36-maken | male-waarm | waarv-zwave
Chapter, Verse
1 6, 36| 36 Zij hebben dan de maaltijd
2 6, 37| 37 Op welke zij ook met hem
3 2, 9 | in deze plaats kwamen, en aanbaden, gij ons gebed zoudt verhoren.~
4 3, 4 | maar het verschil nopens de aanbidding en andere gebruiken, dat
5 3, 21| En wie zulks zal willen aanbrengen, die zal daarvoor ontvangen
6 5, 20| overmits al zijn gedachten aangaande deze dingen, door Gods voorzienigheid
7 3, 16| hopende, en het goede door de aangeboren boosaardigheid verwerpende,
8 2, 17| straf zagen, die hem had aangegrepen, met zeer grote vrees verslagen,
9 7, 2 | boosaardigheid, zeer dikwijls bij ons aangehouden, en ons ook overreed, dat
10 5, 30| tot de voorgenomen zaak aangepord.~
11 5, 24| doen weder een maaltijd aangericht had, zo vermaande hij dat
12 5, 4 | ophouden met hun stemmen aangeroepen, biddende dat hij de goddeloze
13 2, 19| metgezellen, die tevoren aangewezen zijn, en van alle gerechtigheid
14 5, 35| zijn zij eendrachtig op hun aangezichten gevallen, en deden de kinderen
15 2, 9 | enige benauwdheid zou mogen aangrijpen, en wij in deze plaats kwamen,
16 1, 19| toestaan; als hij eindelijk aanhield, en zijn voornemen dacht
17 5, 9 | zag dat de genoden sterk aankwamen, ging hij in tot de koning,
18 6, 21| het geschreeuw hoorde en aanmerkte dat zij allen ten verderve
19 3, 15| veranderen, en hen wilden aannemen, in de gemeenschap van het
20 6, 22| leven te benemen, heimelijk aanrichtende hetgeen het rijk niet bevorderlijk
21 6, 17| waarachtige God zijn heilig aanschijn vertoond, en de poorten
22 5, 31| en met zijn ogen wilde aanschouwen de moeilijke en jammerlijke
23 6, 16| 16 En de Joden, dat aanschouwende, hieven een groot geroep
24 1, 14| God baden, om hen in die aanstaande nood te willen helpen, en
25 2, 20| dat men die met geweld zou aantasten, en van het leven beroven.~
26 7, 18| kregen allen het hunne uit de aantekening weder, zodat die iets van
27 5, 12| 12 En toen hij aanwees, dat hij diezelfde nacht
28 5, 25| bloedvrienden, die daar mede aanzaten, over zijn ongestadig gemoed
29 6, 2 | dingen in ontferming regeert, aanzie het zaad van Abraham, en
30 5, 9 | gekomen waren, tegenover hem aanzitten.~
31 6, 31| verderve, en om te zijn een aas der vogelen gesteld en met
32 6, 2 | regeert, aanzie het zaad van Abraham, en zie op de kinderen van
33 3, 8 | verhovaardigende, gaf geen acht op de kracht van de grote
34 3, 19| gestraft zullen zijn, zo achten wij, dat in toekomende tijden,
35 5, 27| onverstand zijnde, en niets achtende de veranderingen van zijn
36 3, 17| deze goddeloze mensen van achteren tot verraders zouden hebben,
37 4, 13| was verre van de waarheid afgedwaald, en met zijn onheilige mond
38 3, 3 | en van hun gemeenschap afgekeerd; waarom zij door sommigen
39 6, 23| een ieder van zijn huis afgevoerd en herwaarts verzameld?~
40 6, 13| aangezicht van ons niet hebt afgewend;~
41 1, 8 | de oudsten tot hem hadden afgezonden om hem te begroeten, en
42 3, 16| maar zij hebben ook een afkeer, zowel met woorden, als
43 2, 9 | beloofd, indien wij ons van u afkeerden, en ons enige benauwdheid
44 5, 4 | tegen hen genomen wilde afkeren, en hen uit de dood, die
45 6, 17| schrikkelijk in gedaante, afkwamen, die van allen gezien werden,
46 7, 2 | vreemde straffen, gelijk afvalligen, straffen.~
47 2, 25| 25 En die van hen afweken waren hun een gruwel, en
48 2, 21| Bacchus, die men ook zou afzonderen tot de vrijheid, hun tevoren
49 6, 1 | hem aan te roepen, en bad aldus:~
50 7, 15| hen een vloot, naar hun algemeen goedvinden zeven dagen lang
51 5, 31| grimmigheid vervallende, in allerijl met de beesten uitgelopen,
52 5, 4 | ontbloot te zijn, omdat zij alom met banden en benauwdheid
53 3, 16| welgezind zijn, en zij hopen altijd, dat wij door dit hun zeer
54 3, 15| in de gemeenschap van het altijddurende priesterdom, en verwaardigden
55 7, 19| prijzen in der eeuwigheid. Amen.~
56 5, 22| aangezicht; en de een voor, de ander na van de vrienden werden
57 1, 13| 13 En een antwoordde: Het is onvoorzichtig gedaan
58 5, 22| heengaan, een ieder tot zijn arbeid.~
59 6, 4 | hebt de machtige koning van Assyrië, Sanherib, die op zijn talloze
60 5, 3 | Daarenboven gingen tegen de avond de dienaars uit, en bonden
61 3, 10| wij onze krijgstocht in Azië gedaan hadden, die gijlieden
62 6, 5 | drie metgezellen, die in Babylonië waren, en hun lichamen gewillig
63 2, 21| klimopblad, het wapen van Bacchus, die men ook zou afzonderen
