Chapter, Verse
1 1, 3 | aanslag te voltrekken, nam tot zich de beste uit de wapenen
2 1, 3 | en begaf zich des nachts tot de tent van Ptolomeüs, opdat
3 1, 7 | overwonnen had, zo nam hij voor tot de naastgelegene steden
4 1, 8 | de raad en uit de oudsten tot hem hadden afgezonden om
5 1, 8 | temeer voornam ten spoedigste tot hen te reizen.~
6 1, 10| 10 En als hij ook tot de heilige plaats kwam,
7 1, 20| zo begaven zij zich weder tot dezelfde plicht des gebeds.~
8 2, 1 | de handen uitstrekkende tot de hemel, deed een zodanig
9 2, 5 | verbrand, hen stellende tot een voorbeeld aan de komende
10 2, 9 | 9 En uit liefde tot het huis Israëls hebt gij
11 2, 13| 13 Want tot uw woning voorwaar, namelijk
12 2, 18| hij een wijle daarna weder tot zichzelf kwam, hoewel door
13 2, 18| zijnde, kwam hij geenszins tot berouw, maar hij trok weg
14 2, 19| verzadigd, maar hij is ook tot zo grote vermetelheid voortgegaan,
15 2, 20| onder het volk beschreven, tot een slaafse staat weggevoerd
16 2, 21| die men ook zou afzonderen tot de vrijheid, hun tevoren
17 3, 2 | zijnde de boze lieden, die tot het kwaaddoen eensgezind
18 3, 2 | kwaaddoen eensgezind waren, tot dit voor nemen oorzaak gegeven,
19 3, 3 | de Joden onderhielden wel tot de koningen een onveranderlijke
20 3, 7 | handelden, heimelijk enigen tot zich trekkende, en deden
21 3, 7 | beschermen, en alles toebrengen tot hun hulp.~
22 3, 16| boosaardigheid verwerpende, en tot het kwaad alle tijd genegen
23 3, 17| goddeloze mensen van achteren tot verraders zouden hebben,
24 3, 17| verraders zouden hebben, en tot barbaarse vijanden.~
25 3, 18| en plagen ons toezenden, tot een onafbiddelijke en schandelijke
26 3, 20| beschermen zal, van de oudste tot de jongste, ja tot de zuigende
27 3, 20| oudste tot de jongste, ja tot de zuigende toe, die zal
28 4, 6 | vrouwen, die zich onlangs tot de huwelijke staat begeven
29 4, 6 | zijnde, werden zij openlijk tot binnen in het schip met
30 4, 12| zitten van de opgang der zon tot derzelver ondergang, en
31 5, 1 | der olifanten bevolen was, tot zich geroepen, en geboden
32 5, 2 | had, begaf hij zich weder tot goede sier te maken, en
33 5, 5 | kwam des morgens vroeg tot des konings hof, om de koning
34 5, 6 | schenkt wie hij wil) gezonden tot de koning.~
35 5, 9 | sterk aankwamen, ging hij in tot de koning, en stiet hem
36 5, 11| zo riep de koning Hermon tot zich; en hij vroeg hem met
37 5, 13| volgende dag de olifanten tot het verderf der gruwelijke
38 5, 15| de ganse stad vergaderde tot dit zeer ellendig schouwspel,
39 5, 16| strekten zij de handen uit tot de hemel, en baden de opperste
40 5, 21| zichzelf voor de wrede beesten tot een overvloedige spijs bereid
41 5, 22| waren, heengaan, een ieder tot zijn arbeid.~
42 5, 24| dat men zich zou begeven tot vrolijkheid, en hij riep
43 5, 24| vrolijkheid, en hij riep Hermon tot zich, en sprak met dreigen:
44 5, 24| tegen morgen de olifanten tot het verderf der Joden.~
45 5, 27| gemoed, die in hem door God, tot verschoning der Joden, waren
46 5, 29| geschiktste plaatsen der stad tot bewaring.~
47 5, 30| gegaan, en heeft de koning tot de voorgenomen zaak aangepord.~
48 5, 33| 33 En zij keerden zich tot geklag en kusten en omhelsden
49 6, 1 | land, die nu in ouderdom tot zijn jaren gekomen, en met
50 6, 5 | maar gij zondt de vlam tot al hun tegenpartijders.~
51 6, 6 | leeuwen voorgeworpen was, tot spijs der wilde dieren,
52 6, 16| gaven, en het ganse heer tot een onbedwingelijk schreien
53 6, 24| beginne aan in goedwilligheid tot ons in alles alle volken
54 6, 25| die van onze voorouders af tot nu toe onze zaken een voorspoedige
55 6, 27| weder in de stad, en riep tot zich de ontvanger van zijn
56 6, 29| stelden vrolijke reien aan tot een teken der vreedzame
57 6, 33| al hun woningen van eeuw tot eeuw de voornoemde dagen,
58 6, 34| 34 Daarna gingen zij tot de koning en verzochten
59 6, 35| dag van de maand Pachon tot de vierde van de maand Epif
60 6, 35| vijfde van de maand Epif tot de zevende toe, drie dagen
61 6, 36| door de koning toegereikt, tot de veertiende dag toe;~
62 7, 6 | gelast, en gelasten dat zij tot al het hunne mogen wederkeren,
63 7, 7 | in alles onvermijdelijk tot onze wederpartij zullen
64 7, 7 | wederpartij zullen hebben, tot wraak van zulk een doen.
65 7, 9 | nimmer welgezind zouden zijn tot de geboden des konings.~
66 7, 14| 14 Maar zij, die tot de dood toe zich aan God
67 7, 15| Als zij nu gekomen waren tot de stad Ptolomaïs, om de
68 7, 15| een ieder alle nooddruft tot de reis, totdat zij thuis
69 7, 17| 17 Aan welke zij ook tot een heilig gebruik in een
70 7, 18| opperste God grote daden tot hun behoud gedaan had.~
|