36-maken | male-waarm | waarv-zwave
Chapter, Verse
501 5, 25| gij hebt nu ten derden male gelast hen uit te roeien,
502 6, 1 | Eleazar, een voortreffelijk man, een uit de priesters van
503 3, 17| verzekerd, dat dezen op alle manier ons kwalijk gezind zijn,
504 1, 19| men de wapenen grijpen en mannelijk voor de vaderlijke wet sterven
505 7, 12| 12 En zo straften zij hun medeburgers, die zich verontreinigd
506 2, 19| vermeerderde, en met hulp van zijn medehelpers en metgezellen, die tevoren
507 5, 12| getuigden, sprak hij, die meerder wreedheid had dan Falaris,
508 2, 24| 24 Doch de meesten bleven standvastig, en weken
509 5, 34| de borsten, om de laatste melk te zuigen.~
510 5, 3 | was om hen te verzekeren, menende dat dit geslacht tegelijk
511 1, 18| 18 En daar was menigerlei gesmeek van degenen, die
512 5, 30| rijplaatsen met talloze menigten van mensen vervuld was,
513 3, 22| eeuwigen tijde voor het gehele menselijke geslacht. En zodanig was
514 3, 17| Daarom zijn wij door zekere merktekenen wel verzekerd, dat dezen
515 6, 22| overtroffen, en gij neemt voor ook mijzelf, die uw genadige heer ben,
516 4, 10| anderen, en in generlei wijze minder straffen dan de anderen;
517 6, 22| 22 Gij misbruikt de koning, en hebt de tirannen
518 4, 5 | grauwe haren bedekt, en zij misbruikten de benen, die van oudheid
519 5, 7 | onrechtvaardig voornemen mislukte hem zeer, en in zijn onverzettelijk
520 3, 17| hierna enig oproer tegen ons mocht ontstaan, wij deze goddeloze
521 1, 7 | heeft hij zijn onderdanen moedig gemaakt.~
522 1, 24| En uit het zeer sterk, en moeilijk tezamen gebracht geschreeuw
523 5, 31| ogen wilde aanschouwen de moeilijke en jammerlijke ondergang
524 1, 12| zeggende, dat hij daar moest ingaan; en hoewel zij van
525 5, 24| ellendige, hoe dikwijls moet men een en hetzelfde gelasten?
526 3, 17| zijn, en voorziende, dat mogelijk hierna enig oproer tegen
527 4, 8 | scheepvaart het geleide van deze moordenaars zouden uitstaan.~
528 5, 24| immers nu eenmaal tegen morgen de olifanten tot het verderf
529 1, 25| alleen de mensen, maar ook de muren, ja de gehele vloer een
530 1, 5 | Antiochus, zo ging Arsinoë naarstig toe, en bad het krijgsvolk
531 4, 12| hun beschrijving met veel naarstigheid, en gestadig zitten van
532 1, 7 | zo nam hij voor tot de naastgelegene steden te gaan, en hen te
533 6, 28| tevoren versmaadheid leden, en nabij het graf, ja veel meer daarin
534 1, 3 | waren, en begaf zich des nachts tot de tent van Ptolomeüs,
535 3, 10| 10 Nadat wij onze krijgstocht in
536 2, 10| zijt getrouw en waarachtig, nademaal gij dikwijls, als onze vaders
537 2, 7 | en hem, toen hij Israël najaagde met wagens en menigte der
538 2, 15| in de mond dergenen die nedergevallen en gebroken zijn van harte,
539 1, 14| priesters met hun geheel gewaad nedervielen en de hoogste God baden,
540 3, 16| goede wetten snel zullen nederwerpen.~
541 6, 22| wreedheid overtroffen, en gij neemt voor ook mijzelf, die uw
542 6, 17| van allen gezien werden, nevens de Joden.~
543 5, 27| vol onverstand zijnde, en niets achtende de veranderingen
544 6, 6 | Gij hebt Daniël, die door nijdige beschuldigingen in de kuil
545 5, 9 | gesteld was om gasten te noden, zag dat de genoden sterk
546 6, 27| voorts om feest te houdig nodig was, uit te reiken; goedvindende
547 7, 15| goedwillig aan een ieder alle nooddruft tot de reis, totdat zij
548 3, 11| van die booswichten, die nooit ophouden van hun onzinnigheid,
549 3, 4 | geroemd was, maar het verschil nopens de aanbidding en andere
550 5, 21| hun plaats van uw leven nul behoort beroofd te worden.~
551 5, 28| hun heiligdom, waar zij de offeranden offerden daar wij niet mogen
552 2, 20| niemand onder hen die niet offerde, in hun tempels zou ingaan,
553 5, 28| waar zij de offeranden offerden daar wij niet mogen ingaan,
554 5, 32| dit voor hen het laatste ogenblik van hun leven was, en het
555 1, 3 | opdat hij alleen hem zou ombrengen, en op die wijze een einde
556 2, 25| beiden van hun gemeenzame omgang en voorrechten.~ ~
557 1, 23| dit zagen hebben zij zich omgekeerd, om met de onzen hem aan
558 4, 15| dreigde, alsof zij met giften omgekocht waren om de Joden te doen
559 5, 33| tot geklag en kusten en omhelsden elkander, en vielen de bloedverwanten,
560 4, 9 | de stad, zijnde groot in omvang, en bovenmate wel gelegen
561 5, 4 | met banden en benauwdheid omvangen waren, hebben allen de almachtige
562 6, 21| beroofd heidenen over uw on~
563 3, 18| plagen ons toezenden, tot een onafbiddelijke en schandelijke dood, die
