Chapter, Verse
1 1, 4 | 4 Maar Dositheüs, genoemd de zoon
2 1, 11| 11 Maar als dezen hem zeiden, dat
3 1, 11| van alle priesters, en dat maar eenmaal in het jaar, zo
4 1, 14| 14 Maar als de priesters met hun
5 1, 16| koning tegemoet te gaan, maar ook haar betamelijke schaamte,
6 1, 21| tevoren, bezig met bidden, maar de oudsten, die om de koning
7 1, 25| dat niet alleen de mensen, maar ook de muren, ja de gehele
8 2, 7 | zinken in de diepte der zee, maar die op u, die aller schepselen
9 2, 11| 11 Maar nu, o heilige Koning, zie
10 2, 18| 18 Maar als hij een wijle daarna
11 2, 18| hij geenszins tot berouw, maar hij trok weg met scherpe
12 2, 19| ontuchtigheden verzadigd, maar hij is ook tot zo grote
13 2, 20| hun tempels zou ingaan, maar dat al de Joden, onder het
14 3, 1 | vergramd was tegen Alexandrië, maar ook de anderen, die in het
15 3, 3 | 3 Maar de Joden onderhielden wel
16 3, 3 | vijanden gehouden werden; maar omdat zij hun handel en
17 3, 4 | onder allen geroemd was, maar het verschil nopens de aanbidding
18 3, 4 | machten verzoenbaar waren, maar dat zij gruwelijk waren,
19 3, 5 | 5 Maar de Grieken, die in de stad
20 3, 6 | 6 Maar zij hebben hen getroost,
21 3, 8 | kracht van de grote God, maar meende dat hij gestadig
22 3, 10| niet met geweld van wapen maar met zachtheid en veel vriendelijkheid
23 3, 12| tegenwoordigheid vriendelijk ontvangen, maar inderdaad met valse harten;
24 3, 13| mensen vriendschap hebben, maar hun vijandelijk gemoed jegens
25 3, 16| 16 Maar zij het tegendeel hopende,
26 3, 16| van burgerschap verstoten, maar zij hebben ook een afkeer,
27 4, 2 | 2 Maar de Joden waren in een gedurige
28 4, 11| aan hen bekend gemaakt, maar pijnigen met de gedreigde
29 4, 13| konden toespreken of helpen; maar tegen de hoogste God sprak
30 5, 6 | 6 Maar God heeft een slaap (de
31 5, 13| 13 Maar zeide hij: Bereid zonder
32 5, 16| 16 Maar de Joden waren die ganse
33 5, 18| 18 Maar als hij dit vernam en in
34 5, 20| 20 Maar hij werd om dezer woorden
35 5, 25| 25 Maar de bloedvrienden, die daar
36 5, 28| en zo ten grave zenden, maar ook tegen Judea een heerleger
37 6, 5 | haar aan hen gekrenkt is, maar gij zondt de vlam tot al
38 6, 9 | 9 Laat hen, die maar ijdelheid bedenken, niet
39 6, 10| 10 Maar gij eeuwige Here, gij die
40 6, 14| 14 Maar gelijk gij gezegd hebt,
41 6, 32| 32 Maar de Joden gelijkerwijs wij
42 6, 33| drinkerij en brasserij, maar om de verlossing, die hun
43 7, 7 | dat wij niet een mens, maar de hoogste God, de heerser
44 7, 8 | terstond te vertrekken, maar zij baden de koning, dat
45 7, 14| 14 Maar zij, die tot de dood toe
46 7, 18| hun goederen verstoten, maar zij allen kregen allen het
|