Chapter, Verse
1 2, 2 | 2 O Here, Here, o Koning der hemelen en Heerser aller
2 2, 7 | najaagde met wagens en menigte der volken, deed zinken in de
3 2, 7 | deed zinken in de diepte der zee, maar die op u, die
4 2, 13| voorwaar, namelijk de hemel der hemelen, kunnen de mensen
5 2, 14| getreden, gelijk de huizen der gruwelen vertreden worden.~
6 2, 23| die in de stad de trappen der godzalige stad haatten,
7 3, 3 | wandel met de goede werken der gerechtigheid versierden,
8 3, 10| ook zelf weet, die door der goden onverhinderlijke bijstand
9 3, 15| verwaardigden met het burgerschap der burgers van Alexandrië.~
10 4, 7 | brachten de overgebleven dagen der bruiloft door niet jammerlijk
11 4, 8 | de halzen aan de boorden der schepen gespijkerd, en sommigen
12 4, 9 | reisden om dit voorbeeld der straf te zien; opdat zij
13 4, 9 | enigszins waardig geacht der stadsmuren.~
14 4, 10| en de koning hoorde, dat der Joden landslieden heimelijk
15 4, 10| dat men het ganse geslacht der Joden met hun namen zou
16 4, 12| gestadig zitten van de opgang der zon tot derzelver ondergang,
17 4, 14| dat zij de beschrijving der Joden niet langer konden
18 5, 1 | onverzettelijk, Hermon, wie de zorg der olifanten bevolen was, tot
19 5, 2 | gezind waren; de overste nu der olifanten, Hermon, volbracht
20 5, 3 | uit, en bonden de handen der ellendige Joden, en bedachten
21 5, 6 | beschikking van het begin der wereld aan, hetwelk bij
22 5, 13| olifanten tot het verderf der gruwelijke Joden.~
23 5, 23| heerlijke God, de Here en Koning der koningen, als die ook deze
24 5, 24| olifanten tot het verderf der Joden.~
25 5, 27| door God, tot verschoning der Joden, waren geschied,~
26 5, 28| mogen ingaan, zeide hij in der haast met vuur verbranden,
27 5, 29| de geschiktste plaatsen der stad tot bewaring.~
28 5, 30| 30 En de overste der olifanten heeft de beesten
29 5, 32| leven was, en het einde der ellendige verwachting.~
30 6, 6 | voorgeworpen was, tot spijs der wilde dieren, onbeschadigd
31 6, 13| U bidt de ganse menigte der, jonge kinderen, en hun
32 6, 18| vervulden het heerleger der vijanden met ontroering
33 6, 21| alle onredelijk ongelijk der van ons leven beroofd heidenen
34 6, 24| dikwijls de ergste gevaren der mensen uitgestaan hebben,
35 6, 29| reien aan tot een teken der vreedzame blijdschap.~
36 6, 31| verderve, en om te zijn een aas der vogelen gesteld en met blijdschap
37 7, 8 | degenen, die uit het geslacht der Joden willens en wetens
38 7, 15| Ptolomaïs, om de eigenschap der plaats genaamd Rhodoforos,
39 7, 19| Israëls zij te prijzen in der eeuwigheid. Amen.~
|