564 4, 4 | werden zij met een bitter en onbarmhartig gemoed door de stadhouders
565 6, 3 | hij zich verhief met een onbarmhartige stoutheid, en met een grootsprekende
566 1, 4 | had hem weggevoerd, en een onbeduidend mens in de tent in zijn
567 6, 16| en het ganse heer tot een onbedwingelijk schreien bewogen werd.~
568 6, 6 | spijs der wilde dieren, onbeschadigd weder in het licht gebracht;
569 2, 24| godzaligheid; en voor het leven onbeschroomd geld in de plaats biedende,
570 6, 18| en verstrikten hen met onbewegelijke boeien, en ook des konings
571 1, 7 | beschonken had, zo heeft hij zijn onderdanen moedig gemaakt.~
572 2, 11| vanwege onze vele grote zonden onderdrukt, en wij zijn onze vijanden
573 3, 3 | 3 Maar de Joden onderhielden wel tot de koningen een
574 3, 2 | hen verhinderden in het onderhouden hunner wetten.~
575 1, 18| hetgeen onheilig door hem onderstaan werd.~
576 7, 4 | en gepoogd, zonder enige ondervraging en onderzoeking, te doden
577 2, 11| en wij zijn onze vijanden onderworpen, en worden in onze machteloosheid
578 7, 10| verdere koninklijke macht of onderzoek, zouden uitroeien.~
579 7, 4 | zonder enige ondervraging en onderzoeking, te doden zijnde verstrikt
580 6, 31| snorkende stoutheid met oneer uitgeblust was.~
581 3, 16| dat wij door dit hun zeer oneerlijk leven onze goede wetten
582 2, 8 | Gij hebt, o Koning, die de oneindige en onmetelijke aarde geschapen
583 4, 6 | bestrooid, en zij werden ongedekt weggevoerd, en begonnen
584 6, 6 | gestadig als versmolt, ongekwetst aan al zijn huisgenoten
585 5, 1 | te drinken geven en veel ongemengde wijn; en als zij door het
586 6, 24| uitgestaan hebben, met zulke ongeoorloofde straffen beladen?~
587 2, 14| hun onheiligheid, opdat de ongerechtigen in hun gemoed niet roemen,
588 5, 25| mede aanzaten, over zijn ongestadig gemoed zich verwonderende,
589 4, 4 | van de vijanden, die om de ongewone straffen voor ogen namen
590 6, 8 | En indien ons leven met ongodsdienstigheid in onze vreemdelingschap
591 4, 13| afgedwaald, en met zijn onheilige mond prees hij de stomme
592 7, 13| vreugde, met blijdschap de onheiligen dodende.~
593 2, 14| straf ons niet door hun onheiligheid, opdat de ongerechtigen
594 2, 4 | over hen brengende een onmetelijk water van de zondvloed.~
595 2, 8 | Koning, die de oneindige en onmetelijke aarde geschapen hebt, deze
596 4, 14| alle stadhouders in Egypte onmogelijk was te doen.~
597 3, 22| verwoest en verbrand, en geheel onnut ten eeuwigen tijde voor
598 1, 16| schaamte, en zij maakten een onordentelijk geloop in de stad.~
599 4, 16| een krachtig werk van de onoverwinnelijke voorzienigheid Gods, die
600 6, 25| 25 Ontbindt, ontbindt de onrechtvaardige handen, zendt hen terug
601 2, 4 | degenen die in vorige tijden onrechtvaardigheid bedreven, (onder welke ook
602 2, 14| 14 Wreek ons niet door de onreinheid van deze mensen, en straf
603 5, 21| en slaan inplaats van de onschuldige Joden, die hun gestadige
604 7, 4 | doden zijnde verstrikt met onstuimige wreedheid, als de Scyten
605 5, 4 | heidenen van alle hulp schenen ontbloot te zijn, omdat zij alom
606 1, 1 | beide te voet en te paard, ontboden;~
607 6, 26| zij werden van stonden aan ontbonden, en loofden de heilige God,
608 4, 15| zouden gebruiken hun reeds ontbraken.~
609 6, 11| 11 Ontferm u onzer, wij die door het
610 5, 35| heerlijke verschijning wilde ontfermen, die nu in de poorten des
611 1, 1 | had, hem door Antiochus ontnomen waren, zo heeft hij al zijn
612 6, 18| heerleger der vijanden met ontroering en verschrikking, en verstrikten
613 3, 17| enig oproer tegen ons mocht ontstaan, wij deze goddeloze mensen
614 1, 24| gebracht geschreeuw des volks, ontstond een geroep dat niet was
615 2, 19| alleen zichzelf met ontelbare ontuchtigheden verzadigd, maar hij is ook
616 6, 27| stad, en riep tot zich de ontvanger van zijn inkomsten en gelastte
617 5, 17| als de koning de vrienden ontving, stond bij hem, en riep
618 4, 6 | huwelijke staat begeven hadden, ontvingen, in plaats van vermaak,
619 4, 15| waren om de Joden te doen ontvluchten, zo gebeurde het dat zij
620 3, 14| nochtans zijn hun uitzinnigheid ontweken, en zijn met overwinning
621 3, 3 | wel tot de koningen een onveranderlijke goedwilligheid en trouw,
622 3, 10| weet, die door der goden onverhinderlijke bijstand naar onze wil ten
623 3, 5 | geschied was, als zij dit onverhoopt oproer zagen tegen deze
624 7, 7 | mogendheid, alle tijd in alles onvermijdelijk tot onze wederpartij zullen
625 5, 27| tweede Falaris was, vol onverstand zijnde, en niets achtende
