7, 7 | Want gij zult weten, is het dat wij tegen hen iets kwaads 126 7, 8 | koning, dat degenen, die uit het geslacht der Joden willens 127 7, 11| hebben zij de koning (gelijk het betaamde) gedankt; en hun 128 7, 17| maaltijd oprichtende, en met het gebed zegenende. En zo vertrokken 129 7, 18| maar zij allen kregen allen het hunne uit de aantekening 130 7, 18| weder, zodat die iets van het hunne hadden, het aan hen 131 7, 18| iets van het hunne hadden, het aan hen met zeer grote vrees


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License