64 3, 17| verraders zouden hebben, en tot barbaarse vijanden.~
65 4, 5 | mannen met grauwe haren bedekt, en zij misbruikten de benen,
66 5, 9 | wisselde; welke rede, de koning bedenkende, keerde zich ter maaltijd,
67 2, 4 | tijden onrechtvaardigheid bedreven, (onder welke ook de reuzen
68 1, 7 | 7 En als Ptolomeüs de bedriegelijke aanslag overwonnen had,
69 7, 7 | of hen enigszins zullen bedroeven, dat wij niet een mens,
70 5, 7 | besluit werd hij grotelijks bedrogen.~
71 1, 13| gedaan en dat het iets kwaads beduidde. Indien dat geschied is,
72 1, 14| konings, die boos indrong, te bedwingen; als zij ook de tempel met
73 1, 20| oudsten gestild waren, zo begaven zij zich weder tot dezelfde
74 5, 6 | goede beschikking van het begin der wereld aan, hetwelk
75 6, 24| heeft dezen, die van den beginne aan in goedwilligheid tot
76 4, 6 | ongedekt weggevoerd, en begonnen gezamenlijk in plaats van
77 6, 5 | doorgloeide oven als met een dauw begoten, dat niet een haar aan hen
78 7, 10| 10 En hij begreep, dat zij de waarheid zeiden,
79 1, 8 | hadden afgezonden om hem te begroeten, en geschenken te brengen,
80 2, 8 | naam, hoewel gij geen ding behoeft; en hebt die verheerlijkt
81 3, 13| zij niet wat billijk en behoorlijk is verdragen, als die alleen
82 7, 14| volkomen genieting hunner behoudenis verkregen hadden vertrokken
83 6, 28| sterven, een maaltijd des behouds, en vervuld met blijdschap,
84 2, 25| hun volk, en beroofden hen beiden van hun gemeenzame omgang
85 3, 14| volken met vriendelijkheid bejegend, en gedaan gelijk het ons
86 6, 28| van een bittere en zeer beklagelijke dood te sterven, een maaltijd
87 5, 16| ganse tijd in hun gemoed bekommerd; met vele tranen, met gebeden,
88 7, 14| zeer welriekende bloemen bekroond, met blijdschap en gejuich;
89 6, 24| zulke ongeoorloofde straffen beladen?~
90 5, 2 | volbracht vaardig wat hem belast was.~
91 4, 11| Overmits hij hen niet wilde belasten met de dienst een weinig
92 6, 8 | met de dood, zoals het u believen zal.~
93 3, 7 | zich trekkende, en deden beloften, dat zij hen mede wilden
94 2, 9 | het huis Israëls hebt gij beloofd, indien wij ons van u afkeerden,
95 1, 5 | hulp zouden komen, en zij beloofde de overwinnaars ieder twee
96 6, 22| mijzelf, die uw genadige heer ben, mijn rijk en leven te benemen,
97 6, 22| ben, mijn rijk en leven te benemen, heimelijk aanrichtende
98 2, 6 | verscheidene en vele straffen beproefd, en uw mogendheid zo bekend
99 1, 21| die om de koning stonden, beproefden alleszins zijn hovaardig
100 4, 15| gebeurde het dat zij hem klaar bericht deden, als zij hem zeiden
101 2, 8 | heerlijke verschijning, die beroemd makende ter ere van uw grote
102 2, 25| vijanden van hun volk, en beroofden hen beiden van hun gemeenzame
103 2, 18| kwam hij geenszins tot berouw, maar hij trok weg met scherpe
104 7, 5 | hemelse God zeker de Joden beschermde, en te allen tijde voor
105 6, 7 | overlast, gij barmhartige, gij beschermer aller dingen, verschijn
106 5, 6 | heeft een slaap (de goede beschikking van het begin der wereld
107 7, 15| behoud, want de korting beschikte goedwillig aan een ieder
108 1, 7 | en de tempelen met gaven beschonken had, zo heeft hij zijn onderdanen
109 4, 10| Joden met hun namen zou beschrijven.~
110 7, 5 | spreken hen vrij van alle beschuldiging, hoedanig die ook zij.~
111 6, 6 | Daniël, die door nijdige beschuldigingen in de kuil de leeuwen voorgeworpen
112 1, 25| dood liever hadden dan de besmetting van die plaats.~ ~
113 5, 14| slapen, als wel om allerlei bespottingen tegen deze, zo men meende,
114 1, 3 | voltrekken, nam tot zich de beste uit de wapenen van Ptolomeüs,
115 5, 29| vertrouwen vertrokken en zij bestelden het krijgsvolk op al de
116 2, 21| de vrijheid, hun tevoren bestemd.~
117 5, 6 | nacht en bij dag door hem bestierd wordt, als die het aan allen
118 7, 2 | voor ons de zaken gelukkig bestierde gelijk wij wensten, zo hebben
119 4, 6 | voren gezalfd, was met as bestrooid, en zij werden ongedekt
120 1, 15| haar moeders uitgelopen, en bestrooiden het haar met stof, en lieten
121 4, 13| sprak hij dingen die niet betamen.~
122 5, 8 | nu de Joden die tevoren betekende ure ontkomen waren, prezen
123 3, 15| toevertrouwd waren, hun staat in beter te veranderen, en hen wilden
124 2, 15| verstrooi onze dwalingen, en betoon uw barmhartigheid te dezer
125 6, 3 | licht van uw barmhartigheid betoond.~
126 1, 3 | Ptolomeüs, die hem tevoren betrouwd waren, en begaf zich des
