Chapter, Verse
1 2, 2 | Heerser aller schepselen, gij Heilige in het heiligdom,
2 2, 2 | Heilige in het heiligdom, gij enige Heerser, gij Almachtige
3 2, 2 | heiligdom, gij enige Heerser, gij Almachtige zie ons aan,
4 2, 3 | 3 Want gij, die alles geschapen, en
5 2, 3 | aller dingen macht hebt, gij zijt een rechtvaardig vorst,
6 2, 3 | hoogmoed iets doet, oordeelt gij.~
7 2, 4 | 4 Gij hebt degenen die in vorige
8 2, 5 | 5 Gij hebt de Sodomieten, toen
9 2, 6 | 6 Gij hebt de trotse Faraö, die
10 2, 7 | 7 Na welke straffen gij uw grote kracht bekend maaktet,
11 2, 7 | Here zijt, betrouwden, hebt gij behouden daardoor gevoerd;
12 2, 8 | 8 Gij hebt, o Koning, die de oneindige
13 2, 8 | geheiligd u ten naam, hoewel gij geen ding behoeft; en hebt
14 2, 9 | tot het huis Israëls hebt gij beloofd, indien wij ons
15 2, 9 | plaats kwamen, en aanbaden, gij ons gebed zoudt verhoren.~
16 2, 10| 10 Nu voorwaar, gij zijt getrouw en waarachtig,
17 2, 10| en waarachtig, nademaal gij dikwijls, als onze vaders
18 2, 13| volk Israël zij, zo hebt gij deze plaats geheiligd.~
19 5, 21| opgevoed zijn, en om uw dienst) gij Hermon in hun plaats van
20 5, 24| en sprak met dreigen: O gij ellendige, hoe dikwijls
21 5, 25| koning, hoe, lang verzoekt gij ons als onverstandigen?
22 5, 25| ons als onverstandigen? gij hebt nu ten derden male
23 5, 25| weder op de daad zo herroept gij, uit verandering, wat gij
24 5, 25| gij, uit verandering, wat gij bevolen hebt;~
25 6, 2 | 2 O machtige Koning, gij opperste en almachtige God,
26 6, 3 | 3 Gij hebt Farao, die vele wagens
27 6, 4 | 4 Gij hebt de machtige koning
28 6, 4 | lasterlijke woorden sprak, gij, Here, hebt hem gebroken
29 6, 5 | 5 Gij hebt de drie metgezellen,
30 6, 5 | aan hen gekrenkt is, maar gij zondt de vlam tot al hun
31 6, 6 | 6 Gij hebt Daniël, die door nijdige
32 6, 6 | in het licht gebracht; en gij hebt, o Vader, Jona, die
33 6, 7 | 7 Nu dan, o God, gij vijand van overlast, gij
34 6, 7 | gij vijand van overlast, gij barmhartige, gij beschermer
35 6, 7 | overlast, gij barmhartige, gij beschermer aller dingen,
36 6, 8 | hand dezer vijanden, en gij zelf, Here, verderf ons
37 6, 9 | zegenen de ijdele afgoden, als gij uw geliefden verderft, en
38 6, 10| 10 Maar gij eeuwige Here, gij die macht
39 6, 10| 10 Maar gij eeuwige Here, gij die macht hebt, zie ons
40 6, 12| 12 Gij heerlijke God, laat toch
41 6, 12| verschrikken zich verwonderen, gij die macht hebt over het
42 6, 13| alle volken blijken, dat gij met ons zijt, Here, en dat
43 6, 13| met ons zijt, Here, en dat gij uw aangezicht van ons niet
44 6, 14| 14 Maar gelijk gij gezegd hebt, dat gij hen,
45 6, 14| gelijk gij gezegd hebt, dat gij hen, ook zijnde in het land
46 6, 22| 22 Gij misbruikt de koning, en
47 6, 22| wreedheid overtroffen, en gij neemt voor ook mijzelf,
48 7, 7 | 7 Want gij zult weten, is het dat wij
|