Chapter, Verse
1 1, 1 | 1 Als de koning Filopator verstond van degenen
2 1, 13| dat geschied is, zeide de koning, om welke oorzaak zou ik
3 1, 16| verordineerd waren om de koning tegemoet te gaan, maar ook
4 1, 21| maar de oudsten, die om de koning stonden, beproefden alleszins
5 1, 23| Waarom degenen, die om de koning stonden, als zij dit zagen
6 2, 2 | 2 O Here, Here, o Koning der hemelen en Heerser aller
7 2, 8 | 8 Gij hebt, o Koning, die de oneindige en onmetelijke
8 2, 11| 11 Maar nu, o heilige Koning, zie wij worden vanwege
9 2, 12| poogt deze stoute en onreine koning deze heilige plaats, die
10 2, 23| zij zouden hebben met de koning.~
11 3, 4 | dat die mensen noch met de koning, noch met zijn machten verzoenbaar
12 3, 8 | 8 Verder de koning, door de tegenwoordige voorspoed
13 3, 9 | 9 De koning Ptolomeüs Filopator wenst
14 4, 9 | gelijkerwijs het door de koning was geboden, zo heeft hij
15 4, 10| dit geschied was, en de koning hoorde, dat der Joden landslieden
16 4, 13| 13 Intussen was de koning grotelijks en gestadig vervuld
17 4, 14| boodschapten de schrijvers de koning, dat zij de beschrijving
18 5, 1 | 1 Toen heeft de koning, vol van grote toom, en
19 5, 5 | tot des konings hof, om de koning deze zaken te kennen te
20 5, 6 | hij wil) gezonden tot de koning.~
21 5, 9 | aankwamen, ging hij in tot de koning, en stiet hem aan, en hem
22 5, 9 | wisselde; welke rede, de koning bedenkende, keerde zich
23 5, 11| meer voortging, zo riep de koning Hermon tot zich; en hij
24 5, 14| 14 Toen nu de koning dit gezegd had, prezen allen
25 5, 17| niet, en Hermon, als de koning de vrienden ontving, stond
26 5, 19| toonden hem en zeiden: O koning, de grote beesten en het
27 5, 23| Joden, deze dingen van de koning verstaan hebbende, prezen
28 5, 23| heerlijke God, de Here en Koning der koningen, als die ook
29 5, 24| 24 Als nu de koning naar deze zijn wijze van
30 5, 25| spraken deze woorden: O koning, hoe, lang verzoekt gij
31 5, 27| 27 Zo heeft de koning, die in alles een tweede
32 5, 30| hof gegaan, en heeft de koning tot de voorgenomen zaak
33 6, 2 | 2 O machtige Koning, gij opperste en almachtige
34 6, 4 | 4 Gij hebt de machtige koning van Assyrië, Sanherib, die
35 6, 15| het gebed ophield, kwam de koning met de beesten, en het gruwelijk
36 6, 22| 22 Gij misbruikt de koning, en hebt de tirannen in
37 6, 26| 26 En dit sprak de koning; en zij werden van stonden
38 6, 27| 27 Daarna keerde de koning weder in de stad, en riep
39 6, 30| Desgelijks hield ook de koning om dezer zaken wil een grote
40 6, 34| Daarna gingen zij tot de koning en verzochten verlof om
41 6, 35| 35 De dienaars nu van de koning hadden hen beschreven van
42 6, 36| en alles is hun door de koning toegereikt, tot de veertiende
43 6, 37| over hun vertrek; en de koning hen prijzende, schreef met
44 7, 1 | 1 De koning Ptolomeüs Filopator wenst
45 7, 8 | vertrekken, maar zij baden de koning, dat degenen, die uit het
46 7, 11| 11 Toen hebben zij de koning (gelijk het betaamde) gedankt;
|