127 2, 7 | aller schepselen Here zijt, betrouwden, hebt gij behouden daardoor
128 3, 22| waar men enigszins zal bevinden dat een Jood verborgen wordt,
129 6, 22| aanrichtende hetgeen het rijk niet bevorderlijk is.~
130 2, 24| zichzelf van het opschrijven te bevrijden, en zij hadden goede hoop,
131 6, 23| sterkten van ons land getrouw bewaarden, zo onredelijk een ieder
132 5, 29| geschiktste plaatsen der stad tot bewaring.~
133 4, 4 | zeer ellendige wegzending beweenden.~
134 1, 11| zich nochtans geenszins bewegen.~
135 4, 10| de stad uitgingen, om te bewenen de schandelijke ellende
136 7, 5 | een vaste goedwilligheid bewijzen, zo hebben wij hen met recht
137 3, 13| gemoed jegens ons openbaar bewijzende, willen zij niet wat billijk
138 6, 16| onbedwingelijk schreien bewogen werd.~
139 5, 15| Hermon die grote beesten, en bewoog ze in die grote plaats;
140 4, 3 | gemeen te spreken welke bewoonde plaats, of welke straten
141 1, 1 | dat de plaatsen, die hij bezet had, hem door Antiochus
142 1, 21| intussen, gelijk tevoren, bezig met bidden, maar de oudsten,
143 3, 4 | welvaren van het koninkrijk; zo bezwaarden zij hen rondom met geen
144 1, 21| gelijk tevoren, bezig met bidden, maar de oudsten, die om
145 5, 4 | hun stemmen aangeroepen, biddende dat hij de goddeloze raad
146 2, 24| onbeschroomd geld in de plaats biedende, poogden zij zichzelf van
147 7, 2 | op een hoop zouden doen bijeenkomen en hen met vreemde straffen,
148 6, 16| naar de hemel, zodat de bijliggende valleien mede een weerklank
149 5, 30| wijn met wierook gemengd, bijna om zo te zeggen in een razende
150 3, 10| der goden onverhinderlijke bijstand naar onze wil ten einde
151 3, 13| bewijzende, willen zij niet wat billijk en behoorlijk is verdragen,
152 4, 6 | werden zij openlijk tot binnen in het schip met geweld
153 6, 28| waren), in plaats van een bittere en zeer beklagelijke dood
154 2, 24| 24 Doch de meesten bleven standvastig, en weken niet
155 5, 10| tegenwoordige maaltijd zeer blij te houden, en in vrolijkheid
156 5, 29| de vrienden en magen zeer blijde geworden, met vertrouwen
157 4, 1 | vijandschap nu met stoutheid zich blijkbaar openbaarde, welke in vorige
158 6, 13| tranen; laat het alle volken blijken, dat gij met ons zijt, Here,
159 3, 8 | hetzelfde voornemen zou blijven, ja schreef tegen hen deze
160 4, 14| land waren, sommigen nog blijvende bij huis, sommigen zijnde
161 1, 5 | 5 En als er een bloedige slag geschiedde, en de zaken
162 5, 33| omhelsden elkander, en vielen de bloedverwanten, de vaders, namelijk hun
163 5, 25| 25 Maar de bloedvrienden, die daar mede aanzaten,
164 4, 7 | haar mannen waren in hun bloeiende jeugd om de halzen met stroppen
165 7, 14| allerlei zeer welriekende bloemen bekroond, met blijdschap
166 5, 3 | avond de dienaars uit, en bonden de handen der ellendige
167 3, 15| willens waren, zowel om het bondgenootschap, als ook omdat hun van overoude
168 4, 16| uit de hemel de Joden hulp bood.~ ~
169 4, 14| 14 Na de voormelde tijd boodschapten de schrijvers de koning,
170 4, 8 | werden met de halzen aan de boorden der schepen gespijkerd,
171 1, 14| geweld des konings, die boos indrong, te bedwingen; als
172 2, 5 | hovaardigheid werkten, en door hun boosheden zeer bekend waren, met vuur
173 2, 19| in Egypte kwam, en zijn boosheid vermeerderde, en met hulp
174 3, 11| opgegaan om de tempel van die booswichten, die nooit ophouden van
175 4, 9 | zijnde groot in omvang, en bovenmate wel gelegen voor degenen,
176 3, 2 | uitgestrooid, zijnde de boze lieden, die tot het kwaaddoen
177 4, 2 | tranen en zuchten, hun hart brandde alleszins, en zuchtte over
178 6, 33| niet om enige drinkerij en brasserij, maar om de verlossing,
179 2, 4 | vertrouwden) vernield, over hen brengende een onmetelijk water van
180 4, 10| schandelijke ellende hunner broederen, zo werd hij zeer verstoord,
181 4, 7 | de overgebleven dagen der bruiloft door niet jammerlijk geschrei,
182 4, 6 | gezamenlijk in plaats van bruiloftsliederen, een jammerlijk geschrei,
183 2, 1 | binnenste des tempels de knieën buigende, en de handen uitstrekkende
184 6, 6 | o Vader, Jona, die in de buik van een walvis, die zich
185 7, 9 | wendden voor, dat, die om des buiks wil de Goddelijke geboden
186 3, 7 | 7 Ja ook sommige buren en vrienden, en die met
187 2, 22| priesters, dezen gelijk burgerrecht zouden hebben met de burgers
188 3, 10| vriendelijkheid de volken, die in Celo-Syrië en Fenicië wonen, goedertieren
