Chapter, Verse
1 2, 9 | hebt gij beloofd, indien wij ons van u afkeerden, en
2 2, 9 | zou mogen aangrijpen, en wij in deze plaats kwamen, en
3 2, 11| nu, o heilige Koning, zie wij worden vanwege onze vele
4 2, 11| grote zonden onderdrukt, en wij zijn onze vijanden onderworpen,
5 2, 14| vrolijk zijn, zeggende: Wij hebben het huis van het
6 3, 10| 10 Nadat wij onze krijgstocht in Azië
7 3, 10| einde gebracht is, zo hebben wij gedacht, niet met geweld
8 3, 11| 11 En als wij aan de tempels in de steden
9 3, 11| uitgedeeld hadden, zo zijn wij ook te Jeruzalem gekomen,
10 3, 12| valse harten; want toen wij voorgenomen hadden in het
11 3, 13| konden weerstaan, waardoor wij met alle mensen vriendschap
12 3, 14| 14 Wij nochtans zijn hun uitzinnigheid
13 3, 15| 15 Intussen maakten wij aan allen bekend bij hun
14 3, 15| bij hun landslieden, dat wij het ongelijk wilden vergeten,
15 3, 15| wilden vergeten, en dat wij willens waren, zowel om
16 3, 16| en zij hopen altijd, dat wij door dit hun zeer oneerlijk
17 3, 17| 17 Daarom zijn wij door zekere merktekenen
18 3, 17| tegen ons mocht ontstaan, wij deze goddeloze mensen van
19 3, 18| 18 Zo gelasten wij, zodra deze brief zal ontvangen
20 3, 19| gestraft zullen zijn, zo achten wij, dat in toekomende tijden,
21 5, 21| liet om de liefde van dat wij tezamen opgevoed zijn, en
22 5, 28| offeranden offerden daar wij niet mogen ingaan, zeide
23 6, 11| 11 Ontferm u onzer, wij die door het goddelozen,
24 6, 11| door het goddelozen, alsof wij verraders waren, worden.~
25 6, 32| Maar de Joden gelijkerwijs wij tevoren gezegd hebben, hielden
26 7, 1 | zijn, geluk en voorspoed; wij en onze kinderen varen ook
27 7, 2 | gelukkig bestierde gelijk wij wensten, zo hebben sommigen
28 7, 2 | en ons ook overreed, dat wij de Joden die in ons koninkrijk
29 7, 5 | 5 En wij, hoewel hen over deze zaken
30 7, 5 | zeer hard dreigende, als wij naar de goedertierenheid,
31 7, 5 | de goedertierenheid, die wij hebben jegens alle mensen,
32 7, 5 | goedwilligheid bewijzen, zo hebben wij hen met recht vrijgesproken
33 7, 6 | 6 En wij hebben een ieder gelast,
34 7, 7 | gij zult weten, is het dat wij tegen hen iets kwaads zullen
35 7, 7 | enigszins zullen bedroeven, dat wij niet een mens, maar de hoogste
|