Chapter, Verse
1 1, 1 | plaatsen, die hij bezet had, hem door Antiochus ontnomen
2 1, 3 | wapenen van Ptolomeüs, die hem tevoren betrouwd waren,
3 1, 3 | Ptolomeüs, opdat hij alleen hem zou ombrengen, en op die
4 1, 4 | vaderlijke inzettingen, had hem weggevoerd, en een onbeduidend
5 1, 8 | raad en uit de oudsten tot hem hadden afgezonden om hem
6 1, 8 | hem hadden afgezonden om hem te begroeten, en geschenken
7 1, 8 | over hetgeen geschied was hem geluk te wensen, gebeurde
8 1, 11| 11 Maar als dezen hem zeiden, dat zulks niet betaamde,
9 1, 12| 12 Ja de wet, die hem voorgelezen werd, verachtende,
10 1, 12| daar tegenwoordig waren hem verhinderd had, in de gehele
11 1, 18| tegen hetgeen onheilig door hem onderstaan werd.~
12 1, 23| omgekeerd, om met de onzen hem aan te roepen, die alle
13 2, 7 | kracht bekend maaktet, en hem, toen hij Israël najaagde
14 2, 16| gebed verhoord, en heeft hem gegeseld, die zichzelf met
15 2, 16| grotelijks verheven had, hem aan alle zijden slingerende
16 2, 17| snelle straf zagen, die hem had aangegrepen, met zeer
17 2, 17| zou verliezen, trokken zij hem terstond uit de tempel.~
18 4, 13| hij de stomme afgoden, die hem niet konden toespreken of
19 4, 15| zo gebeurde het dat zij hem klaar bericht deden, als
20 4, 15| klaar bericht deden, als zij hem zeiden en bewezen, dat beide
21 5, 2 | Hermon, volbracht vaardig wat hem belast was.~
22 5, 6 | bij nacht en bij dag door hem bestierd wordt, als die
23 5, 7 | onrechtvaardig voornemen mislukte hem zeer, en in zijn onverzettelijk
24 5, 8 | heilige God; en zij baden hem weder, die zich lichtelijk
25 5, 9 | tot de koning, en stiet hem aan, en hem nauwelijks opgewekt
26 5, 9 | koning, en stiet hem aan, en hem nauwelijks opgewekt hebbende,
27 5, 9 | hebbende, vertoonde hij hem, dat de bestemde tijd van
28 5, 9 | voorbijging, terwijl hij met hem woorden hierover wisselde;
29 5, 9 | gekomen waren, tegenover hem aanzitten.~
30 5, 11| Hermon tot zich; en hij vroeg hem met een bitter dreigement,
31 5, 14| daar tegenwoordig waren hem tegelijk, gaarne en met
32 5, 17| vrienden ontving, stond bij hem, en riep om uit te gaan,
33 5, 18| van hetgeen tevoren bij hem bedacht was.~
34 5, 19| en al de vrienden toonden hem en zeiden: O koning, de
35 5, 20| verstrooid waren, en op hem de ogen houdende, sprak
36 5, 27| van zijn gemoed, die in hem door God, tot verschoning
37 6, 1 | zich, om de heilige God met hem aan te roepen, en bad aldus:~
38 6, 4 | woorden sprak, gij, Here, hebt hem gebroken en aan vele heidenen
39 6, 30| onverwachte verlossing, die hem geschied was.~
40 6, 37| 37 Op welke zij ook met hem gesproken hebben over hun
|