Chapter, Verse
1 1, 1 | die wedergekeerd waren, dat de plaatsen, die hij bezet
2 1, 4 | gesteld, en het gebeurde, dat deze zijn straf droeg.~
3 1, 5 | geween, met loshangend haar, dat zij zichzelf en haar kinderen,
4 1, 6 | 6 En zo is het geschied, dat de vijanden in het gevecht
5 1, 6 | hand aan hand vernield, en dat ook velen gevangen genomen
6 1, 8 | te wensen, gebeurde het dat hij temeer voornam ten spoedigste
7 1, 11| Maar als dezen hem zeiden, dat zulks niet betaamde, omdat
8 1, 11| opperste van alle priesters, en dat maar eenmaal in het jaar,
9 1, 12| in te dringen, zeggende, dat hij daar moest ingaan; en
10 1, 13| onvoorzichtig gedaan en dat het iets kwaads beduidde.
11 1, 13| kwaads beduidde. Indien dat geschied is, zeide de koning,
12 1, 14| kwamen uitgelopen, denkende dat het iets verborgens was
13 1, 19| te volbrengen, riepen zij dat men de wapenen grijpen en
14 1, 23| die alle kracht heeft, dat hij in de tegenwoordige
15 1, 24| volks, ontstond een geroep dat niet was te vergelijken,~
16 1, 25| 25 Want het scheen, dat niet alleen de mensen, maar
17 2, 13| uw welbehagen is geweest, dat uw heerlijkheid onder het
18 2, 17| verslagen, en vrezende, dat hij ook het leven zou verliezen,
19 2, 19| vermetelheid voortgegaan, dat hij lasteringen in alle
20 2, 19| tegen het volk zaaide, en dat velen van de vrienden, lettende
21 2, 20| en dit schrift insnijden, dat niemand onder hen die niet
22 2, 20| tempels zou ingaan, maar dat al de Joden, onder het volk
23 2, 20| zou mogen tegenspreken, dat men die met geweld zou aantasten,
24 2, 21| 21 Dat men ook, die opgeschreven
25 2, 21| werden, zou tekenen, en dat met vuur aan hun lichaam,
26 2, 22| hij daaronder schrijven, dat zo enigen onder hen verkozen
27 2, 24| goede hoop, en vertrouwen dat zij hulp zouden verkrijgen.~
28 3, 1 | vernam, werd hij zo toornig, dat hij niet alleen vergramd
29 3, 1 | waren, meer tegenstond, en dat hij gelastte dat men zou
30 3, 1 | tegenstond, en dat hij gelastte dat men zou haasten, en in één
31 3, 4 | aanbidding en andere gebruiken, dat maakten zij overal ruchtbaar,
32 3, 4 | overal ruchtbaar, zeggende, dat die mensen noch met de koning,
33 3, 4 | verzoenbaar waren, maar dat zij gruwelijk waren, en
34 3, 5 | zagen tegen deze mensen, en dat er een onverwachte toeloop
35 3, 6 | zeer kwalijk, en meenden dat die dingen zouden veranderen,
36 3, 7 | trekkende, en deden beloften, dat zij hen mede wilden beschermen,
37 3, 8 | de grote God, maar meende dat hij gestadig bij hetzelfde
38 3, 15| bekend bij hun landslieden, dat wij het ongelijk wilden
39 3, 15| ongelijk wilden vergeten, en dat wij willens waren, zowel
40 3, 16| zijn, en zij hopen altijd, dat wij door dit hun zeer oneerlijk
41 3, 17| merktekenen wel verzekerd, dat dezen op alle manier ons
42 3, 17| gezind zijn, en voorziende, dat mogelijk hierna enig oproer
43 3, 18| brief zal ontvangen zijn, dat men op diezelfde ure, allen
44 3, 19| zullen zijn, zo achten wij, dat in toekomende tijden, voor
45 3, 22| men enigszins zal bevinden dat een Jood verborgen wordt,
46 4, 2 | alleszins, en zuchtte over dat onverwacht verderf, hetwelk
47 4, 4 | steden tegelijk weggezonden, dat ook sommigen van de vijanden,