189 1, 19| 19 Daarbenevens sommigen van de burgers
190 2, 7 | betrouwden, hebt gij behouden daardoor gevoerd; welke de werken
191 2, 22| verstoord te zijn, zo liet hij daaronder schrijven, dat zo enigen
192 6, 33| 33 En zij maakten daarvan een algemene wet, en besloten
193 3, 21| willen aanbrengen, die zal daarvoor ontvangen het goed desgenen,
194 1, 19| aanhield, en zijn voornemen dacht te volbrengen, riepen zij
195 7, 18| overmits de opperste God grote daden tot hun behoud gedaan had.~
196 6, 6 | 6 Gij hebt Daniël, die door nijdige beschuldigingen
197 7, 14| blijdschap en gejuich; en zij dankten met lofliederen en zoete
198 7, 16| gekomen waren, in behoorlijke dankzegging, zo hebben zij daar ook
199 6, 32| de tijd door met vrolijke dankzeggingen en psalmen.~
200 6, 5 | doorgloeide oven als met een dauw begoten, dat niet een haar
201 2, 23| zij enige grote eer zouden deelachtig worden, om de gemeenschap,
202 6, 28| vervuld met blijdschap, deelden zij de plaats af, die hun
203 5, 9 | omtrent half tien was, en als degene die gesteld was om gasten
204 6, 24| Wie heeft dezen, die van den beginne aan in goedwilligheid
205 1, 14| waren en kwamen uitgelopen, denkende dat het iets verborgens
206 5, 25| onverstandigen? gij hebt nu ten derden male gelast hen uit te roeien,
207 4, 12| van de opgang der zon tot derzelver ondergang, en in veertig
208 6, 30| 30 Desgelijks hield ook de koning om dezer
209 3, 21| daarvoor ontvangen het goed desgenen, die in deze straf valt,
210 6, 1 | jaren gekomen, en met alle deugd in dit leven versierd was,
211 7, 4 | 4 Dewelke hen ook gebonden, en met
212 4, 8 | en daarenboven werd een dicht luik boven het hoofd gelegd,
213 3, 3 | trouw, doch omdat zij God dienden, en in zijn wet wandelden,
214 6, 5 | vuur overgaven, om niet te dienen de ijdele afgoden, verlost,
215 2, 6 | uw heilig volk Israël in dienstbaarheid gebracht had, met verscheidene
216 5, 7 | hij met een zeer zoete en diepe slaap bevangen, en zijn
217 2, 8 | ter ere van uw grote en dierbare naam.~
218 6, 6 | was, tot spijs der wilde dieren, onbeschadigd weder in het
219 2, 8 | ten naam, hoewel gij geen ding behoeft; en hebt die verheerlijkt
220 7, 13| blijdschap de onheiligen dodende.~
221 7, 6 | plaats hun enigszins leed doe, noch iets verwijte over
222 2, 3 | wrevel en hoogmoed iets doet, oordeelt gij.~
223 5, 35| die nu in de poorten des doods gesteld waren.~ ~
224 6, 5 | afgoden, verlost, en de zeer doorgloeide oven als met een dauw begoten,
225 1, 4 | 4 Maar Dositheüs, genoemd de zoon van Drimylus,
226 3, 21| konings schatkamer tweeduizend drachmen zilver, ja hij zal ook met
227 5, 1 | overvloedig geven van die drank verwoed zouden zijn, dat
228 5, 30| beesten met zeer welriekende dranken, en wijn met wierook gemengd,
229 2, 18| hij trok weg met scherpe dreigementen.~
230 7, 5 | over deze zaken zeer hard dreigende, als wij naar de goedertierenheid,
231 4, 5 | oudheid traag en krom waren en dreven die met een geweldig voortstuwen,
232 7, 13| dag sloegen zij over de driehonderd mannen dood, en maakten
233 1, 4 | Dositheüs, genoemd de zoon van Drimylus, van geboorte een Jood,
234 1, 12| geenszins op zichzelf daar in te dringen, zeggende, dat hij daar
235 6, 33| zou houden, niet om enige drinkerij en brasserij, maar om de
236 1, 4 | gebeurde, dat deze zijn straf droeg.~
237 2, 15| zonden uit, en verstrooi onze dwalingen, en betoon uw barmhartigheid
238 5, 28| 28 Met een zeer onreine eed vast gezworen, dat hij niet
239 3, 1 | dat men zou haasten, en in één plaats alle Joden vergaderen,
240 5, 35| geschied waren, zijn zij eendrachtig op hun aangezichten gevallen,
241 3, 2 | lieden, die tot het kwaaddoen eensgezind waren, tot dit voor nemen
242 3, 15| talloos vele zaken door eenvoudigheid toevertrouwd waren, hun
243 2, 5 | voorbeeld aan de komende eeuwen.~
244 6, 10| 10 Maar gij eeuwige Here, gij die macht hebt,
245 3, 22| verbrand, en geheel onnut ten eeuwigen tijde voor het gehele menselijke
246 7, 19| Israëls zij te prijzen in der eeuwigheid. Amen.~
247 7, 15| de stad Ptolomaïs, om de eigenschap der plaats genaamd Rhodoforos,
248 5, 33| geklag en kusten en omhelsden elkander, en vielen de bloedverwanten,
249 5, 15| vergaderde tot dit zeer ellendig schouwspel, en verwachtte
250 6, 17| uit welke twee heerlijke engelen, schrikkelijk in gedaante,
251 2, 8 | die beroemd makende ter ere van uw grote en dierbare
