Chapter, Verse
1 1, 1 | die hij bezet had, hem door Antiochus ontnomen waren,
2 1, 18| tegen hetgeen onheilig door hem onderstaan werd.~
3 1, 20| En als zij ternauwernood door de raad en de oudsten gestild
4 2, 2 | aan, die verdrukt worden door een onheilig en goddeloos
5 2, 5 | hovaardigheid werkten, en door hun boosheden zeer bekend
6 2, 11| worden in onze machteloosheid door u voorbijgegaan.~
7 2, 14| 14 Wreek ons niet door de onreinheid van deze mensen,
8 2, 14| mensen, en straf ons niet door hun onheiligheid, opdat
9 2, 16| spreken kon, overmits hij door het rechtvaardig oordeel
10 2, 18| tot zichzelf kwam, hoewel door God gestraft zijnde, kwam
11 3, 3 | gemeenschap afgekeerd; waarom zij door sommigen voor vijanden gehouden
12 3, 8 | 8 Verder de koning, door de tegenwoordige voorspoed
13 3, 10| gijlieden ook zelf weet, die door der goden onverhinderlijke
14 3, 12| hebben zij, gedreven zijnde door hun oude opgeblazenheid,
15 3, 15| tijden talloos vele zaken door eenvoudigheid toevertrouwd
16 3, 16| tegendeel hopende, en het goede door de aangeboren boosaardigheid
17 3, 16| zij hopen altijd, dat wij door dit hun zeer oneerlijk leven
18 3, 17| 17 Daarom zijn wij door zekere merktekenen wel verzekerd,
19 4, 4 | bitter en onbarmhartig gemoed door de stadhouders in de steden
20 4, 6 | jammerlijk geschrei, als die door de vreemde volken gedrukt
21 4, 7 | overgebleven dagen der bruiloft door niet jammerlijk geschrei,
22 4, 9 | voltrokken was, gelijkerwijs het door de koning was geboden, zo
23 5, 1 | vol van grote toom, en door grimmigheid geheel onverzettelijk,
24 5, 1 | ongemengde wijn; en als zij door het overvloedig geven van
25 5, 6 | hetwelk bij nacht en bij dag door hem bestierd wordt, als
26 5, 7 | 7 En door de krachtige werking des
27 5, 10| houden, en in vrolijkheid door te brengen.~
28 5, 18| vroeg hij (als die in alles door God met onwetendheid bevangen
29 5, 20| gedachten aangaande deze dingen, door Gods voorzienigheid verstrooid
30 5, 26| 26 Waarom de stad door het verwijlen in oproer
31 5, 27| zijn gemoed, die in hem door God, tot verschoning der
32 6, 6 | 6 Gij hebt Daniël, die door nijdige beschuldigingen
33 6, 7 | geslacht Israëls zijn, hetwelk door deze gruwelijke en goddeloze
34 6, 11| Ontferm u onzer, wij die door het goddelozen, alsof wij
35 6, 25| plaatsen, en bidt af hetgeen door u jegens hen tevoren gedaan
36 6, 32| vreugde, en brachten de tijd door met vrolijke dankzeggingen
37 6, 36| gehouden, en alles is hun door de koning toegereikt, tot
38 7, 2 | onzer vrienden, gedreven door boosaardigheid, zeer dikwijls
39 7, 8 | van God verlaten hadden, door hen mochten ontvangen behoorlijke
40 7, 17| en zeer vrolijk, als die door des konings gebod behouden
41 7, 18| 18 En zij werden door niemand enigszins van hun
|