Chapter, Verse
1 1, 9 | Jeruzalem kwam, en de hoogste God had geofferd en gedankt,
2 1, 14| nedervielen en de hoogste God baden, om hen in die aanstaande
3 2, 16| 16 Hier heeft God, die alles ziet, en boven
4 2, 18| zichzelf kwam, hoewel door God gestraft zijnde, kwam hij
5 3, 3 | en trouw, doch omdat zij God dienden, en in zijn wet
6 3, 6 | veranderen, want zeiden zij, die God, die alles bekend is, zal
7 3, 8 | op de kracht van de grote God, maar meende dat hij gestadig
8 4, 13| helpen; maar tegen de hoogste God sprak hij dingen die niet
9 5, 4 | alle macht, hun barmhartige God en Vader, met tranen, zonder
10 5, 6 | 6 Maar God heeft een slaap (de goede
11 5, 8 | prezen zij hun heilige God; en zij baden hem weder,
12 5, 16| hemel, en baden de opperste God, dat hij hen weder haastig
13 5, 18| hij (als die in alles door God met onwetendheid bevangen
14 5, 23| hebbende, prezen de heerlijke God, de Here en Koning der koningen,
15 5, 23| als die ook deze hulp van God verkregen hadden.~
16 5, 27| gemoed, die in hem door God, tot verschoning der Joden,
17 6, 1 | rondom zich, om de heilige God met hem aan te roepen, en
18 6, 2 | gij opperste en almachtige God, die alle geschapen dingen
19 6, 7 | 7 Nu dan, o God, gij vijand van overlast,
20 6, 9 | verderft, en zeggen: Ook hun God heeft hen niet verlost.~
21 6, 12| 12 Gij heerlijke God, laat toch de verwinnelijke
22 6, 17| almachtige, en waarachtige God zijn heilig aanschijn vertoond,
23 6, 25| almachtige, hemelse en levende God, die van onze voorouders
24 6, 26| ontbonden, en loofden de heilige God, hun behouder, als zij de
25 6, 29| lofzangen hunner vaderen, God de behouder en wonderwerker
26 6, 30| grote maaltijd, en loofde God in de hemel zonder ophouden
27 6, 33| verlossing, die hun van God geschied was.~
28 7, 2 | 2 Als de grote God voor ons de zaken gelukkig
29 7, 5 | erkenden, dat de hemelse God zeker de Joden beschermde,
30 7, 7 | een mens, maar de hoogste God, de heerser aller mogendheid,
31 7, 8 | willens en wetens de heilige God en de wet van God verlaten
32 7, 8 | heilige God en de wet van God verlaten hadden, door hen
33 7, 14| tot de dood toe zich aan God hadden gehouden, als zij
34 7, 14| lofliederen en zoete lofzangen de God hunner vaderen, de heilige
35 7, 18| wedergaven, overmits de opperste God grote daden tot hun behoud
|