252 6, 2 | het volk van uw geheiligd erfdeel, dat in een vreemd land
253 6, 24| boven gaan, en dikwijls de ergste gevaren der mensen uitgestaan
254 7, 5 | leven konden schenken, en erkenden, dat de hemelse God zeker
255 2, 7 | welke de werken uwer handen erkennende, u de Almachtige geprezen
256 4, 10| gelastte, dat men ook deze eveneens op dezelfde wijze zorgvuldig
257 6, 3 | 3 Gij hebt Farao, die vele wagens had, en
258 2, 6 | 6 Gij hebt de trotse Faraö, die uw heilig volk Israël
259 6, 27| lang, wijn en wat voorts om feest te houdig nodig was, uit
260 6, 27| met alle vrolijkheid de feestdagen van hun behoud zouden houden.~
261 3, 10| volken, die in Celo-Syrië en Fenicië wonen, goedertieren te behandelen,
262 3, 20| huisgezin met de schandelijkste folteringen gepijnigd worden.~
263 3, 5 | die in de stad waren, wie gans geen leed geschied was,
264 5, 9 | degene die gesteld was om gasten te noden, zag dat de genoden
265 4, 9 | hebben noch enigszins waardig geacht der stadsmuren.~
266 5, 16| bekommerd; met vele tranen, met gebeden, en met weemoedige gezangen
267 1, 20| tot dezelfde plicht des gebeds.~
268 6, 4 | het ganse land onder zijn gebied gekregen had, en zich verhief
269 7, 17| als die door des konings gebod behouden waren en zij hadden
270 1, 4 | de zoon van Drimylus, van geboorte een Jood, doch die daarna
271 7, 17| welke zij ook tot een heilig gebruik in een gedachtenis pilaar
272 5, 14| zijn eigen huis; en zij gebruikten de tijd van die nacht niet
273 6, 17| engelen, schrikkelijk in gedaante, afkwamen, die van allen
274 3, 10| gebracht is, zo hebben wij gedacht, niet met geweld van wapen
275 7, 17| een heilig gebruik in een gedachtenis pilaar gewijd hebben, die
276 4, 11| gemaakt, maar pijnigen met de gedreigde straffen, en zo eindelijk
277 4, 6 | die door de vreemde volken gedrukt en gekweld werden; en gebonden
278 5, 5 | 5 En hun gedurig gebed klom op in de hemel.
279 4, 2 | Maar de Joden waren in een gedurige droefheid, en hun gekrijt
280 4, 8 | als beesten, getrokken en gedwongen met ijzeren banden; sommigen
281 2, 15| ontferming snel ons overkomen, en geef lof in de mond dergenen
282 2, 16| gebed verhoord, en heeft hem gegeseld, die zichzelf met smaad
283 6, 2 | zie op de kinderen van de geheiligde Jakob, het volk van uw geheiligd
284 2, 10| vaders verdrukt waren, hen geholpen hebt in hun vernedering,
285 7, 14| bekroond, met blijdschap en gejuich; en zij dankten met lofliederen
286 6, 4 | ganse land onder zijn gebied gekregen had, en zich verhief tegen
287 6, 5 | dat niet een haar aan hen gekrenkt is, maar gij zondt de vlam
288 4, 2 | gedurige droefheid, en hun gekrijt was jammerlijk, met tranen
289 3, 21| hij zal ook met vrijheid gekroond worden.~
290 4, 6 | vreemde volken gedrukt en gekweld werden; en gebonden zijnde,
291 5, 11| dag nog in het leven had gelaten.~
292 2, 24| voor het leven onbeschroomd geld in de plaats biedende, poogden
293 4, 8 | de ganse scheepvaart het geleide van deze moordenaars zouden
294 6, 9 | ijdele afgoden, als gij uw geliefden verderft, en zeggen: Ook
295 1, 16| maakten een onordentelijk geloop in de stad.~
296 5, 32| zagen, en een gruwelijk geluid en getuimel hoorden, zo
297 7, 2 | grote God voor ons de zaken gelukkig bestierde gelijk wij wensten,
298 4, 3 | landschap of stad, of om in het gemeen te spreken welke bewoonde
299 4, 1 | hielden de heidenen een gemeenschappelijke maaltijd met juichen en
300 2, 25| beroofden hen beiden van hun gemeenzame omgang en voorrechten.~ ~
301 1, 21| 21 Het gemene volk nu was intussen, gelijk
302 5, 30| dranken, en wijn met wierook gemengd, bijna om zo te zeggen in
303 7, 15| de eigenschap der plaats genaamd Rhodoforos, waar op hen
304 3, 16| tot het kwaad alle tijd genegen zijnde, hebben niet alleen
305 4, 10| gelijk als de anderen, en in generlei wijze minder straffen dan
306 7, 14| als zij nu de volkomen genieting hunner behoudenis verkregen
307 5, 9 | gasten te noden, zag dat de genoden sterk aankwamen, ging hij
308 1, 4 | 4 Maar Dositheüs, genoemd de zoon van Drimylus, van
309 1, 9 | kwam, en de hoogste God had geofferd en gedankt, en hetgeen voorts
310 1, 11| betaamde, omdat het niet geoorloofd was, noch aan die van hun
311 6, 17| de poorten van de hemel geopend; uit welke twee heerlijke
312 3, 2 | 2 Als nu deze dingen geordineerd waren, zo werd een gruwelijk
313 3, 20| schandelijkste folteringen gepijnigd worden.~