48 4, 9 | 9 Als nu dezen in dat voormelde schip gebracht
49 4, 9 | geboden, zo heeft hij gelast dat zij hen zouden legeren op
50 4, 10| was, en de koning hoorde, dat der Joden landslieden heimelijk
51 4, 10| verstoord, en gelastte, dat men ook deze eveneens op
52 4, 10| straffen dan de anderen; en dat men het ganse geslacht der
53 4, 14| de schrijvers de koning, dat zij de beschrijving der
54 4, 15| ontvluchten, zo gebeurde het dat zij hem klaar bericht deden,
55 4, 15| zij hem zeiden en bewezen, dat beide papier en schrijfpennen,
56 5, 1 | zich geroepen, en geboden dat hij de volgende dag al de
57 5, 1 | drank verwoed zouden zijn, dat men hen de Joden tegemoet
58 5, 3 | hen te verzekeren, menende dat dit geslacht tegelijk des
59 5, 4 | stemmen aangeroepen, biddende dat hij de goddeloze raad tegen
60 5, 8 | lichtelijk laat verzoenen, dat hij de sterkte van zijn
61 5, 9 | om gasten te noden, zag dat de genoden sterk aankwamen,
62 5, 9 | hebbende, vertoonde hij hem, dat de bestemde tijd van de
63 5, 12| 12 En toen hij aanwees, dat hij diezelfde nacht het
64 5, 12| wreedheid had dan Falaris, dat zij dit aan de huidige slaap
65 5, 16| en baden de opperste God, dat hij hen weder haastig wilde
66 5, 17| uit te gaan, en wees aan, dat des konings voornemen nu
67 5, 18| onwetendheid bevangen was) wat dat voor een zaak was, waarom
68 5, 21| niet liet om de liefde van dat wij tezamen opgevoed zijn,
69 5, 24| aangericht had, zo vermaande hij dat men zich zou begeven tot
70 5, 28| onreine eed vast gezworen, dat hij niet alleen dezen zonder
71 5, 32| het gewapende heerleger, dat volgde, en van het gaan
72 5, 32| hoorden, zo meenden zij, dat dit voor hen het laatste
73 5, 35| de Here aller schepselen, dat hij zich over hen met een
74 6, 2 | van uw geheiligd erfdeel, dat in een vreemd land een vreemdeling
75 6, 5 | als met een dauw begoten, dat niet een haar aan hen gekrenkt
76 6, 13| kinderen, en hun ouders, en dat met tranen; laat het alle
77 6, 13| het alle volken blijken, dat gij met ons zijt, Here,
78 6, 13| gij met ons zijt, Here, en dat gij uw aangezicht van ons
79 6, 14| gelijk gij gezegd hebt, dat gij hen, ook zijnde in het
80 6, 16| 16 En de Joden, dat aanschouwende, hieven een
81 6, 21| geschreeuw hoorde en aanmerkte dat zij allen ten verderve voorover
82 6, 27| te reiken; goedvindende dat zij in die plaats, in welke
83 6, 33| algemene wet, en besloten dat men in al hun woningen van
84 7, 2 | aangehouden, en ons ook overreed, dat wij de Joden die in ons
85 7, 3 | 3 En zij gaven voor, dat onze zaken nimmer een goede
86 7, 5 | konden schenken, en erkenden, dat de hemelse God zeker de
87 7, 6 | ieder gelast, en gelasten dat zij tot al het hunne mogen
88 7, 6 | hunne mogen wederkeren, en dat niemand in enige plaats
89 7, 7 | Want gij zult weten, is het dat wij tegen hen iets kwaads
90 7, 7 | enigszins zullen bedroeven, dat wij niet een mens, maar
91 7, 8 | maar zij baden de koning, dat degenen, die uit het geslacht
92 7, 9 | 9 En zij wendden voor, dat, die om des buiks wil de
93 7, 10| 10 En hij begreep, dat zij de waarheid zeiden,
94 7, 10| macht over alle zodanigen dat zij degenen, die de wet
95 7, 16| hebben zij daar ook besloten, dat zij op gelijke wijze daar
|