626 5, 25| lang verzoekt gij ons als onverstandigen? gij hebt nu ten derden
627 1, 13| En een antwoordde: Het is onvoorzichtig gedaan en dat het iets kwaads
628 3, 16| hebben niet alleen dit onwaardeerbaar recht van burgerschap verstoten,
629 5, 18| die in alles door God met onwetendheid bevangen was) wat dat voor
630 1, 23| hulp wilde komen, en deze onwettige en hovaardige daad niet
631 4, 4 | barmhartigheid, en bedachten de onzekere verandering van dit leven,
632 1, 23| zich omgekeerd, om met de onzen hem aan te roepen, die alle
633 3, 11| die nooit ophouden van hun onzinnigheid, te vereren;~
634 2, 16| hij door het rechtvaardig oordeel Gods geheel verstrikt was.~
635 2, 3 | wrevel en hoogmoed iets doet, oordeelt gij.~
636 3, 13| vijandelijk gemoed jegens ons openbaar bewijzende, willen zij niet
637 4, 1 | stoutheid zich blijkbaar openbaarde, welke in vorige tijden
638 7, 12| sloegen hen dood na hen vele openbare smaadheden aangedaan te
639 4, 12| en gestadig zitten van de opgang der zon tot derzelver ondergang,
640 3, 11| te Jeruzalem gekomen, en opgegaan om de tempel van die booswichten,
641 5, 21| liefde van dat wij tezamen opgevoed zijn, en om uw dienst) gij
642 5, 9 | hem aan, en hem nauwelijks opgewekt hebbende, vertoonde hij
643 3, 13| onder de volken hun hals opheffen tegen de koningen, en hun
644 6, 15| nu Eleazar van het gebed ophield, kwam de koning met de beesten,
645 6, 6 | walvis, die zich in de diepte ophoudt, gestadig als versmolt,
646 5, 13| zeide hij: Bereid zonder oponthoud op gelijke wijze tegen de
647 3, 16| weinigen onder hen, die ons oprecht welgezind zijn, en zij hopen
648 2, 20| hof liet hij een pilaar oprichten en dit schrift insnijden,
649 7, 17| de plaats van de maaltijd oprichtende, en met het gebed zegenende.
650 2, 24| poogden zij zichzelf van het opschrijven te bevrijden, en zij hadden
651 1, 21| gemoed van de voorgenomen opzet af te wenden.~
652 6, 1 | versierd was, stelde de ouden rondom zich, om de heilige
653 6, 1 | van het land, die nu in ouderdom tot zijn jaren gekomen,
654 4, 5 | misbruikten de benen, die van oudheid traag en krom waren en dreven
655 3, 20| Joden beschermen zal, van de oudste tot de jongste, ja tot de
656 6, 5 | en de zeer doorgloeide oven als met een dauw begoten,
657 6, 5 | lichamen gewillig aan het vuur overgaven, om niet te dienen de ijdele
658 2, 15| Laat uw ontferming snel ons overkomen, en geef lof in de mond
659 7, 5 | zijn kinderen, streed; ook overleggende de vriendschap, waarmede
660 3, 15| bondgenootschap, als ook omdat hun van overoude tijden talloos vele zaken
661 7, 2 | aangehouden, en ons ook overreed, dat wij de Joden die in
662 6, 22| de tirannen in wreedheid overtroffen, en gij neemt voor ook mijzelf,
663 5, 1 | wijn; en als zij door het overvloedig geven van die drank verwoed
664 5, 21| de wrede beesten tot een overvloedige spijs bereid hebben, en
665 4, 9 | schip gebracht waren, en het overvoeren voltrokken was, gelijkerwijs
666 1, 5 | komen, en zij beloofde de overwinnaars ieder twee pond goud te
667 3, 14| uitzinnigheid ontweken, en zijn met overwinning gekomen, en hebben in Egypte
668 1, 7 | de bedriegelijke aanslag overwonnen had, zo nam hij voor tot
669 1, 1 | krijgsvolk, beide te voet en te paard, ontboden;~
670 6, 35| vijfentwintigste dag van de maand Pachon tot de vierde van de maand
671 4, 15| zeiden en bewezen, dat beide papier en schrijfpennen, die zij
672 4, 11| hen bekend gemaakt, maar pijnigen met de gedreigde straffen,
673 1, 9 | hetgeen voorts op die plaats placht te geschieden, gedaan had;~
674 3, 18| sluiten, en met smaadheid en plagen ons toezenden, tot een onafbiddelijke
675 7, 4 | wreedheid, als de Scyten plegen te gebruiken.~
676 1, 20| zich weder tot dezelfde plicht des gebeds.~
677 6, 4 | zijn talloze heerkrachten pochte en met de spies het ganse
678 1, 5 | overwinnaars ieder twee pond goud te geven.~
679 2, 24| geld in de plaats biedende, poogden zij zichzelf van het opschrijven
680 2, 12| 12 En in deze onze val poogt deze stoute en onreine koning
681 5, 32| van de olifanten, die de poort uitkwamen, en van het gewapende
682 3, 15| gemeenschap van het altijddurende priesterdom, en verwaardigden met het
683 7, 19| Verlosser Israëls zij te prijzen in der eeuwigheid. Amen.~
684 6, 32| vrolijke dankzeggingen en psalmen.~
685 1, 2 | zich naar de plaatsen langs Rafia gelegen, waar Antiochus
686 5, 30| bijna om zo te zeggen in een razende gestalte gebracht, ze schrikkelijk,
687 5, 9 | hierover wisselde; welke rede, de koning bedenkende, keerde