314 5, 26| in gevaar is geweest van geplunderd te worden.~
315 7, 4 | meer gelijk verraders, en gepoogd, zonder enige ondervraging
316 5, 17| des konings voornemen nu gereed was.~
317 3, 4 | geslacht, die onder allen geroemd was, maar het verschil nopens
318 5, 1 | olifanten bevolen was, tot zich geroepen, en geboden dat hij de volgende
319 3, 2 | waren, zo werd een gruwelijk gerucht tegen dit volk uitgestrooid,
320 5, 29| het krijgsvolk op al de geschiktste plaatsen der stad tot bewaring.~
321 5, 18| goddeloos uitgaan terneder geslagen werd, zo vroeg hij (als
322 1, 18| 18 En daar was menigerlei gesmeek van degenen, die daarin
323 4, 8 | aan de boorden der schepen gespijkerd, en sommigen met vaste boeien
324 5, 11| 11 Als nu het gesprek meer en meer voortging,
325 5, 21| onschuldige Joden, die hun gestadige en standvastige trouw aan
326 5, 30| te zeggen in een razende gestalte gebracht, ze schrikkelijk,
327 1, 20| door de raad en de oudsten gestild waren, zo begaven zij zich
328 6, 3 | grootsprekende tong) in de zee gestort met zijn hovaardige heerkracht
329 5, 1 | olifanten, die vijfhonderd in getal waren, vele handen vol wierook
330 3, 18| diezelfde ure, allen die daarin getekend zijn met vrouwen en kinderen
331 2, 14| het heiligdom met voeten getreden, gelijk de huizen der gruwelen
332 3, 6 | 6 Maar zij hebben hen getroost, en namen het zeer kwalijk,
333 5, 12| zijn vrienden zulks ook getuigden, sprak hij, die meerder
334 5, 32| een gruwelijk geluid en getuimel hoorden, zo meenden zij,
335 5, 26| samenscholing, zodat zij dikwijls in gevaar is geweest van geplunderd
336 5, 35| eendrachtig op hun aangezichten gevallen, en deden de kinderen van
337 1, 6 | vernield, en dat ook velen gevangen genomen werden.~
338 6, 24| gaan, en dikwijls de ergste gevaren der mensen uitgestaan hebben,
339 1, 6 | dat de vijanden in het gevecht hand aan hand vernield,
340 2, 15| harte, ons namelijk vrede gevende.~
341 6, 27| zij meenden het verderf te gevoelen nu met alle vrolijkheid
342 2, 7 | hebt gij behouden daardoor gevoerd; welke de werken uwer handen
343 1, 14| priesters met hun geheel gewaad nedervielen en de hoogste
344 4, 5 | waren en dreven die met een geweldig voortstuwen, zonder enige
345 7, 17| in een gedachtenis pilaar gewijd hebben, die in de plaats
346 6, 5 | Babylonië waren, en hun lichamen gewillig aan het vuur overgaven,
347 3, 4 | zij hen rondom met geen gewone verachting.~
348 4, 6 | welriekende zalf te voren gezalfd, was met as bestrooid, en
349 4, 6 | weggevoerd, en begonnen gezamenlijk in plaats van bruiloftsliederen,
350 5, 16| gebeden, en met weemoedige gezangen strekten zij de handen uit
351 6, 28| bereid was, in verscheidene gezelschappen.~
352 6, 17| afkwamen, die van allen gezien werden, nevens de Joden.~
353 5, 6 | allen schenkt wie hij wil) gezonden tot de koning.~
354 5, 28| een zeer onreine eed vast gezworen, dat hij niet alleen dezen
355 4, 15| harder dreigde, alsof zij met giften omgekocht waren om de Joden
356 3, 10| Azië gedaan hadden, die gijlieden ook zelf weet, die door
357 7, 9 | die om des buiks wil de Goddelijke geboden overtreden hadden,
358 6, 11| onzer, wij die door het goddelozen, alsof wij verraders waren,
359 3, 10| zelf weet, die door der goden onverhinderlijke bijstand
360 2, 23| in de stad de trappen der godzalige stad haatten, gaven zich
361 2, 24| en weken niet af van de godzaligheid; en voor het leven onbeschroomd
362 7, 18| niemand enigszins van hun goederen verstoten, maar zij allen
363 3, 10| Celo-Syrië en Fenicië wonen, goedertieren te behandelen, en hen gaarne
364 7, 5 | dreigende, als wij naar de goedertierenheid, die wij hebben jegens alle
365 7, 15| vloot, naar hun algemeen goedvinden zeven dagen lang wachtende
366 6, 27| nodig was, uit te reiken; goedvindende dat zij in die plaats, in
367 7, 15| want de korting beschikte goedwillig aan een ieder alle nooddruft
368 1, 5 | overwinnaars ieder twee pond goud te geven.~
369 6, 28| versmaadheid leden, en nabij het graf, ja veel meer daarin gegaan
370 6, 21| weende hij en dreigde met gramschap zijn vrienden, zeggende:
371 4, 5 | menigte van oude mannen met grauwe haren bedekt, en zij misbruikten
372 3, 5 | 5 Maar de Grieken, die in de stad waren, wie
373 1, 19| riepen zij dat men de wapenen grijpen en mannelijk voor de vaderlijke
374 5, 28| te vuur en te zwaard te gronde werpen, en hun heiligdom,
375 6, 37| hen prijzende, schreef met grootmoedigheid voor hen de volgende brief,
