Chapter, Verse
1 1, 1 | degenen die wedergekeerd waren, dat de plaatsen, die hij
2 1, 1 | door Antiochus ontnomen waren, zo heeft hij al zijn krijgsvolk,
3 1, 3 | die hem tevoren betrouwd waren, en begaf zich des nachts
4 1, 5 | de zaken meer voorspoedig waren aan de zijde van Antiochus,
5 1, 11| noch aan die van hun volk waren, noch ook al de priesters
6 1, 12| van die daar tegenwoordig waren hem verhinderd had, in de
7 1, 14| in de stad overgebleven waren en kwamen uitgelopen, denkende
8 1, 15| in haar kamers besloten waren, met haar moeders uitgelopen,
9 1, 16| die ook onlangs uitgelaten waren, verlieten niet alleen degenen,
10 1, 16| degenen, die verordineerd waren om de koning tegemoet te
11 1, 18| die daarin tezamen gekomen waren, tegen hetgeen onheilig
12 1, 20| raad en de oudsten gestild waren, zo begaven zij zich weder
13 2, 4 | onder welke ook de reuzen waren, die op hun sterkte en stoutheid
14 2, 5 | hun boosheden zeer bekend waren, met vuur en zwavel verbrand,
15 2, 10| als onze vaders verdrukt waren, hen geholpen hebt in hun
16 2, 19| gerechtigheid afgezonderd waren, zo heeft hij niet alleen
17 2, 25| 25 En die van hen afweken waren hun een gruwel, en zij hielden
18 3, 1 | die in het gehele land waren, meer tegenstond, en dat
19 3, 2 | deze dingen geordineerd waren, zo werd een gruwelijk gerucht
20 3, 2 | het kwaaddoen eensgezind waren, tot dit voor nemen oorzaak
21 3, 3 | gerechtigheid versierden, zo waren zij bij alle mensen geprezen.~
22 3, 4 | zijn machten verzoenbaar waren, maar dat zij gruwelijk
23 3, 4 | maar dat zij gruwelijk waren, en grote vijanden van het
24 3, 5 | Grieken, die in de stad waren, wie gans geen leed geschied
25 3, 15| vergeten, en dat wij willens waren, zowel om het bondgenootschap,
26 3, 15| eenvoudigheid toevertrouwd waren, hun staat in beter te veranderen,
27 4, 2 | 2 Maar de Joden waren in een gedurige droefheid,
28 4, 5 | van oudheid traag en krom waren en dreven die met een geweldig
29 4, 7 | 7 En haar mannen waren in hun bloeiende jeugd om
30 4, 9 | voormelde schip gebracht waren, en het overvoeren voltrokken
31 4, 14| hier en daar in het land waren, sommigen nog blijvende
32 4, 15| zij met giften omgekocht waren om de Joden te doen ontvluchten,
33 5, 1 | die vijfhonderd in getal waren, vele handen vol wierook
34 5, 2 | de Joden vijandig gezind waren; de overste nu der olifanten,
35 5, 4 | en benauwdheid omvangen waren, hebben allen de almachtige
36 5, 8 | tevoren betekende ure ontkomen waren, prezen zij hun heilige
37 5, 9 | die ter maaltijd gekomen waren, tegenover hem aanzitten.~
38 5, 14| allen die daar tegenwoordig waren hem tegelijk, gaarne en
39 5, 16| 16 Maar de Joden waren die ganse tijd in hun gemoed
40 5, 20| voorzienigheid verstrooid waren, en op hem de ogen houdende,
41 5, 22| degenen, die daar vergaderd waren, heengaan, een ieder tot
42 5, 27| tot verschoning der Joden, waren geschied,~
43 5, 35| de hemel tevoren geschied waren, zijn zij eendrachtig op
44 5, 35| poorten des doods gesteld waren.~ ~
45 6, 5 | metgezellen, die in Babylonië waren, en hun lichamen gewillig
46 6, 11| goddelozen, alsof wij verraders waren, worden.~
47 6, 26| als zij de dood ontkomen waren.~
48 6, 28| veel meer daarin gegaan waren), in plaats van een bittere
49 6, 31| hadden, die zuchtten nu, en waren met schaamte in zichzelf
50 7, 15| 15 Als zij nu gekomen waren tot de stad Ptolomaïs, om
51 7, 16| Ptolomaïs met vrede gekomen waren, in behoorlijke dankzegging,
52 7, 17| des konings gebod behouden waren en zij hadden meer macht
|