688 7, 6 | hetgeen hun buiten recht en reden wedervaren is.~
689 6, 2 | geschapen dingen in ontferming regeert, aanzie het zaad van Abraham,
690 6, 27| houdig nodig was, uit te reiken; goedvindende dat zij in
691 7, 15| ieder alle nooddruft tot de reis, totdat zij thuis kwamen.~
692 4, 9 | die buiten naar het land reisden om dit voorbeeld der straf
693 1, 8 | ten spoedigste tot hen te reizen.~
694 6, 15| gruwelijk heerleger aan het renperk.~
695 3, 11| tempels in de steden vele renten uitgedeeld hadden, zo zijn
696 2, 4 | bedreven, (onder welke ook de reuzen waren, die op hun sterkte
697 7, 15| eigenschap der plaats genaamd Rhodoforos, waar op hen een vloot,
698 2, 16| zijden slingerende gelijk het riet van de wind, zodat hij nu
699 3, 19| tijden, voor ons de zaken des rijks in een goede stand en zeer
700 5, 30| toen nu de stad langs de rijplaatsen met talloze menigten van
701 4, 9 | hen zouden legeren op het rijveld voor de stad, zijnde groot
702 7, 17| land en ter zee, en over de rivieren, een ieder naar zijn huis
703 5, 25| derden male gelast hen uit te roeien, en weder op de daad zo
704 2, 14| ongerechtigen in hun gemoed niet roemen, noch in hunner tongen hoogmoed
705 3, 4 | dat maakten zij overal ruchtbaar, zeggende, dat die mensen
706 5, 26| in oproer is, en vol van samenscholing, zodat zij dikwijls in gevaar
707 6, 4 | machtige koning van Assyrië, Sanherib, die op zijn talloze heerkrachten
708 5, 22| werden droevig van gelaat, en schaamrood, en lieten degenen, die
709 3, 20| zijn ganse huisgezin met de schandelijkste folteringen gepijnigd worden.~
710 3, 21| en nog uit des konings schatkamer tweeduizend drachmen zilver,
711 1, 25| 25 Want het scheen, dat niet alleen de mensen,
712 4, 8 | worden, en zij in de ganse scheepvaart het geleide van deze moordenaars
713 5, 4 | de heidenen van alle hulp schenen ontbloot te zijn, omdat
714 7, 5 | nauwelijks het leven konden schenken, en erkenden, dat de hemelse
715 5, 6 | wordt, als die het aan allen schenkt wie hij wil) gezonden tot
716 4, 8 | halzen aan de boorden der schepen gespijkerd, en sommigen
717 2, 18| berouw, maar hij trok weg met scherpe dreigementen.~
718 4, 2 | verderf, hetwelk jegens hen zo schielijk besloten was.~
719 2, 22| 22 En opdat hij niet zou schijnen op alle Joden verstoord
720 5, 15| vergaderde tot dit zeer ellendig schouwspel, en verwachtte met verlangen
721 6, 16| heer tot een onbedwingelijk schreien bewogen werd.~
722 4, 15| bewezen, dat beide papier en schrijfpennen, die zij zouden gebruiken
723 2, 22| zijn, zo liet hij daaronder schrijven, dat zo enigen onder hen
724 4, 14| voormelde tijd boodschapten de schrijvers de koning, dat zij de beschrijving
725 7, 4 | onstuimige wreedheid, als de Scyten plegen te gebruiken.~
726 6, 18| konings lichaam werd geheel sidderende, en hij vergat zijn toornige
727 5, 2 | hij zich weder tot goede sier te maken, en vergaderde
728 1, 10| en zich over de kunst en sierlijkheid ontzette, ja ook over de
729 2, 1 | 1 Simon dan, de hogepriester, tegenover
730 2, 20| volk beschreven, tot een slaafse staat weggevoerd zouden
731 5, 21| spijs bereid hebben, en slaan inplaats van de onschuldige
732 1, 22| verstoutende, en alles in de wind slaande, trad toe, en meende een
733 1, 5 | 5 En als er een bloedige slag geschiedde, en de zaken
734 5, 14| nacht niet zozeer om te slapen, als wel om allerlei bespottingen
735 7, 4 | gebracht hebben, gelijk slaven, ja veel meer gelijk verraders,
736 2, 16| had, hem aan alle zijden slingerende gelijk het riet van de wind,
737 3, 18| kinderen in ijzeren banden zal sluiten, en met smaadheid en plagen
738 2, 16| gegeseld, die zichzelf met smaad en trotsheid grotelijks
739 7, 12| dood na hen vele openbare smaadheden aangedaan te hebben.~
740 2, 17| lijfwachten, als zij de snelle straf zagen, die hem had
741 3, 1 | vergaderen, en hen met de snoodste dood van het leven beroven.~
742 6, 31| zichzelf vervuld, omdat hun snorkende stoutheid met oneer uitgeblust
743 2, 5 | 5 Gij hebt de Sodomieten, toen zij allen hovaardigheid
744 3, 7 | 7 Ja ook sommige buren en vrienden, en die
745 6, 4 | heerkrachten pochte en met de spies het ganse land onder zijn
746 1, 2 | zuster Arsinoë met zich, en spoedde zich naar de plaatsen langs
747 1, 8 | dat hij temeer voornam ten spoedigste tot hen te reizen.~
748 5, 25| gemoed zich verwonderende, spraken deze woorden: O koning,
749 4, 9 | enigszins waardig geacht der stadsmuren.~
750 2, 24| 24 Doch de meesten bleven standvastig, en weken niet af van de
751 5, 21| Joden, die hun gestadige en standvastige trouw aan mij, en mijn voorouders,
