Chapter, Verse
1 1, 7 | naastgelegene steden te gaan, en hen te vermanen. En als hij
2 1, 8 | voornam ten spoedigste tot hen te reizen.~
3 1, 14| de hoogste God baden, om hen in die aanstaande nood te
4 2, 4 | vertrouwden) vernield, over hen brengende een onmetelijk
5 2, 5 | vuur en zwavel verbrand, hen stellende tot een voorbeeld
6 2, 10| onze vaders verdrukt waren, hen geholpen hebt in hun vernedering,
7 2, 10| hebt in hun vernedering, en hen verlost hebt uit grote ellende.~
8 2, 20| insnijden, dat niemand onder hen die niet offerde, in hun
9 2, 22| schrijven, dat zo enigen onder hen verkozen om te gaan met
10 2, 25| 25 En die van hen afweken waren hun een gruwel,
11 2, 25| een gruwel, en zij hielden hen als vijanden van hun volk,
12 2, 25| van hun volk, en beroofden hen beiden van hun gemeenzame
13 3, 1 | alle Joden vergaderen, en hen met de snoodste dood van
14 3, 2 | gegeven, alsof de Joden hen verhinderden in het onderhouden
15 3, 4 | koninkrijk; zo bezwaarden zij hen rondom met geen gewone verachting.~
16 3, 6 | 6 Maar zij hebben hen getroost, en namen het zeer
17 3, 7 | en vrienden, en die met hen handelden, heimelijk enigen
18 3, 7 | deden beloften, dat zij hen mede wilden beschermen,
19 3, 8 | blijven, ja schreef tegen hen deze brief:~
20 3, 10| goedertieren te behandelen, en hen gaarne goed te doen.~
21 3, 15| beter te veranderen, en hen wilden aannemen, in de gemeenschap
22 3, 16| van die weinigen onder hen, die ons oprecht welgezind
23 4, 2 | verderf, hetwelk jegens hen zo schielijk besloten was.~
24 4, 9 | heeft hij gelast dat zij hen zouden legeren op het rijveld
25 4, 9 | kwamen, en voor degenen onder hen, die buiten naar het land
26 4, 11| 11 Overmits hij hen niet wilde belasten met
27 4, 11| dienst een weinig tevoren aan hen bekend gemaakt, maar pijnigen
28 4, 15| 15 En als hij hen te harder dreigde, alsof
29 5, 1 | verwoed zouden zijn, dat men hen de Joden tegemoet zou voeren
30 5, 1 | Joden tegemoet zou voeren om hen te doden.~
31 5, 3 | voorts wat te doen was om hen te verzekeren, menende dat
32 5, 4 | de goddeloze raad tegen hen genomen wilde afkeren, en
33 5, 4 | genomen wilde afkeren, en hen uit de dood, die voor hun
34 5, 10| gedaan zijnde, vermaande hij hen zichzelf goed te verlustigen,
35 5, 16| de opperste God, dat hij hen weder haastig wilde helpen.~
36 5, 25| nu ten derden male gelast hen uit te roeien, en weder
37 5, 32| meenden zij, dat dit voor hen het laatste ogenblik van
38 5, 35| schepselen, dat hij zich over hen met een heerlijke verschijning
39 6, 5 | begoten, dat niet een haar aan hen gekrenkt is, maar gij zondt
40 6, 9 | 9 Laat hen, die maar ijdelheid bedenken,
41 6, 9 | zeggen: Ook hun God heeft hen niet verlost.~
42 6, 14| gij gezegd hebt, dat gij hen, ook zijnde in het land
43 6, 18| verschrikking, en verstrikten hen met onbewegelijke boeien,
44 6, 19| vertrapten en vernielden hen.~
45 6, 20| dingen, die hij tevoren tegen hen bedacht had.~
46 6, 25| onrechtvaardige handen, zendt hen terug met vrede naar hun
47 6, 25| af hetgeen door u jegens hen tevoren gedaan is. Laat
48 6, 27| inkomsten en gelastte aan hen, zeven dagen lang, wijn
49 6, 31| En degenen, die tevoren hen ten verderve, en om te zijn
50 6, 35| nu van de koning hadden hen beschreven van de vijfentwintigste
51 6, 35| en zij hadden besloten, hen om te brengen van de vijfde
52 6, 35| zeer heerlijk bewezen, en hen allen tezamen ongedeerd
53 6, 37| hun vertrek; en de koning hen prijzende, schreef met grootmoedigheid
54 6, 37| met grootmoedigheid voor hen de volgende brief, aan de
55 7, 2 | zouden doen bijeenkomen en hen met vreemde straffen, gelijk
56 7, 4 | 4 Dewelke hen ook gebonden, en met veel
57 7, 5 | 5 En wij, hoewel hen over deze zaken zeer hard
58 7, 5 | en te allen tijde voor hen, als een vader voor zijn
59 7, 5 | bewijzen, zo hebben wij hen met recht vrijgesproken
60 7, 5 | vrijgesproken en spreken hen vrij van alle beschuldiging,
61 7, 7 | weten, is het dat wij tegen hen iets kwaads zullen bedenken
62 7, 7 | kwaads zullen bedenken of hen enigszins zullen bedroeven,
63 7, 8 | God verlaten hadden, door hen mochten ontvangen behoorlijke
64 7, 10| waarheid zeiden, en prees hen ook, en gaf hun macht over
65 7, 12| handen vielen, en zij sloegen hen dood na hen vele openbare
66 7, 12| zij sloegen hen dood na hen vele openbare smaadheden
67 7, 15| genaamd Rhodoforos, waar op hen een vloot, naar hun algemeen
68 7, 18| het hunne hadden, het aan hen met zeer grote vrees wedergaven,
|