Chapter, Verse
1 1, 1 | ontnomen waren, zo heeft hij al zijn krijgsvolk, beide te voet
2 1, 2 | 2 En nam zijn zuster Arsinoë met zich,
3 1, 2 | gelegen, waar Antiochus en zijn krijgslieden hun leger hadden.~
4 1, 4 | onbeduidend mens in de tent in zijn plaats gesteld, en het gebeurde,
5 1, 4 | en het gebeurde, dat deze zijn straf droeg.~
6 1, 7 | beschonken had, zo heeft hij zijn onderdanen moedig gemaakt.~
7 1, 12| hoewel zij van de eer beroofd zijn, zo behoort het nochtans
8 1, 15| 15 Ook zijn de dochters, die in haar
9 1, 19| hij eindelijk aanhield, en zijn voornemen dacht te volbrengen,
10 1, 21| stonden, beproefden alleszins zijn hovaardig gemoed van de
11 2, 11| zonden onderdrukt, en wij zijn onze vijanden onderworpen,
12 2, 14| tongen hoogmoed vrolijk zijn, zeggende: Wij hebben het
13 2, 15| nedergevallen en gebroken zijn van harte, ons namelijk
14 2, 16| machteloos, en ook lam aan zijn leden, noch spreken kon,
15 2, 17| 17 Daarom werden beide zijn vrienden en lijfwachten,
16 2, 19| hij nu in Egypte kwam, en zijn boosheid vermeerderde, en
17 2, 19| vermeerderde, en met hulp van zijn medehelpers en metgezellen,
18 2, 19| die tevoren aangewezen zijn, en van alle gerechtigheid
19 2, 19| konings voorstel, ook zelf zijn wil volgden.~
20 2, 22| alle Joden verstoord te zijn, zo liet hij daaronder schrijven,
21 3, 3 | omdat zij God dienden, en in zijn wet wandelden, zo hebben
22 3, 4 | met de koning, noch met zijn machten verzoenbaar waren,
23 3, 11| renten uitgedeeld hadden, zo zijn wij ook te Jeruzalem gekomen,
24 3, 14| 14 Wij nochtans zijn hun uitzinnigheid ontweken,
25 3, 14| uitzinnigheid ontweken, en zijn met overwinning gekomen,
26 3, 16| die ons oprecht welgezind zijn, en zij hopen altijd, dat
27 3, 17| 17 Daarom zijn wij door zekere merktekenen
28 3, 17| manier ons kwalijk gezind zijn, en voorziende, dat mogelijk
29 3, 18| deze brief zal ontvangen zijn, dat men op diezelfde ure,
30 3, 18| allen die daarin getekend zijn met vrouwen en kinderen
31 3, 18| die zulke vijanden waardig zijn.~
32 3, 19| tegelijk gestraft zullen zijn, zo achten wij, dat in toekomende
33 3, 20| zuigende toe, die zal met zijn ganse huisgezin met de schandelijkste
34 4, 9 | zien; opdat zij noch met zijn krijgsvolk gemeenschap zouden
35 4, 13| maaltijden voor alle afgoden; zijn hart was verre van de waarheid
36 4, 13| waarheid afgedwaald, en met zijn onheilige mond prees hij
37 5, 1 | die drank verwoed zouden zijn, dat men hen de Joden tegemoet
38 5, 4 | hulp schenen ontbloot te zijn, omdat zij alom met banden
39 5, 7 | diepe slaap bevangen, en zijn onrechtvaardig voornemen
40 5, 7 | mislukte hem zeer, en in zijn onverzettelijk besluit werd
41 5, 8 | dat hij de sterkte van zijn machtige hand aan de hoogmoedige
42 5, 12| bevel had volbracht, en zijn vrienden zulks ook getuigden,
43 5, 14| keerden een ieder weder naar zijn eigen huis; en zij gebruikten
44 5, 19| grote beesten en het heer, zijn naar uw heftig voornemen,
45 5, 20| grimmigheid, overmits al zijn gedachten aangaande deze
46 5, 21| dat wij tezamen opgevoed zijn, en om uw dienst) gij Hermon
47 5, 22| en hij ontzette zich in zijn gelaat en aangezicht; en
48 5, 22| heengaan, een ieder tot zijn arbeid.~
49 5, 24| Als nu de koning naar deze zijn wijze van doen weder een
50 5, 25| daar mede aanzaten, over zijn ongestadig gemoed zich verwonderende,
51 5, 27| achtende de veranderingen van zijn gemoed, die in hem door
52 5, 29| 29 Toen zijn de vrienden en magen zeer
53 5, 31| 31 Toen is hij, zijn goddeloos hart met grote
54 5, 31| een wreed gemoed, en met zijn ogen wilde aanschouwen de
55 5, 35| tevoren geschied waren, zijn zij eendrachtig op hun aangezichten
56 6, 1 | die nu in ouderdom tot zijn jaren gekomen, en met alle
57 6, 3 | tong) in de zee gestort met zijn hovaardige heerkracht en
58 6, 4 | Assyrië, Sanherib, die op zijn talloze heerkrachten pochte
59 6, 4 | spies het ganse land onder zijn gebied gekregen had, en
60 6, 6 | versmolt, ongekwetst aan al zijn huisgenoten vertoond.~
61 6, 7 | van het geslacht Israëls zijn, hetwelk door deze gruwelijke
62 6, 17| almachtige, en waarachtige God zijn heilig aanschijn vertoond,
63 6, 18| sidderende, en hij vergat zijn toornige en grote stoutmoedigheid.~
64 6, 21| en dreigde met gramschap zijn vrienden, zeggende: alle
65 6, 23| onredelijk een ieder van zijn huis afgevoerd en herwaarts
66 6, 27| tot zich de ontvanger van zijn inkomsten en gelastte aan
67 6, 31| hen ten verderve, en om te zijn een aas der vogelen gesteld
68 6, 35| heerser aller schepselen zijn barmhartigheid zeer heerlijk
69 7, 1 | des lands zaken gesteld zijn, geluk en voorspoed; wij
70 7, 2 | Joden die in ons koninkrijk zijn, op een hoop zouden doen
71 7, 3 | totdat dit zou volbracht zijn.~
72 7, 5 | hen, als een vader voor zijn kinderen, streed; ook overleggende
73 7, 9 | nimmer welgezind zouden zijn tot de geboden des konings.~
74 7, 10| hadden, in alle plaatsen van zijn koninkrijk vrij zonder enige
75 7, 17| rivieren, een ieder naar zijn huis ongedeerd, vrij en
|