752 6, 1 | dit leven versierd was, stelde de ouden rondom zich, om
753 6, 29| het treuren en zuchten, en stelden vrolijke reien aan tot een
754 2, 5 | en zwavel verbrand, hen stellende tot een voorbeeld aan de
755 5, 35| en riepen met zeer luide stem, en baden de Here aller
756 5, 4 | zonder ophouden met hun stemmen aangeroepen, biddende dat
757 6, 21| vrienden, zeggende: alle sterkheid en alle onredelijk ongelijk
758 6, 23| Wie heeft dezen, die de sterkten van ons land getrouw bewaarden,
759 5, 9 | hij in tot de koning, en stiet hem aan, en hem nauwelijks
760 3, 16| zowel met woorden, als met stilzwijgen, van die weinigen onder
761 4, 13| onheilige mond prees hij de stomme afgoden, die hem niet konden
762 5, 17| koning de vrienden ontving, stond bij hem, en riep om uit
763 2, 12| deze onze val poogt deze stoute en onreine koning deze heilige
764 6, 18| vergat zijn toornige en grote stoutmoedigheid.~
765 7, 12| 12 En zo straften zij hun medeburgers, die
766 5, 17| 17 De stralen van de zon verspreidden
767 7, 5 | vader voor zijn kinderen, streed; ook overleggende de vriendschap,
768 5, 16| met weemoedige gezangen strekten zij de handen uit tot de
769 4, 7 | bloeiende jeugd om de halzen met stroppen gebonden, inplaats van kronen;
770 3, 15| hun van overoude tijden talloos vele zaken door eenvoudigheid
771 3, 16| 16 Maar zij het tegendeel hopende, en het goede door
772 6, 5 | zondt de vlam tot al hun tegenpartijders.~
773 2, 20| worden; en zo wie zou mogen tegenspreken, dat men die met geweld
774 3, 1 | gehele land waren, meer tegenstond, en dat hij gelastte dat
775 3, 12| hebben wel met woorden onze tegenwoordigheid vriendelijk ontvangen, maar
776 6, 29| vrolijke reien aan tot een teken der vreedzame blijdschap.~
777 2, 21| opgeschreven werden, zou tekenen, en dat met vuur aan hun
778 1, 8 | wensen, gebeurde het dat hij temeer voornam ten spoedigste tot
779 1, 7 | als hij dit gedaan, en de tempelen met gaven beschonken had,
780 1, 20| 20 En als zij ternauwernood door de raad en de oudsten
781 5, 18| in het goddeloos uitgaan terneder geslagen werd, zo vroeg
782 6, 25| onrechtvaardige handen, zendt hen terug met vrede naar hun plaatsen,
783 5, 9 | de maaltijd voorbijging, terwijl hij met hem woorden hierover
784 1, 3 | 3 En een zekere Theodotus, trachtende de aanslag te
785 7, 15| tot de reis, totdat zij thuis kwamen.~
786 5, 9 | Als het nu omtrent half tien was, en als degene die gesteld
787 3, 1 | 1 En als de goddeloze tiran dit vernam, werd hij zo
788 6, 22| misbruikt de koning, en hebt de tirannen in wreedheid overtroffen,
789 3, 5 | hulp doen (want het was een tirannieke handelwijze),~
790 5, 30| morgenstond, versierende en toebereidende; en toen nu de stad langs
791 3, 7 | wilden beschermen, en alles toebrengen tot hun hulp.~
792 2, 12| aarde uw heerlijke naam toegeëigend is, smaadheid aan te doen.~
793 6, 36| alles is hun door de koning toegereikt, tot de veertiende dag toe;~
794 3, 19| zijn, zo achten wij, dat in toekomende tijden, voor ons de zaken
795 3, 5 | en dat er een onverwachte toeloop geschiedde, konden wel geen
796 5, 12| de huidige slaap mochten toeschrijven.~
797 4, 13| afgoden, die hem niet konden toespreken of helpen; maar tegen de
798 1, 19| zich en wilden het niet toestaan; als hij eindelijk aanhield,
799 3, 15| zaken door eenvoudigheid toevertrouwd waren, hun staat in beter
800 3, 18| smaadheid en plagen ons toezenden, tot een onafbiddelijke
801 5, 8 | hoogmoedige heidenen wilde tonen.~
802 6, 3 | en met een grootsprekende tong) in de zee gestort met zijn
803 2, 14| niet roemen, noch in hunner tongen hoogmoed vrolijk zijn, zeggende:
804 5, 1 | de koning, vol van grote toom, en door grimmigheid geheel
805 5, 19| Hermon en al de vrienden toonden hem en zeiden: O koning,
806 6, 20| 20 En des konings toorn werd veranderd in barmhartigheid
807 3, 1 | dit vernam, werd hij zo toornig, dat hij niet alleen vergramd
808 6, 18| sidderende, en hij vergat zijn toornige en grote stoutmoedigheid.~
809 2, 20| smaadheid aan te doen; in een toren bij het hof liet hij een
810 4, 5 | de benen, die van oudheid traag en krom waren en dreven
811 1, 3 | En een zekere Theodotus, trachtende de aanslag te voltrekken,
812 1, 22| alles in de wind slaande, trad toe, en meende een einde
813 2, 23| Sommigen nu, die in de stad de trappen der godzalige stad haatten,
814 3, 7 | heimelijk enigen tot zich trekkende, en deden beloften, dat
815 6, 29| weerden van zich al het treuren en zuchten, en stelden vrolijke
