Chapter, Verse
1 1, 1 | waren, dat de plaatsen, die hij bezet had, hem door Antiochus
2 1, 1 | ontnomen waren, zo heeft hij al zijn krijgsvolk, beide
3 1, 3 | tent van Ptolomeüs, opdat hij alleen hem zou ombrengen,
4 1, 7 | aanslag overwonnen had, zo nam hij voor tot de naastgelegene
5 1, 7 | hen te vermanen. En als hij dit gedaan, en de tempelen
6 1, 7 | beschonken had, zo heeft hij zijn onderdanen moedig gemaakt.~
7 1, 8 | wensen, gebeurde het dat hij temeer voornam ten spoedigste
8 1, 9 | 9 En als hij te Jeruzalem kwam, en de
9 1, 10| 10 En als hij ook tot de heilige plaats
10 1, 10| tempel verwonderde, zo nam hij voor en was van zins in
11 1, 11| eenmaal in het jaar, zo liet hij zich nochtans geenszins
12 1, 12| werd, verachtende, hield hij geenszins op zichzelf daar
13 1, 12| te dringen, zeggende, dat hij daar moest ingaan; en hoewel
14 1, 12| mij niet te geschieden; en hij vroeg, waarom niemand van
15 1, 19| wilden het niet toestaan; als hij eindelijk aanhield, en zijn
16 1, 22| 22 Doch hij, zich verstoutende, en alles
17 1, 23| die alle kracht heeft, dat hij in de tegenwoordige nood
18 2, 7 | bekend maaktet, en hem, toen hij Israël najaagde met wagens
19 2, 16| riet van de wind, zodat hij nu op de vloer lag, machteloos,
20 2, 16| noch spreken kon, overmits hij door het rechtvaardig oordeel
21 2, 17| verslagen, en vrezende, dat hij ook het leven zou verliezen,
22 2, 18| 18 Maar als hij een wijle daarna weder tot
23 2, 18| God gestraft zijnde, kwam hij geenszins tot berouw, maar
24 2, 18| geenszins tot berouw, maar hij trok weg met scherpe dreigementen.~
25 2, 19| 19 Toen hij nu in Egypte kwam, en zijn
26 2, 19| afgezonderd waren, zo heeft hij niet alleen zichzelf met
27 2, 19| ontuchtigheden verzadigd, maar hij is ook tot zo grote vermetelheid
28 2, 19| vermetelheid voortgegaan, dat hij lasteringen in alle plaatsen
29 2, 20| 20 En hij nam voor openlijk dit volk
30 2, 20| een toren bij het hof liet hij een pilaar oprichten en
31 2, 22| 22 En opdat hij niet zou schijnen op alle
32 2, 22| verstoord te zijn, zo liet hij daaronder schrijven, dat
33 3, 1 | goddeloze tiran dit vernam, werd hij zo toornig, dat hij niet
34 3, 1 | werd hij zo toornig, dat hij niet alleen vergramd was
35 3, 1 | meer tegenstond, en dat hij gelastte dat men zou haasten,
36 3, 8 | grote God, maar meende dat hij gestadig bij hetzelfde voornemen
37 3, 21| tweeduizend drachmen zilver, ja hij zal ook met vrijheid gekroond
38 4, 9 | koning was geboden, zo heeft hij gelast dat zij hen zouden
39 4, 10| hunner broederen, zo werd hij zeer verstoord, en gelastte,
40 4, 11| 11 Overmits hij hen niet wilde belasten
41 4, 13| zijn onheilige mond prees hij de stomme afgoden, die hem
42 4, 13| tegen de hoogste God sprak hij dingen die niet betamen.~
43 4, 15| 15 En als hij hen te harder dreigde, alsof
44 5, 1 | geroepen, en geboden dat hij de volgende dag al de olifanten,
45 5, 2 | 2 En als hij dit gelast had, begaf hij
46 5, 2 | hij dit gelast had, begaf hij zich weder tot goede sier
47 5, 4 | aangeroepen, biddende dat hij de goddeloze raad tegen
48 5, 5 | de hemel. Hermon nu, als hij de wrede olifanten drinken
49 5, 6 | het aan allen schenkt wie hij wil) gezonden tot de koning.~
50 5, 7 | krachtige werking des Heren werd hij met een zeer zoete en diepe
51 5, 7 | onverzettelijk besluit werd hij grotelijks bedrogen.~
52 5, 8 | lichtelijk laat verzoenen, dat hij de sterkte van zijn machtige
53 5, 9 | genoden sterk aankwamen, ging hij in tot de koning, en stiet
54 5, 9 | opgewekt hebbende, vertoonde hij hem, dat de bestemde tijd
55 5, 9 | maaltijd voorbijging, terwijl hij met hem woorden hierover
56 5, 10| gedaan zijnde, vermaande hij hen zichzelf goed te verlustigen,
57 5, 11| koning Hermon tot zich; en hij vroeg hem met een bitter
58 5, 12| 12 En toen hij aanwees, dat hij diezelfde
59 5, 12| En toen hij aanwees, dat hij diezelfde nacht het bevel
60 5, 12| zulks ook getuigden, sprak hij, die meerder wreedheid had
61 5, 13| 13 Maar zeide hij: Bereid zonder oponthoud
62 5, 16| baden de opperste God, dat hij hen weder haastig wilde
63 5, 18| 18 Maar als hij dit vernam en in het goddeloos
64 5, 18| geslagen werd, zo vroeg hij (als die in alles door God
65 5, 18| voor een zaak was, waarom hij dit met zulk een haast verricht
66 5, 20| 20 Maar hij werd om dezer woorden wil
67 5, 20| de ogen houdende, sprak hij met veel dreigen.~
68 5, 22| vervaarlijk dreigement; en hij ontzette zich in zijn gelaat
69 5, 24| aangericht had, zo vermaande hij dat men zich zou begeven
70 5, 24| begeven tot vrolijkheid, en hij riep Hermon tot zich, en
71 5, 28| onreine eed vast gezworen, dat hij niet alleen dezen zonder
72 5, 28| niet mogen ingaan, zeide hij in der haast met vuur verbranden,
73 5, 30| van mensen vervuld was, is hij naar het hof gegaan, en
74 5, 31| 31 Toen is hij, zijn goddeloos hart met
75 5, 35| Here aller schepselen, dat hij zich over hen met een heerlijke
76 6, 3 | was van dit Egypte (als hij zich verhief met een onbarmhartige
77 6, 18| werd geheel sidderende, en hij vergat zijn toornige en
78 6, 20| vanwege de dingen, die hij tevoren tegen hen bedacht
79 6, 21| 21 Want als hij het geschreeuw hoorde en
80 6, 21| voorover vielen, zo weende hij en dreigde met gramschap
81 7, 10| 10 En hij begreep, dat zij de waarheid
|