Chapter, Verse
1 1, 1 | al zijn krijgsvolk, beide te voet en te paard, ontboden;~
2 1, 1 | krijgsvolk, beide te voet en te paard, ontboden;~
3 1, 3 | Theodotus, trachtende de aanslag te voltrekken, nam tot zich
4 1, 5 | kinderen, en vrouwen kloek te hulp zouden komen, en zij
5 1, 5 | overwinnaars ieder twee pond goud te geven.~
6 1, 7 | de naastgelegene steden te gaan, en hen te vermanen.
7 1, 7 | naastgelegene steden te gaan, en hen te vermanen. En als hij dit
8 1, 8 | hadden afgezonden om hem te begroeten, en geschenken
9 1, 8 | begroeten, en geschenken te brengen, en over hetgeen
10 1, 8 | hetgeen geschied was hem geluk te wensen, gebeurde het dat
11 1, 8 | voornam ten spoedigste tot hen te reizen.~
12 1, 9 | 9 En als hij te Jeruzalem kwam, en de hoogste
13 1, 9 | voorts op die plaats placht te geschieden, gedaan had;~
14 1, 10| binnenste van de tempel in te gaan.~
15 1, 11| al de priesters daar in te gaan, dan alleen de hogepriester,
16 1, 12| geenszins op zichzelf daar in te dringen, zeggende, dat hij
17 1, 12| behoort het nochtans mij niet te geschieden; en hij vroeg,
18 1, 12| in de gehele tempel in te gaan.~
19 1, 14| hen in die aanstaande nood te willen helpen, en het geweld
20 1, 14| konings, die boos indrong, te bedwingen; als zij ook de
21 1, 16| waren om de koning tegemoet te gaan, maar ook haar betamelijke
22 1, 17| zij liepen zonder ophouden te hoop in het hoogste des
23 1, 19| en zijn voornemen dacht te volbrengen, riepen zij dat
24 1, 21| de voorgenomen opzet af te wenden.~
25 1, 22| toe, en meende een einde te maken aan hetgeen tevoren
26 1, 23| om met de onzen hem aan te roepen, die alle kracht
27 1, 23| in de tegenwoordige nood te hulp wilde komen, en deze
28 1, 24| een geroep dat niet was te vergelijken,~
29 2, 12| toegeëigend is, smaadheid aan te doen.~
30 2, 15| betoon uw barmhartigheid te dezer tijd. Laat uw ontferming
31 2, 20| openlijk dit volk smaadheid aan te doen; in een toren bij het
32 2, 22| op alle Joden verstoord te zijn, zo liet hij daaronder
33 2, 22| enigen onder hen verkozen om te gaan met de priesters, dezen
34 2, 24| zichzelf van het opschrijven te bevrijden, en zij hadden
35 3, 10| Fenicië wonen, goedertieren te behandelen, en hen gaarne
36 3, 10| behandelen, en hen gaarne goed te doen.~
37 3, 11| hadden, zo zijn wij ook te Jeruzalem gekomen, en opgegaan
38 3, 11| ophouden van hun onzinnigheid, te vereren;~
39 3, 12| binnenste van hun tempel in te gaan, en die met zeer betamelijke
40 3, 12| en zeer schone geschenken te vereren, zo hebben zij,
41 3, 12| opgeblazenheid, ons verhinderd daarin te gaan.~
42 3, 15| waren, hun staat in beter te veranderen, en hen wilden
43 4, 3 | stad, of om in het gemeen te spreken welke bewoonde plaats,
44 4, 5 | om snel op de weg voort te gaan.~
45 4, 6 | haar met welriekende zalf te voren gezalfd, was met as
46 4, 9 | dit voorbeeld der straf te zien; opdat zij noch met
47 4, 10| uit de stad uitgingen, om te bewenen de schandelijke
48 4, 14| in Egypte onmogelijk was te doen.~
49 4, 15| 15 En als hij hen te harder dreigde, alsof zij
50 4, 15| omgekocht waren om de Joden te doen ontvluchten, zo gebeurde
51 5, 1 | vele handen vol wierook zou te drinken geven en veel ongemengde
52 5, 1 | tegemoet zou voeren om hen te doden.~
53 5, 2 | zich weder tot goede sier te maken, en vergaderde de
54 5, 3 | en bedachten voorts wat te doen was om hen te verzekeren,
55 5, 3 | voorts wat te doen was om hen te verzekeren, menende dat
56 5, 4 | alle hulp schenen ontbloot te zijn, omdat zij alom met
57 5, 5 | om de koning deze zaken te kennen te geven.~
58 5, 5 | koning deze zaken te kennen te geven.~
59 5, 9 | die gesteld was om gasten te noden, zag dat de genoden
60 5, 10| vermaande hij hen zichzelf goed te verlustigen, en de tegenwoordige
61 5, 10| tegenwoordige maaltijd zeer blij te houden, en in vrolijkheid
62 5, 10| en in vrolijkheid door te brengen.~
63 5, 14| die nacht niet zozeer om te slapen, als wel om allerlei
64 5, 14| zo men meende, ellendige te bedenken.~
65 5, 17| bij hem, en riep om uit te gaan, en wees aan, dat des
66 5, 21| leven nul behoort beroofd te worden.~
67 5, 25| derden male gelast hen uit te roeien, en weder op de daad
68 5, 26| is geweest van geplunderd te worden.~
69 5, 28| voeren, en het land snel te vuur en te zwaard te gronde
70 5, 28| het land snel te vuur en te zwaard te gronde werpen,
71 5, 28| snel te vuur en te zwaard te gronde werpen, en hun heiligdom,
72 5, 28| met vuur verbranden, en te allen tijd in de as laten
73 5, 30| wierook gemengd, bijna om zo te zeggen in een razende gestalte
74 5, 34| borsten, om de laatste melk te zuigen.~
75 6, 1 | heilige God met hem aan te roepen, en bad aldus:~
76 6, 5 | vuur overgaven, om niet te dienen de ijdele afgoden,
77 6, 22| ben, mijn rijk en leven te benemen, heimelijk aanrichtende
78 6, 24| ons in alles alle volken te boven gaan, en dikwijls
79 6, 27| wijn en wat voorts om feest te houdig nodig was, uit te
80 6, 27| te houdig nodig was, uit te reiken; goedvindende dat
81 6, 27| zij meenden het verderf te gevoelen nu met alle vrolijkheid
82 6, 28| en zeer beklagelijke dood te sterven, een maaltijd des
83 6, 31| hen ten verderve, en om te zijn een aas der vogelen
84 6, 34| verzochten verlof om naar huis te gaan.~
85 6, 35| hadden besloten, hen om te brengen van de vijfde van
86 7, 4 | ondervraging en onderzoeking, te doden zijnde verstrikt met
87 7, 4 | wreedheid, als de Scyten plegen te gebruiken.~
88 7, 5 | de Joden beschermde, en te allen tijde voor hen, als
89 7, 8 | zij zich niet om terstond te vertrekken, maar zij baden
90 7, 12| openbare smaadheden aangedaan te hebben.~
91 7, 16| 16 En toen zij te Ptolomaïs met vrede gekomen
92 7, 17| zegenende. En zo vertrokken zij te land en ter zee, en over
93 7, 19| De Verlosser Israëls zij te prijzen in der eeuwigheid.
|