816 2, 18| geenszins tot berouw, maar hij trok weg met scherpe dreigementen.~
817 2, 17| het leven zou verliezen, trokken zij hem terstond uit de
818 2, 6 | 6 Gij hebt de trotse Faraö, die uw heilig volk
819 2, 16| die zichzelf met smaad en trotsheid grotelijks verheven had,
820 5, 27| koning, die in alles een tweede Falaris was, vol onverstand
821 3, 21| uit des konings schatkamer tweeduizend drachmen zilver, ja hij
822 5, 18| vernam en in het goddeloos uitgaan terneder geslagen werd,
823 6, 31| snorkende stoutheid met oneer uitgeblust was.~
824 3, 11| in de steden vele renten uitgedeeld hadden, zo zijn wij ook
825 1, 16| 16 En die ook onlangs uitgelaten waren, verlieten niet alleen
826 5, 3 | morgens een einde zou nemen en uitgeroeid worden.~
827 6, 24| ergste gevaren der mensen uitgestaan hebben, met zulke ongeoorloofde
828 3, 2 | gruwelijk gerucht tegen dit volk uitgestrooid, zijnde de boze lieden,
829 4, 10| en dikwijls uit de stad uitgingen, om te bewenen de schandelijke
830 5, 32| olifanten, die de poort uitkwamen, en van het gewapende heerleger,
831 5, 21| mij, en mijn voorouders, uitnemend bewezen hebben; hoewel (
832 4, 8 | deze moordenaars zouden uitstaan.~
833 2, 1 | knieën buigende, en de handen uitstrekkende tot de hemel, deed een zodanig
834 2, 8 | geschapen hebt, deze stad uitverkoren, en deze plaats geheiligd
835 3, 14| 14 Wij nochtans zijn hun uitzinnigheid ontweken, en zijn met overwinning
836 2, 7 | gevoerd; welke de werken uwer handen erkennende, u de
837 5, 2 | olifanten, Hermon, volbracht vaardig wat hem belast was.~
838 7, 7 | wraak van zulk een doen. Vaartwel.~
839 6, 16| hemel, zodat de bijliggende valleien mede een weerklank gaven,
840 3, 12| ontvangen, maar inderdaad met valse harten; want toen wij voorgenomen
841 3, 21| desgenen, die in deze straf valt, en nog uit des konings
842 5, 28| Met een zeer onreine eed vast gezworen, dat hij niet alleen
843 6, 36| koning toegereikt, tot de veertiende dag toe;~
844 6, 14| land hunner vijanden, niet veracht hebt, zo volbreng het, o
845 1, 12| die hem voorgelezen werd, verachtende, hield hij geenszins op
846 3, 4 | hen rondom met geen gewone verachting.~
847 6, 20| En des konings toorn werd veranderd in barmhartigheid en tranen,
848 5, 27| zijnde, en niets achtende de veranderingen van zijn gemoed, die in
849 1, 19| aan die plaats een grote verbittering.~
850 4, 8 | hun ogen alleszins zouden verblind worden, en zij in de ganse
851 3, 22| zal bevinden dat een Jood verborgen wordt, die worde verwoest
852 1, 14| uitgelopen, denkende dat het iets verborgens was hetgeen daar gedaan
853 5, 28| hij in der haast met vuur verbranden, en te allen tijd in de
854 6, 3 | hovaardige heerkracht en verdelgd, en het geslacht Israëls
855 3, 8 | 8 Verder de koning, door de tegenwoordige
856 7, 10| koninkrijk vrij zonder enige verdere koninklijke macht of onderzoek,
857 6, 9 | afgoden, als gij uw geliefden verderft, en zeggen: Ook hun God
858 3, 13| billijk en behoorlijk is verdragen, als die alleen onder de
859 5, 22| 22 Zo verdroeg Hermon zulk een onverwacht
860 4, 1 | tijden hun in het gemoed als vereeld was geweest.~
861 5, 22| lieten degenen, die daar vergaderd waren, heengaan, een ieder
862 3, 1 | in één plaats alle Joden vergaderen, en hen met de snoodste
863 6, 18| geheel sidderende, en hij vergat zijn toornige en grote stoutmoedigheid.~
864 1, 24| een geroep dat niet was te vergelijken,~
865 5, 18| die in het verstand een vergetelheid gelegd had van hetgeen tevoren
866 3, 15| wij het ongelijk wilden vergeten, en dat wij willens waren,
867 3, 1 | toornig, dat hij niet alleen vergramd was tegen Alexandrië, maar
868 3, 4 | 4 Deze vreemden dan verhaalden niet de goede wandel van
869 2, 8 | ding behoeft; en hebt die verheerlijkt met een zeer heerlijke verschijning,
870 2, 16| en trotsheid grotelijks verheven had, hem aan alle zijden
871 3, 2 | gegeven, alsof de Joden hen verhinderden in het onderhouden hunner
872 2, 16| heiligdom dit rechtvaardig gebed verhoord, en heeft hem gegeseld,
873 2, 9 | aanbaden, gij ons gebed zoudt verhoren.~
874 3, 8 | tegenwoordige voorspoed zich verhovaardigende, gaf geen acht op de kracht
875 2, 2 | in stoutheid en sterkte verhovaardigt.~
876 2, 22| dat zo enigen onder hen verkozen om te gaan met de priesters,
877 2, 24| vertrouwen dat zij hulp zouden verkrijgen.~
878 5, 15| schouwspel, en verwachtte met verlangen de morgenstond.~
879 6, 25| voorspoedige en heerlijke welstand verleent.~
880 2, 17| dat hij ook het leven zou verliezen, trokken zij hem terstond
