Chapter, Verse
1 1, 2 | Antiochus en zijn krijgslieden hun leger hadden.~
2 1, 11| geoorloofd was, noch aan die van hun volk waren, noch ook al
3 1, 13| niet geheel ingaan, hetzij hun lief of leed?~
4 1, 14| Maar als de priesters met hun geheel gewaad nedervielen
5 2, 4 | de reuzen waren, die op hun sterkte en stoutheid vertrouwden)
6 2, 5 | hovaardigheid werkten, en door hun boosheden zeer bekend waren,
7 2, 10| waren, hen geholpen hebt in hun vernedering, en hen verlost
8 2, 14| en straf ons niet door hun onheiligheid, opdat de ongerechtigen
9 2, 14| opdat de ongerechtigen in hun gemoed niet roemen, noch
10 2, 20| hen die niet offerde, in hun tempels zou ingaan, maar
11 2, 21| tekenen, en dat met vuur aan hun lichaam, namelijk met een
12 2, 21| afzonderen tot de vrijheid, hun tevoren bestemd.~
13 2, 25| die van hen afweken waren hun een gruwel, en zij hielden
14 2, 25| hielden hen als vijanden van hun volk, en beroofden hen beiden
15 2, 25| beroofden hen beiden van hun gemeenzame omgang en voorrechten.~ ~
16 3, 3 | Joden afgezonderd, en van hun gemeenschap afgekeerd; waarom
17 3, 3 | gehouden werden; maar omdat zij hun handel en wandel met de
18 3, 7 | en alles toebrengen tot hun hulp.~
19 3, 11| die nooit ophouden van hun onzinnigheid, te vereren;~
20 3, 12| hadden in het binnenste van hun tempel in te gaan, en die
21 3, 12| zij, gedreven zijnde door hun oude opgeblazenheid, ons
22 3, 13| vriendschap hebben, maar hun vijandelijk gemoed jegens
23 3, 13| die alleen onder de volken hun hals opheffen tegen de koningen,
24 3, 13| opheffen tegen de koningen, en hun eigen genadige heren.~
25 3, 14| 14 Wij nochtans zijn hun uitzinnigheid ontweken,
26 3, 15| wij aan allen bekend bij hun landslieden, dat wij het
27 3, 15| bondgenootschap, als ook omdat hun van overoude tijden talloos
28 3, 15| eenvoudigheid toevertrouwd waren, hun staat in beter te veranderen,
29 3, 16| altijd, dat wij door dit hun zeer oneerlijk leven onze
30 4, 1 | welke in vorige tijden hun in het gemoed als vereeld
31 4, 2 | een gedurige droefheid, en hun gekrijt was jammerlijk,
32 4, 2 | met tranen en zuchten, hun hart brandde alleszins,
33 4, 4 | verandering van dit leven, hun zeer ellendige wegzending
34 4, 7 | En haar mannen waren in hun bloeiende jeugd om de halzen
35 4, 7 | als die reeds de dood voor hun ogen gesteld zagen.~
36 4, 8 | het hoofd gelegd, opdat hun ogen alleszins zouden verblind
37 4, 10| ganse geslacht der Joden met hun namen zou beschrijven.~
38 4, 12| 12 Zo geschiedde dan hun beschrijving met veel naarstigheid,
39 4, 14| niet langer konden doen, om hun ontelbare menigte, dewijl
40 4, 15| die zij zouden gebruiken hun reeds ontbraken.~
41 5, 4 | heerser over alle macht, hun barmhartige God en Vader,
42 5, 4 | tranen, zonder ophouden met hun stemmen aangeroepen, biddende
43 5, 4 | hen uit de dood, die voor hun voeten bereid was, met een
44 5, 5 | 5 En hun gedurig gebed klom op in
45 5, 8 | ontkomen waren, prezen zij hun heilige God; en zij baden
46 5, 16| waren die ganse tijd in hun gemoed bekommerd; met vele
47 5, 21| de onschuldige Joden, die hun gestadige en standvastige
48 5, 21| uw dienst) gij Hermon in hun plaats van uw leven nul
49 5, 28| zwaard te gronde werpen, en hun heiligdom, waar zij de offeranden
50 5, 32| het laatste ogenblik van hun leven was, en het einde
51 5, 33| bloedverwanten, de vaders, namelijk hun zonen, en de moeders haar
52 5, 35| gedachten de verlossingen, die hun uit de hemel tevoren geschied
53 5, 35| zijn zij eendrachtig op hun aangezichten gevallen, en
54 6, 5 | die in Babylonië waren, en hun lichamen gewillig aan het
55 6, 5 | gij zondt de vlam tot al hun tegenpartijders.~
56 6, 9 | verderft, en zeggen: Ook hun God heeft hen niet verlost.~
57 6, 13| der, jonge kinderen, en hun ouders, en dat met tranen;
58 6, 25| hen terug met vrede naar hun plaatsen, en bidt af hetgeen
59 6, 26| loofden de heilige God, hun behouder, als zij de dood
60 6, 27| vrolijkheid de feestdagen van hun behoud zouden houden.~
61 6, 28| deelden zij de plaats af, die hun ten val en ten grave bereid
62 6, 31| zichzelf vervuld, omdat hun snorkende stoutheid met
63 6, 33| en besloten dat men in al hun woningen van eeuw tot eeuw
64 6, 33| maar om de verlossing, die hun van God geschied was.~
65 6, 36| maaltijd gehouden, en alles is hun door de koning toegereikt,
66 6, 37| hem gesproken hebben over hun vertrek; en de koning hen
67 7, 5 | hebben jegens alle mensen, hun nauwelijks het leven konden
68 7, 6 | niemand in enige plaats hun enigszins leed doe, noch
69 7, 6 | iets verwijte over hetgeen hun buiten recht en reden wedervaren
70 7, 10| en prees hen ook, en gaf hun macht over alle zodanigen
71 7, 11| het betaamde) gedankt; en hun priesters, en de gehele
72 7, 12| 12 En zo straften zij hun medeburgers, die zich verontreinigd
73 7, 12| hadden, en die op de weg in hun handen vielen, en zij sloegen
74 7, 15| waar op hen een vloot, naar hun algemeen goedvinden zeven
75 7, 15| een vreugdemaaltijd van hun behoud, want de korting
76 7, 17| hadden meer macht tegen hun vijanden, dan tevoren, met
77 7, 18| door niemand enigszins van hun goederen verstoten, maar
78 7, 18| opperste God grote daden tot hun behoud gedaan had.~
|