376 6, 3 | onbarmhartige stoutheid, en met een grootsprekende tong) in de zee gestort
377 2, 25| hen afweken waren hun een gruwel, en zij hielden hen als
378 2, 14| getreden, gelijk de huizen der gruwelen vertreden worden.~
379 5, 15| 15 Zodra nu de haan des morgens vroeg kraaide,
380 3, 1 | hij gelastte dat men zou haasten, en in één plaats alle Joden
381 7, 8 | brief ontvangen hadden, haastten zij zich niet om terstond
382 2, 23| trappen der godzalige stad haatten, gaven zich licht over,
383 5, 9 | 9 Als het nu omtrent half tien was, en als degene
384 7, 11| de gehele menigte riepen: Hallelujah, en zij vertrokken met blijdschap.~
385 3, 3 | werden; maar omdat zij hun handel en wandel met de goede werken
386 3, 7 | vrienden, en die met hen handelden, heimelijk enigen tot zich
387 3, 5 | want het was een tirannieke handelwijze),~
388 1, 15| met stof, en lieten het hangen, en vervulden de straten
389 7, 5 | hen over deze zaken zeer hard dreigende, als wij naar
390 4, 15| 15 En als hij hen te harder dreigde, alsof zij met giften
391 4, 5 | van oude mannen met grauwe haren bedekt, en zij misbruikten
392 2, 15| nedergevallen en gebroken zijn van harte, ons namelijk vrede gevende.~
393 3, 12| maar inderdaad met valse harten; want toen wij voorgenomen
394 5, 22| die daar vergaderd waren, heengaan, een ieder tot zijn arbeid.~
395 6, 3 | gestort met zijn hovaardige heerkracht en verdelgd, en het geslacht
396 6, 4 | Sanherib, die op zijn talloze heerkrachten pochte en met de spies het
397 6, 19| naar de volgende gewapende heerlegers, en vertrapten en vernielden
398 5, 18| werking Gods, die over alles heerst, die in het verstand een
399 5, 19| en het heer, zijn naar uw heftig voornemen, bereid.~
400 5, 25| en weder op de daad zo herroept gij, uit verandering, wat
401 1, 13| dan niet geheel ingaan, hetzij hun lief of leed?~
402 3, 17| voorziende, dat mogelijk hierna enig oproer tegen ons mocht
403 5, 9 | terwijl hij met hem woorden hierover wisselde; welke rede, de
404 7, 5 | van alle beschuldiging, hoedanig die ook zij.~
405 4, 8 | een dicht luik boven het hoofd gelegd, opdat hun ogen alleszins
406 5, 8 | zijn machtige hand aan de hoogmoedige heidenen wilde tonen.~
407 5, 32| gruwelijk geluid en getuimel hoorden, zo meenden zij, dat dit
408 3, 16| oprecht welgezind zijn, en zij hopen altijd, dat wij door dit
409 3, 16| 16 Maar zij het tegendeel hopende, en het goede door de aangeboren
410 5, 20| waren, en op hem de ogen houdende, sprak hij met veel dreigen.~
411 6, 27| en wat voorts om feest te houdig nodig was, uit te reiken;
412 1, 21| beproefden alleszins zijn hovaardig gemoed van de voorgenomen
413 2, 5 | Sodomieten, toen zij allen hovaardigheid werkten, en door hun boosheden
414 5, 12| Falaris, dat zij dit aan de huidige slaap mochten toeschrijven.~
415 6, 6 | ongekwetst aan al zijn huisgenoten vertoond.~
416 3, 20| die zal met zijn ganse huisgezin met de schandelijkste folteringen
417 4, 3 | welke straten werden niet om hunnentwil met geklag en gekerm vervuld?~
418 4, 6 | die zich onlangs tot de huwelijke staat begeven hadden, ontvingen,
419 3, 20| 20 En zo wie iemand van de Joden beschermen
420 6, 9 | 9 Laat hen, die maar ijdelheid bedenken, niet zegenen de
421 5, 24| hetzelfde gelasten? wapen immers nu eenmaal tegen morgen
422 3, 12| vriendelijk ontvangen, maar inderdaad met valse harten; want toen
423 1, 14| geweld des konings, die boos indrong, te bedwingen; als zij ook
424 6, 27| zich de ontvanger van zijn inkomsten en gelastte aan hen, zeven
425 2, 20| oprichten en dit schrift insnijden, dat niemand onder hen die
426 1, 4 | geworden van de vaderlijke inzettingen, had hem weggevoerd, en
427 1, 11| dat maar eenmaal in het jaar, zo liet hij zich nochtans
428 5, 31| aanschouwen de moeilijke en jammerlijke ondergang dergenen, waarvan
429 6, 1 | nu in ouderdom tot zijn jaren gekomen, en met alle deugd
430 4, 7 | mannen waren in hun bloeiende jeugd om de halzen met stroppen
431 4, 7 | inplaats van vreugde en jeugdige vrolijkheid, als die reeds
432 6, 6 | gebracht; en gij hebt, o Vader, Jona, die in de buik van een
433 3, 20| zal, van de oudste tot de jongste, ja tot de zuigende toe,
434 5, 28| grave zenden, maar ook tegen Judea een heerleger voeren, en
435 4, 1 | gemeenschappelijke maaltijd met juichen en blijdschap, overmits
436 1, 15| de dochters, die in haar kamers besloten waren, met haar
437 5, 5 | de koning deze zaken te kennen te geven.~