881 6, 34| de koning en verzochten verlof om naar huis te gaan.~
882 6, 8 | vreemdelingschap bevangen is, verlos ons toch van de hand dezer
883 5, 4 | een heerlijke verschijning verlossen.~
884 5, 35| wederom, als zij gedachten de verlossingen, die hun uit de hemel tevoren
885 5, 10| hij hen zichzelf goed te verlustigen, en de tegenwoordige maaltijd
886 4, 6 | ontvingen, in plaats van vermaak, droefheid, en het haar
887 1, 7 | steden te gaan, en hen te vermanen. En als hij dit gedaan,
888 2, 19| Egypte kwam, en zijn boosheid vermeerderde, en met hulp van zijn medehelpers
889 2, 19| hij is ook tot zo grote vermetelheid voortgegaan, dat hij lasteringen
890 2, 10| hen geholpen hebt in hun vernedering, en hen verlost hebt uit
891 6, 19| heerlegers, en vertrapten en vernielden hen.~
892 7, 12| hun medeburgers, die zich verontreinigd hadden, en die op de weg
893 1, 16| niet alleen degenen, die verordineerd waren om de koning tegemoet
894 4, 13| alle afgoden; zijn hart was verre van de waarheid afgedwaald,
895 5, 18| hij dit met zulk een haast verricht had; doch dit was de krachtige
896 6, 7 | beschermer aller dingen, verschijn haastig degenen, die van
897 3, 4 | allen geroemd was, maar het verschil nopens de aanbidding en
898 5, 27| die in hem door God, tot verschoning der Joden, waren geschied,~
899 6, 12| verwinnelijke macht met verschrikken zich verwonderen, gij die
900 6, 18| vijanden met ontroering en verschrikking, en verstrikten hen met
901 1, 14| en geween vervulden, toen verschrikten degenen die hier en daar
902 6, 1 | alle deugd in dit leven versierd was, stelde de ouden rondom
903 3, 3 | werken der gerechtigheid versierden, zo waren zij bij alle mensen
904 5, 30| omtrent de morgenstond, versierende en toebereidende; en toen
905 2, 17| aangegrepen, met zeer grote vrees verslagen, en vrezende, dat hij ook
906 6, 28| hielden zij (die tevoren versmaadheid leden, en nabij het graf,
907 6, 6 | diepte ophoudt, gestadig als versmolt, ongekwetst aan al zijn
908 5, 17| 17 De stralen van de zon verspreidden zich nog niet, en Hermon,
909 5, 23| deze dingen van de koning verstaan hebbende, prezen de heerlijke
910 5, 18| alles heerst, die in het verstand een vergetelheid gelegd
911 1, 1 | Als de koning Filopator verstond van degenen die wedergekeerd
912 1, 22| 22 Doch hij, zich verstoutende, en alles in de wind slaande,
913 1, 19| sommigen van de burgers verstoutten zich en wilden het niet
914 6, 18| ontroering en verschrikking, en verstrikten hen met onbewegelijke boeien,
915 2, 15| Wis onze zonden uit, en verstrooi onze dwalingen, en betoon
916 5, 20| door Gods voorzienigheid verstrooid waren, en op hem de ogen
917 5, 9 | nauwelijks opgewekt hebbende, vertoonde hij hem, dat de bestemde
918 6, 19| gewapende heerlegers, en vertrapten en vernielden hen.~
919 2, 14| gelijk de huizen der gruwelen vertreden worden.~
920 6, 37| gesproken hebben over hun vertrek; en de koning hen prijzende,
921 7, 8 | zich niet om terstond te vertrekken, maar zij baden de koning,
922 2, 4 | hun sterkte en stoutheid vertrouwden) vernield, over hen brengende
923 5, 22| Hermon zulk een onverwacht en vervaarlijk dreigement; en hij ontzette
924 5, 31| hart met grote grimmigheid vervallende, in allerijl met de beesten
925 1, 4 | de wet verlaten had, en vervreemd was geworden van de vaderlijke
926 3, 15| altijddurende priesterdom, en verwaardigden met het burgerschap der
927 5, 32| het einde der ellendige verwachting.~
928 5, 15| ellendig schouwspel, en verwachtte met verlangen de morgenstond.~
929 3, 16| aangeboren boosaardigheid verwerpende, en tot het kwaad alle tijd
930 5, 28| alleen dezen zonder enig verwijl wilde straffen, met de knieën
931 5, 26| Waarom de stad door het verwijlen in oproer is, en vol van
932 7, 6 | enigszins leed doe, noch iets verwijte over hetgeen hun buiten
933 6, 12| heerlijke God, laat toch de verwinnelijke macht met verschrikken zich
934 5, 1 | overvloedig geven van die drank verwoed zouden zijn, dat men hen
935 3, 22| verborgen wordt, die worde verwoest en verbrand, en geheel onnut
936 1, 10| schone orde van de tempel verwonderde, zo nam hij voor en was
937 6, 12| macht met verschrikken zich verwonderen, gij die macht hebt over
938 5, 25| zijn ongestadig gemoed zich verwonderende, spraken deze woorden: O
939 6, 23| huis afgevoerd en herwaarts verzameld?~
940 5, 3 | wat te doen was om hen te verzekeren, menende dat dit geslacht
941 6, 34| gingen zij tot de koning en verzochten verlof om naar huis te gaan.~
942 5, 25| woorden: O koning, hoe, lang verzoekt gij ons als onverstandigen?
