Chapter, Verse
1 1, 3 | en op die wijze een einde aan de krijg maken.~
2 1, 5 | zaken meer voorspoedig waren aan de zijde van Antiochus,
3 1, 6 | vijanden in het gevecht hand aan hand vernield, en dat ook
4 1, 11| niet geoorloofd was, noch aan die van hun volk waren,
5 1, 19| sterven zou, en zij maakten aan die plaats een grote verbittering.~
6 1, 22| meende een einde te maken aan hetgeen tevoren gezegd is.~
7 1, 23| omgekeerd, om met de onzen hem aan te roepen, die alle kracht
8 2, 2 | gij Almachtige zie ons aan, die verdrukt worden door
9 2, 5 | stellende tot een voorbeeld aan de komende eeuwen.~
10 2, 12| toegeëigend is, smaadheid aan te doen.~
11 2, 16| grotelijks verheven had, hem aan alle zijden slingerende
12 2, 16| machteloos, en ook lam aan zijn leden, noch spreken
13 2, 20| openlijk dit volk smaadheid aan te doen; in een toren bij
14 2, 21| tekenen, en dat met vuur aan hun lichaam, namelijk met
15 3, 11| 11 En als wij aan de tempels in de steden
16 3, 15| 15 Intussen maakten wij aan allen bekend bij hun landslieden,
17 4, 8 | sommigen werden met de halzen aan de boorden der schepen gespijkerd,
18 4, 8 | sommigen met vaste boeien aan de benen verzekerd; en daarenboven
19 4, 11| dienst een weinig tevoren aan hen bekend gemaakt, maar
20 5, 6 | van het begin der wereld aan, hetwelk bij nacht en bij
21 5, 6 | bestierd wordt, als die het aan allen schenkt wie hij wil)
22 5, 8 | sterkte van zijn machtige hand aan de hoogmoedige heidenen
23 5, 9 | de koning, en stiet hem aan, en hem nauwelijks opgewekt
24 5, 12| dan Falaris, dat zij dit aan de huidige slaap mochten
25 5, 17| om uit te gaan, en wees aan, dat des konings voornemen
26 5, 21| gestadige en standvastige trouw aan mij, en mijn voorouders,
27 5, 34| de jonggeboren kinderen aan de borsten, om de laatste
28 6, 1 | om de heilige God met hem aan te roepen, en bad aldus:~
29 6, 4 | Here, hebt hem gebroken en aan vele heidenen uw macht openlijk
30 6, 5 | en hun lichamen gewillig aan het vuur overgaven, om niet
31 6, 5 | begoten, dat niet een haar aan hen gekrenkt is, maar gij
32 6, 6 | als versmolt, ongekwetst aan al zijn huisgenoten vertoond.~
33 6, 10| die macht hebt, zie ons nu aan.~
34 6, 15| het gruwelijk heerleger aan het renperk.~
35 6, 24| dezen, die van den beginne aan in goedwilligheid tot ons
36 6, 26| en zij werden van stonden aan ontbonden, en loofden de
37 6, 27| zijn inkomsten en gelastte aan hen, zeven dagen lang, wijn
38 6, 29| klaaglied, en hieven weder aan de lofzangen hunner vaderen,
39 6, 29| en stelden vrolijke reien aan tot een teken der vreedzame
40 6, 37| voor hen de volgende brief, aan de stadhouders in elke stad,
41 7, 14| die tot de dood toe zich aan God hadden gehouden, als
42 7, 15| korting beschikte goedwillig aan een ieder alle nooddruft
43 7, 17| 17 Aan welke zij ook tot een heilig
44 7, 18| van het hunne hadden, het aan hen met zeer grote vrees
|