438 1, 17| verlieten de jonggeboren kindertjes hier en daar, sommigen in
439 5, 21| 21 Zo vele ouders, of kindskinderen als er bij mij komen zullen,
440 6, 29| hielden op van het droevig klaaglied, en hieven weder aan de
441 4, 15| gebeurde het dat zij hem klaar bericht deden, als zij hem
442 1, 15| vervulden de straten met klagen en zuchten.~
443 2, 21| lichaam, namelijk met een klimopblad, het wapen van Bacchus,
444 1, 5 | haar kinderen, en vrouwen kloek te hulp zouden komen, en
445 5, 5 | 5 En hun gedurig gebed klom op in de hemel. Hermon nu,
446 2, 5 | tot een voorbeeld aan de komende eeuwen.~
447 2, 16| zijn leden, noch spreken kon, overmits hij door het rechtvaardig
448 7, 10| vrij zonder enige verdere koninklijke macht of onderzoek, zouden
449 7, 15| van hun behoud, want de korting beschikte goedwillig aan
450 5, 15| de haan des morgens vroeg kraaide, wapende Hermon die grote
451 4, 16| 16 Doch dit was een krachtig werk van de onoverwinnelijke
452 7, 18| verstoten, maar zij allen kregen allen het hunne uit de aantekening
453 1, 3 | die wijze een einde aan de krijg maken.~
454 5, 2 | voornaamsten zijner vrienden en krijgsoversten, die tegen de Joden vijandig
455 3, 10| 10 Nadat wij onze krijgstocht in Azië gedaan hadden, die
456 4, 5 | die van oudheid traag en krom waren en dreven die met
457 4, 7 | stroppen gebonden, inplaats van kronen; en brachten de overgebleven
458 6, 6 | nijdige beschuldigingen in de kuil de leeuwen voorgeworpen
459 2, 13| namelijk de hemel der hemelen, kunnen de mensen niet komen, doch
460 1, 10| plaats kwam, en zich over de kunst en sierlijkheid ontzette,
461 5, 33| keerden zich tot geklag en kusten en omhelsden elkander, en
462 3, 16| verwerpende, en tot het kwaad alle tijd genegen zijnde,
463 3, 2 | boze lieden, die tot het kwaaddoen eensgezind waren, tot dit
464 2, 16| zodat hij nu op de vloer lag, machteloos, en ook lam
465 2, 16| lag, machteloos, en ook lam aan zijn leden, noch spreken
466 7, 1 | Egypte, en allen die over des lands zaken gesteld zijn, geluk
467 4, 3 | 3 Wat landschap of stad, of om in het gemeen
468 4, 14| beschrijving der Joden niet langer konden doen, om hun ontelbare
469 2, 19| vermetelheid voortgegaan, dat hij lasteringen in alle plaatsen tegen het
470 6, 4 | opgeblazenheid, en stoutheid lasterlijke woorden sprak, gij, Here,
471 5, 28| en te allen tijd in de as laten liggen.~
472 7, 16| zij in vreemdelingschap leefden.~
473 6, 6 | beschuldigingen in de kuil de leeuwen voorgeworpen was, tot spijs
474 1, 2 | en zijn krijgslieden hun leger hadden.~
475 4, 9 | gelast dat zij hen zouden legeren op het rijveld voor de stad,
476 2, 19| dat velen van de vrienden, lettende op des konings voorstel,
477 6, 25| die almachtige, hemelse en levende God, die van onze voorouders
478 6, 5 | Babylonië waren, en hun lichamen gewillig aan het vuur overgaven,
479 5, 8 | baden hem weder, die zich lichtelijk laat verzoenen, dat hij
480 3, 2 | uitgestrooid, zijnde de boze lieden, die tot het kwaaddoen eensgezind
481 1, 13| geheel ingaan, hetzij hun lief of leed?~
482 1, 17| sommigen op de straten, en zij liepen zonder ophouden te hoop
483 1, 25| alsof zij allen de dood liever hadden dan de besmetting
484 5, 28| allen tijd in de as laten liggen.~
485 2, 17| werden beide zijn vrienden en lijfwachten, als zij de snelle straf
486 2, 15| snel ons overkomen, en geef lof in de mond dergenen die
487 7, 14| gejuich; en zij dankten met lofliederen en zoete lofzangen de God
488 6, 30| wil een grote maaltijd, en loofde God in de hemel zonder ophouden
489 6, 26| stonden aan ontbonden, en loofden de heilige God, hun behouder,
490 6, 25| tevoren gedaan is. Laat los de kinderen van die almachtige,
491 1, 5 | met gekerm en geween, met loshangend haar, dat zij zichzelf en
492 5, 35| borsten, en riepen met zeer luide stem, en baden de Here aller
493 4, 8 | daarenboven werd een dicht luik boven het hoofd gelegd,
494 2, 7 | gij uw grote kracht bekend maaktet, en hem, toen hij Israël
495 4, 13| met blijdschap, en hield maaltijden voor alle afgoden; zijn
496 2, 16| hij nu op de vloer lag, machteloos, en ook lam aan zijn leden,
497 2, 11| onderworpen, en worden in onze machteloosheid door u voorbijgegaan.~
498 3, 4 | de koning, noch met zijn machten verzoenbaar waren, maar
499 5, 29| Toen zijn de vrienden en magen zeer blijde geworden, met
500 2, 8 | verschijning, die beroemd makende ter ere van uw grote en
|