943 3, 4 | koning, noch met zijn machten verzoenbaar waren, maar dat zij gruwelijk
944 5, 8 | die zich lichtelijk laat verzoenen, dat hij de sterkte van
945 6, 35| van de maand Pachon tot de vierde van de maand Epif toe, veertig
946 7, 16| vrolijkheid die dagen wilden vieren, zolang zij in vreemdelingschap
947 6, 7 | 7 Nu dan, o God, gij vijand van overlast, gij barmhartige,
948 3, 13| vriendschap hebben, maar hun vijandelijk gemoed jegens ons openbaar
949 5, 2 | krijgsoversten, die tegen de Joden vijandig gezind waren; de overste
950 6, 35| hen om te brengen van de vijfde van de maand Epif tot de
951 6, 35| hadden hen beschreven van de vijfentwintigste dag van de maand Pachon
952 5, 1 | dag al de olifanten, die vijfhonderd in getal waren, vele handen
953 6, 5 | gekrenkt is, maar gij zondt de vlam tot al hun tegenpartijders.~
954 7, 15| Rhodoforos, waar op hen een vloot, naar hun algemeen goedvinden
955 1, 17| daarenboven beide moeders en voedstervrouwen verlieten de jonggeboren
956 1, 1 | zijn krijgsvolk, beide te voet en te paard, ontboden;~
957 6, 31| en om te zijn een aas der vogelen gesteld en met blijdschap
958 6, 14| vijanden, niet veracht hebt, zo volbreng het, o Here.~
959 1, 19| zijn voornemen dacht te volbrengen, riepen zij dat men de wapenen
960 5, 32| gewapende heerleger, dat volgde, en van het gaan des volks
961 2, 19| voorstel, ook zelf zijn wil volgden.~
962 7, 14| gehouden, als zij nu de volkomen genieting hunner behoudenis
963 3, 19| stand en zeer goede orde volmaakt gesteld zullen worden.~
964 1, 3 | trachtende de aanslag te voltrekken, nam tot zich de beste uit
965 4, 9 | waren, en het overvoeren voltrokken was, gelijkerwijs het door
966 4, 5 | 5 Want daar ging vooraan een menigte van oude mannen
967 4, 9 | gelegen voor degenen, die daar voorbij naar de stad kwamen, en
968 2, 11| onze machteloosheid door u voorbijgegaan.~
969 5, 9 | bestemde tijd van de maaltijd voorbijging, terwijl hij met hem woorden
970 1, 12| 12 Ja de wet, die hem voorgelezen werd, verachtende, hield
971 6, 6 | beschuldigingen in de kuil de leeuwen voorgeworpen was, tot spijs der wilde
972 5, 2 | maken, en vergaderde de voornaamsten zijner vrienden en krijgsoversten,
973 1, 8 | gebeurde het dat hij temeer voornam ten spoedigste tot hen te
974 6, 33| woningen van eeuw tot eeuw de voornoemde dagen, in vreugde zou houden,
975 6, 21| dat zij allen ten verderve voorover vielen, zo weende hij en
976 2, 25| hun gemeenzame omgang en voorrechten.~ ~
977 1, 5 | geschiedde, en de zaken meer voorspoedig waren aan de zijde van Antiochus,
978 6, 25| tot nu toe onze zaken een voorspoedige en heerlijke welstand verleent.~
979 2, 19| lettende op des konings voorstel, ook zelf zijn wil volgden.~
980 4, 5 | schaamte, om snel op de weg voort te gaan.~
981 2, 19| tot zo grote vermetelheid voortgegaan, dat hij lasteringen in
982 5, 11| het gesprek meer en meer voortging, zo riep de koning Hermon
983 6, 1 | een zekere Eleazar, een voortreffelijk man, een uit de priesters
984 4, 5 | dreven die met een geweldig voortstuwen, zonder enige schaamte,
985 6, 32| gezegd hebben, hielden de voorzegde reien met vreugde, en brachten
986 3, 17| kwalijk gezind zijn, en voorziende, dat mogelijk hierna enig
987 4, 6 | met welriekende zalf te voren gezalfd, was met as bestrooid,
988 2, 3 | gij zijt een rechtvaardig vorst, en die uit wrevel en hoogmoed
989 6, 29| reien aan tot een teken der vreedzame blijdschap.~
990 6, 2 | geheiligd erfdeel, dat in een vreemd land een vreemdeling is,
991 6, 2 | dat in een vreemd land een vreemdeling is, en onrechtvaardig vernield
992 3, 4 | 4 Deze vreemden dan verhaalden niet de goede
993 7, 15| was, hielden zij daar een vreugdemaaltijd van hun behoud, want de
994 2, 17| grote vrees verslagen, en vrezende, dat hij ook het leven zou
995 3, 12| woorden onze tegenwoordigheid vriendelijk ontvangen, maar inderdaad
996 7, 5 | hebben wij hen met recht vrijgesproken en spreken hen vrij van
997 2, 10| voorwaar, gij zijt getrouw en waarachtig, nademaal gij dikwijls,
998 6, 17| heerlijke, almachtige, en waarachtige God zijn heilig aanschijn
999 3, 13| sterkte niet konden weerstaan, waardoor wij met alle mensen vriendschap
1000 7, 5 | overleggende de vriendschap, waarmede zij ons en onze voorouders
|